sep 07

Nieuwsflits: Opticafoto van de dag

Toen mijn zoontje twee maand oud was, maakte ik een foto van zijn oog. Daar maakte ik toen dit fotoraadsel van: de vraag was hoe de regenboogkleurige ‘wolken’ ontstonden. De oplossing stond hier.

Deze foto is nu de “opticafoto van de dag” (“Optics Picture of the Day “) op de website van Les Cowley, “Atmospheric Optics“. Meestal staan er foto’s op van atmosferische verschijnselen, zoals regenbogen en halo’s, maar mijn binnenhuisopname haalde de selectie dus ook. :-)

Dit is een permanente link naar de pagina, dit is het huidige beeld van de dag en dit is de volledige lijst met voormalige dagfoto’s.

Beeld van de dag.

Opticafoto van de dag.

Les Cowley beschrijft de opname als volgt:

“Babyoog ~ De dunne traanfilm over een helder babyoog reflecteert de wereld en voegt een laag interferentiekleuren toe. De pupil is donker, ondoorgrondelijk, de wereld absorberend en lerend. De blauwe iris, mysterieus.

Sylvia Wenmackers nam een foto van haar zoon toen hij net iets meer dan twee maand oud was.”

(Dat is althans mijn vertaling van zijn tekst: “Baby’s Eye ~ The thin tear film over a baby’s clear eye reflects the world and adds a layer of interference colours. The pupil is dark, imponderable, absorbing all the world and learning. The blue iris, mysterious. Sylvia Wenmackers pictured her son when he was just over two months old.“)

Daaronder geeft hij nog wat uitleg over de optica: hoe interferentiekleuren ontstaan, wat de iris is en waarom die bij de meeste baby’s blauw is. (Een korte versie dus van wat ik in de oplossing van het fotoraadsel beschreef.)

Uiteraard ben ik Les Cowley dankbaar om mijn foto in zijn collectie op te nemen. Verder wil ik ook Drabkikker bedanken omdat hij me in een reactie attent maakte op Cowleys mooie website, waarna ik besloot om zelf ook eens een foto in te zenden.

sep 03

Vrije kuur in andersom denken

Ballon.Met helium gevulde ballonnen zijn leuk, maar ik ga er wel raar van dromen!

Helium (He) is zeer nuttig voor de wetenschap (gasvormig helium als inerte atmosfeer en vloeibaar helium om experimenten te koelen; CERN is dan ook een grootverbruiker), maar de wereldwijde reserves raken stilaan uitgeput. Toch wordt dit edelgas ook nog altijd gebruikt om ballonnen te vullen, waaruit het gestaag weglekt: ‘s ochtends hangt de ballon nog aan het plafond en ‘s avonds niet meer. (Het helium is er natuurlijk nog wel, maar eens vermengd met de lucht is het niet meer te recupereren voor menselijke toepassingen.)

Dat brengt me bij mijn stelling van vandaag:

Als er een met helium gevulde ballon in huis is, ben je moreel verplicht er zo veel mogelijk mee te spelen.

Vorige week kreeg mijn zoontje zo’n ballon mee als afscheidscadeautje van een ander kind bij de opvang. En daar hebben we inderdaad volop mee gespeeld! :-)

Op weg naar huis mocht de ballon naast de autostoel tegen het plafond drijven. Ik zag hoe de ballon naar de binnenkant van de bocht helde bij elke afslag en glimlachte dankbaar voor deze mooie illustratie van traagheid van de omringende lucht.

Thuis hebben we ons geoefend in het “andersom denken” – bijvoorbeeld dribbelen tegen het plafond in plaats van op de vloer. Daarbij dacht ik aan de luchtbel in een waterpas en gatengeleiding in halfgeleiders, terwijl de peuter op de grond dubbel lag van het lachen. En toen de ballon niet meer genoeg helium bevatte en naar de vloer begon te zinken, heb ik eerst het touwtje verwijderd en daarna zelfs het stukje rubber onder de knoop afgeknipt om er zo lang mogelijk plezier van te hebben.

Daarna zonk de ballon onverbiddellijk en daarmee was de kous af – ware het niet dat ik vorige nacht wakker werd en me deze droomgedachte herinnerde:

“Elektronen zijn normaal een beetje vochtig. Als ze opdrogen, vallen ze uit de lucht.”

Het was weer een geval van nachtelijke beroepsmisvorming. Blijkbaar is er in mijn hoofd iets gaan gisten over het elektronmodel van Lorentz enerzijds (dat in het proefschrift voorkomt dat ik vorige week gelezen heb) en die heliumballon anderzijds. Het resultaat van dit gistingsproces was uiteraard klinkklare onzin. De premisse is fout en zelfs de conclusie is niet logisch: de meeste dingen worden lichter als ze uitdrogen, dus waarom zouden ze dan nog vallen? Dat moet een restant zijn van die vrije oefening in “andersom denken”, besefte ik later.

Onzin kan even leuk zijn om mee te spelen als een ballon gevuld met een niet-recupereerbaar edelgas. Nu kan ik eindelijk een eigen variant bedenken op de onzinnige “verklaringen” die de vader in “Calvin and Hobbes” geeft als antwoord op de wetenschappelijke vragen van zijn zoontje (zie deze verzameling).

Calvin's dad explains science.

De vader van Calvin geeft antwoord op wetenschappelijke vragen. (Auteur: Bill Watterson; via.)

Ik stel het me zo voor: het is een droge winterdag en dan ontspint zich volgend gesprek.

  • “Waarom knispert de vloerbedekking als ik erop loop, mama?”
  • “Omdat de vloerbedekking dan statisch geladen wordt, jongen.”
  • “Waarom wordt de vloerbedekking dan statisch geladen, mama?”
  • “Omdat…”
    *herinnert zich droom*
    “Wel jongen, elektronen zijn normaal een beetje vochtig. Als ze opdrogen, vallen ze uit de lucht.”

Zou een kind daarmee tevreden zijn, denk je? Of gaan ze dan vragen wat elektronen zijn?

Bij nader inzien zal ik me toch maar aan de wetenschappelijke versie houden. Hopelijk zijn er over een paar jaar nog steeds heliumballonnen te koop en kan ik de demonstratie in de auto nog eens overdoen.

Laat die waarom-fase maar komen! :-)

aug 30

Zomercollage

Mijn blogpauze heeft wat langer geduurd dan aanvankelijk de bedoeling was. Eerst was er veel werk, dan twee weken vakantie en dan terug werk om in te halen. Er bleef gewoon geen tijd over om hier verslag te doen van de vele indrukken die ik in deze periode opdeed! Daarom maak ik nog eens een overzichtsblog.

Uiteraard waren en veel mooie momenten en gelukkig heb ik van sommige ook foto’s gemaakt. Nu heb ik enkele van die beelden gegroepeerd in vijf collages (van telkens drie foto’s) en nog één losse foto. Zestien zomerfoto’s dus en ze hebben zelfs een gezamenlijk thema: “met het hoofd in de wolken”.

Cyanometrie.

Blauwe-hemelcollage. Onderaan links en rechts: cyanometrie (blauwheidsmeting) met behulp van verfkeuzestrookjes. Ik deed deze meting op twee dagen waarop ik het het fenomeen van Scheerer duidelijk kon zien. Bovenaan: iets voor zonsondergang zag ik deze roze wolken tegen een blauwe achtergrond.

De lucht is niet altijd even blauw en het was mijn bedoeling erachter te komen bij welk blauw het fenomeen van Scheerer het beste te zien is. Het idee om dit aan de hand van verfkeuzestrookjes te “meten” haalde ik bij een kunstproject: cyanoblog. Als je wil weten in welke kleur je je plafond moet schilderen om echt hemelsblauw te zijn, dan moet je het maar laten weten: ik heb de codes genoteerd! :-)

De lucht was lang niet altijd blauw deze zomer, maar dat geeft niet: wolken en regenbogen zijn ook mooi!

Hemels.

Hemelse collage. Bovenaan links: op deze overbelichte foto lijkt onze lieve bengel een engelachtige gloed uit te stralen. (Ooit ga ik de handleiding van dit fototoestel inkijken.) Bovenaan rechts: donzige wolken tegen valavond. Onderaan: de wolk onder deze (dubbele) regenboog lijkt mij een prima habitat voor een kolonie troetelberen.

Ja, ik kijk al eens graag naar de wolken. :-) Ik zie er geregeld leuke taferelen in (laatste waarneming: olifantenmoeder met jong), maar net zo goed kan ik van de kleurencombinaties of abstracte composities genieten. Als de Cloud Appreciation Society nog niet bestond, zou iemand haar moeten oprichten. En als er nog geen Wolkenatlas was (zie ook hier), zou ik stilaan genoeg fotodocumentatie hebben om er zelf één te beginnen.

Drie.

Gezinscollage. Vader met keu. Moeder met ijsje. Kind met trein. Alle drie in ons element. :-)

Het mooiste aan de midzomervakantie was dat we alle drie samen thuis waren. Er zijn weinig foto’s waar we samen opstaan; ter compensatie heb ik een collage gemaakt van een fijn moment voor elk van ons.

We hadden de dagen niet op voorhand volgepland. Ik had wel een lijstje gemaakt met ideeën, zowel voor leuke als voor nuttige activiteiten. We hebben uiteindelijk meer leuke dan nuttige dingen gedaan en daar heb ik nog geen moment spijt van gehad.

We gingen bijvoorbeeld eens poolen (8-ball), in hetzelfde café waar ik dat als achttienjarige deed. Ik heb nog steeds hetzelfde probleem met openen: de witte bal gaat dan bijna altijd mee in de pocket. :-( Verder is onze toegepaste kennis van de klassieke fysica hiermee weer op een acceptabel peil gebracht. O ja, een foto die Danny daar maakte doet nu dienst als hoofdafbeelding van mijn blog (zie boven).

Schattenjacht.

Schattenjachtcollage (geochaching). Linksboven: wandel-gps in kompasmodus tijdens een puzzelcache. Rechtsboven: waterjuffer. Onderaan: drie klavertjes-vier en twee klavertjes-vijf gevonden. Ik heb er geen geplukt, enkel een foto van gemaakt. Geocoördinaten verkrijgbaar op aanvraag! (Ik zou volgend jaar eens terug willen gaan kijken of er op die plek opnieuw staan.)

Verder trokken Danny en ik er met ons twee op uit om een namiddag te gaan geocachen. Dat was al lang geleden, maar wel iets dat ik vaker wil gaan doen (met ons drie, als ons zoontje wat groter is).

Uitdagingen.

Verrassingscollage. Linksboven: we kochten een tweedehandskast die -verrassing!- net niet via de trap naar boven kon. We lieten een liftwagen aanrukken: zeer intrigerend voor de peuter! Linksonder: na tien jaar ben ik erachter gekomen dat -verrassing!- mijn auto toch een reservelampje heeft. Hoeveel tankbeurten had ik kunnen uitsparen in een decennium? Rechts: tijdens het spel willen de zeshoekige steentjes van Tantrix niet altijd meewerken, daarom leggen we na afloop dit soort figuren. En wat het precies wordt is voor ons ook steeds een verrassing.

Soms gebeurden er ook echt onverwachte dingen. Dat is niet altijd positief, maar kleine oneffenheden zijn vaak wel in positieve zin om te buigen.

Er gebeurden natuurlijk nog heel wat andere dingen waar geen foto’s van zijn – werkgerelateerde dingen vooral (behalve natuurlijk de togaselfie). Het lief zei “ja” op een uitnodiging om begin volgend jaar te gaan spreken in Florida. Ik zei dan weer “nee” op een uitnodiging om te gaan spreken in New York. Ik zei trouwens “nee” op wel meer dingen. (Hoewel me dit telkens moeite kostte, heb ik nog van geen enkele nee spijt.)

Bijzon.

Bijzonder: geen collage. In het echt was het duidelijker, maar ik wou deze foto van twee bijzonnen er toch graag bij hebben. Het gaat om de twee regenboogkleurige vlekjes op dezelfde hoogte als de zon en op gelijke afstanden er links en rechts vandaan.

Zo, verslag doen van anderhalve maand in één blogbericht – dat is dus mogelijk. :-)

aug 27

Togaselfie

Vandaag was ik lid van de jury bij een doctoraatsverdediging aan de Universiteit Utrecht. Dit is een verslagje over zowel de inhoud (het proefschrift) als de vorm (de toga).

***

Inhoud: onderbepaaldheid van wetenschappelijke theorieën

Pablo Acuña Luongo schreef een scriptie over onderbepaaldheid van theoriekeuze in de wetenschappen en dit aan de hand van twee gevalstudies uit de fysica. Zijn promotor was professor Dennis Dieks (aankondiging1 & 2).

De eerste gevalstudie behandelt de ethertheorie van Hendrik Lorentz (en Henri Poincaré) versus de speciale relativiteitstheorie van Albert Einstein (en Hermann Minkowski). In dit geval zijn wetenschappers tot de duidelijke consensus gekomen dat Einsteins theorie de voorkeur geniet. Deze voorkeur is ondermeer te begrijpen doordat de ethertheorie van Lorentz minder goed samenhangt met andere (latere) theorieën dan die van Einstein (waaronder Einsteins eigen algemene relativiteitstheorie).

Deze casus was ook het onderwerp van Acuña Luongo’s masterscriptie (die online staat), waarmee hij in het academiejaar 2012-2013 een prijs won (zie ook hier). Hij gaf toen dit interview over zijn werk, dat meteen een goede samenvatting geeft.

Lorentz versus Einstein.

Lorentz versus Einstein. (Bron afbeelding: DUB.)

De tweede gevalstudie behandelt de standaard kwantumtheorie (in de formulering van John von Neumann en Paul Dirac) versus de Bohmse mechanica. De mechanica van David Bohm is een verborgen-variabelen theorie die deterministisch is (weliswaar ten koste van niet-lokale effecten). Over de keuze tussen deze theorieën is er nog steeds geen consensus onder natuurkundigen. Beide kampen hebben fervente voor- en tegenstanders. Mijn thesisbegeleider van destijds verkoos bijvoorbeeld de Bohmse theorie (zoals ik eerder vermeldde). De Bohmianen zijn in de minderheid, maar de standaardtheorie geeft aanleiding tot heel wat verschillende interpretaties (waaronder de veel-wereldeninterpretatie), waardoor hun kamp intern sterk verdeeld is.

***

Vorm: onderbepaaldheid van togareglementen

Voor deze gelegenheid mocht ik een toga aan. Of dat terecht was, is nog maar de vraag:

  • In Vlaanderen wordt de titel ‘professor‘ toegekend vanaf het moment dat iemand tot het zelfstandig academisch personeel behoort. De graad (docent, hoofddocent, hoogleraar, gewoon hoogleraar) speelt daarbij geen rol.
  • In Nederland wordt de titel ‘professor’ enkel toegekend aan iemand die de graad van hoogleraar heeft. Nederlandse universitairen die docent of hoofddocent zijn, gelden er niet als professor en zij dragen bij promoties ook geen toga.

Vanaf oktober ben ik onderzoeksprofessor in Leuven in de graad van docent. Het was me dus niet duidelijk of ik dan wel of niet een toga mocht dragen: moet je professor zijn of hoogleraar om een toga te dragen? Aangezien dit in Nederland synoniemen zijn, maar in Vlaanderen niet, is dit niet zo duidelijk.

Zelf zou ik op hoogleraar gokken, maar de thesispromotor besloot dat ze mij – en ik citeer – “bij deze gelegenheid best al in een toga kunnen hijsen”. En aangezien hij hoogleraar is en ik niet, heb ik maar braafjes geluisterd. Hoe zou je zelf zijn? ;-)

Ik heb de toga-situatie aan de KU Leuven nu eens opgezocht: de “professorale toga” wordt er gedragen vanaf de graad van hoofddocent – dus niet door alle professoren, maar de grens ligt evenmin bij de graad van hoogleraar. Extra verwarrend voor Vlaamse hoofddocenten in Nederlandse jury’s, maar in mijn geval suggereert het dat ik vandaag geen toga had mogen dragen. Anderzijds mag ik in Leuven wél een toga dragen, denk ik, namelijk de “doctorale toga”.

Kortom, of ik in Utrecht nu al dan niet terecht een toga heb gekregen, is mij nog steeds niet duidelijk. Om deze puzzel op te kunnen lossen zijn twee doctoraten blijkbaar niet genoeg. ;-)

Aangezien ik zelf geen toga in de kast heb hangen, werd het een Utrechtse leentoga.

Leentoga.

Leentoga.

Het thuisfront had om bewijzen gevraagd, maar er was geen fotograaf aanwezig bij de verdediging. (Dat gebeurt soms wel.) In de vergaderzaal hing er een spiegel naast de kast met baretten, dus maakte ik daar snel een togaselfie.

Togaselfie.

Togaselfie.

Bevindingen: lekker warm, zo’n toga. Daar kan ik wel aan wennen, geloof ik.

Opmerkelijk: de baret moet af tijdens het zitten, behalve voor vrouwen – die mogen zelf kiezen of ze de baret ophouden of niet als ze gaan zitten.

Voornemen: volgende keer niet huppelen, maar waardig schrijden. Dus niet denken “Joepie, ik heb een toga aan”, maar zwaarwichtige dingen denken, die ook de tred wat bezwaren.

Hm, zou “ingetogen” etymologisch verwant zijn aan “toga”, denk je?

jul 14

Blogpauze

Snoopy.Deze week moet ik een tekst afwerken. (Het is een hoofdstuk voor een handboek over formele epistemologie en ik moet enkel dit ene hoofdstuk schrijven, niet het hele boek.) Ik heb dit al te lang voor me uitgeschoven, maar als ik nu even doorbijt kan ik daarna misschien twee weken vakantie nemen, zoals ik me had voorgenomen.

Daarom ga ik mijn blog even op pauze zetten.

Tot aan de andere kant van dit hoofdstuk!

jul 09

Robot bij zonsondergang

Flaming June.Onlangs stond het schilderij “Flaming June” van Lord Leighton (uit 1895) op het blog Aestics for Birds. Het was niet de eerste keer dat ik (een afbeelding van) dit schilderij zag, maar wel de eerste keer dat mij de gelijkenis opviel met de afbeelding van een slapende robot op de omslag van “Robot Dreams” (vertaald als “Een robot droomt”) van Isaac Asimov.

Helaas had ik het boek in kwestie op dat moment niet bij de hand. Gelukkig is er dan het internet om meer te weten te komen over deze gelijkvormigheid.

Zo kwam ik te weten dat de coverafbeelding gemaakt werd door Ralph McQuarrie, die trouwens ook voor de overige illustraties in het boek zorgde. McQuarrie is inmiddels overleden, maar zijn werk voor sciencefictionfilms (“Star Wars” en “E.T.“) en -series (“Battlestar Galactica“) is nog lang niet vergeten. En ja, de illustratie op de kaft van “Robot Dreams” maakte hij als eerbetoon aan “Flaming June“.

Er is nog minstens één ander werk van McQuarrie dat een ode brengt aan een ouder schilderij: de illustratie die gebruikt werd voor de omslag van een andere bundel van Asimov, “Robot Visions“, is geïnspireerd op “Morning” van Maxfield Parrish (uit 1922) (vergelijking).

Intussen heb ik wel een foto kunnen maken van mijn exemplaar van “Een robot droomt” (Fig. 1).

Een robot droomt.

Figuur 1: “Een robot droomt” is het eerste boek van Isaac Asimov dat ik ooit las; na deze bundel met robotverhalen las ik zijn hele Foundations-reeks. Ik ontleende oorspronkelijk het exemplaar uit de bibliotheek, maar later kocht ik deze bundel alsnog, niet in het minst omwille van de illustraties.

Aanvankelijk had ik twee hypotheses over slapende robot van McQuarrie, die ik intussen zelf betwijfel (zoals ik zal uitleggen in de slotparagraaf).

Balk-hypothese

Op het schilderij “Flaming June” staat er bovenaan een balk (of is het een zonnescherm of een baldakijn?) die parallel is met de horizon. Op sommige uitgaven van “Een robot droomt” is een gelijkaardig effect bereikt door de titeltekst tot laag boven de horizon uit te vullen (zoals bij de vertaalde uitgave die ik heb en ook dit voorbeeld van de onvertaalde bundel). Er zijn ook andere uitgaven, waarbij de tekst kleiner en hoger geplaatst is, waardoor de analogie met “Flaming June” helaas verloren gaat (voorbeeld). Mijn balk-hypothese was dat de belettering tot net boven de robot hoort te komen en dat uitgaven waarbij dit niet zo is slordige herdrukken zijn.

Vierkant-hypothese

Het schilderij “Flaming June” is vierkant en in eerste instantie vermoedde ik dat McQuarries ontwerp ook vierkant was. Mijn vierkant-hypothese was gebaseerd op twee observaties:

  • De meeste boeken zijn natuurlijk hoger dan breed, maar uit de inleiding van Isaac Asimov (zie Fig. 2) leidde ik af dat het schilderij bestond voor (minstens één verhaal voor) het boek er was; er was dus geen dwingende reden voor McQuarrie om af te wijken van de verhoudingen van zijn inspiratiebron.
  • Op “Flaming June” blijft de zon verscholen achter de balk. Of er wel of geen zon zichtbaar is op de boekomslag (en hoe groot en hoe hoog die dan staat) hangt echter van de uitgave af. Doordat de bovenkant van de afbeelding blijkbaar vrij kan worden ingevuld door de uitgever, vermoedde ik dat dit niet op het schilderij stond.
Flaming June en Robot Dreams.

Figuur 2: In de laatste paragraaf uit de inleiding van “Een robot droomt” heeft Isaac Asimov het over de illustraties van Ralph McQuarrie.

Natuurlijk ben ik niet de eerste die het voorbeeld en de ode naast elkaar heeft gezet (zie bijvoorbeeld hier en hier), maar ik hield eraan om beide schilderijen als vierkant weer te geven. Ik hoopte dat het me zou lukken om zowel onder- en bovenkant van de sofa/het marmer als de horizon uit te lijnen, maar zo letterlijk is de “kopie” niet, dus dat is onhaalbaar gebleken (Fig. 3).

Flaming June naast Robot Dreams.

Figuur 3: “Flaming June” (bron afbeelding links) naast “Robot Dreams” (bron afbeelding rechts).

Inmiddels ben ik sterk gaan twijfelen aan mijn eigen hypotheses. Alex Jay was de typograaf die instond voor de originele uitgave van “Robot Dreams“. Uit zijn webpagina blijkt enerzijds dat de eerste schets alvast geen perfect vierkant was en anderzijds dat McQuarrie dit werk wél specifiek als boekcover maakte (en zelfs dat de verwijzing naar Leighton niet noodzakelijk zijn idee was). Verder blijkt uit dezelfde bron dat de belettering op de originele uitgave niet zo laag kwam als de balk in “Flaming June“.

Moraal van het verhaal: veel nadenken op basis van weinig informatie brengt ons niet noodzakelijk dichter bij de waarheid – maar leuk is het wel. ;-)

jul 03

Twee postdocs en een peuter

Wij gaan extra vrolijk de zomer in, want mijn liefste en ik krijgen ook de komende jaren nog betaald voor wat we het liefste doen: onderzoek! :-)

Vlaggetjes.

ZAP!De meeste postdocs willen maar één ding: postdoc blijven, of – als het even kan – een ZAP-positie bemachtigen. In het Vlaamse Academees spreekt men namelijk van het “zelfstandig academisch personeel”; het ZAP is dus het proffenkorps. Postdocs hebben een tijdelijk contract van één, twee of drie jaar. Zodra je een nieuwe baan hebt, begint de teller meteen vervaarlijk weg te tikken. Stilstaan is geen optie: hup, begin al maar opnieuw te solliciteren.

In januari had ik het op mijn blog drie keer over het onzekere bestaan van postdocs:

  • Op 23/01 vermeldde ik in mijn jaarverslag dat ik in 2013 voor het eerst luidop had durven zeggen dat ik professor wil worden, dat ik in deze richting gesolliciteerd had en dat de uitslag nog niet bekend was.
  • Op 30/01 zat het me blijkbaar hoog, want toen schreef ik een heuse klaagzang. (De aanleiding hiervoor licht ik onderaan verder toe, na de vouw.)
  • Op 31/01 droeg ik een liedje op aan mijn collega’s die solliciteerden bij het FWO. De inspiratie voor dit bericht haalde ik dicht bij huis, want ook Danny diende een aanvraag in voor een driejarig postdoc-project.

Het mag duidelijk zijn: met twee postdocs in een gezin weegt de onzekerheid dubbel. En met een peuter erbij deelt er nog iemand in de klappen als onze carrière van de rails loopt.

De tijd loopt.Mijn huidige postdocbeurs loopt nog tot begin 2016, maar diverse mensen hadden me aangeraden om al te beginnen solliciteren voor een tenure-track-positie. Dat is een aanstelling aan de universiteit van vier à zes jaar, waarna je bij een positieve evaluatie vast wordt aangesteld. Eind vorig jaar heb ik dus gesolliciteerd voor dergelijke posities aan de KU Leuven, in Salzburg en in New York. De sollicitatieprocedures zijn niet helemaal hetzelfde, maar allemaal verlopen ze in verschillende rondes. Je bent er dus een paar maand zoet mee: CV aanvullen, een proefles houden, een korte onderzoekspresentatie geven, interviews voorbereiden. Ik wil er niet bij nadenken hoeveel tijd postdocs collectief besteden aan solliciteren. Efficiënt kan het niet zijn, want in die tijd hadden ze ook onderzoek kunnen doen. En de slapeloze nachten dragen ook niet bepaald bij aan de productiviteit.

Voor Danny kwam het einde van zijn contract wel al in zicht. Hij diende een projectvoorstel in bij het FWO waarmee hij een driejarig mandaat als postdoc wilde behalen. Hij had geen andere sollicitaties lopen, dus voor hem was deze aanvraag alles of niets. (Dat zou ik zelf niet gedurfd hebben, al is er ook iets voor te zeggen om al je energie op één aanvraag te richten en dat projectvoorstel zo goed mogelijk uit te bouwen.)

Begin februari zaten we hier dus met twee nagelbijtende postdocs en één nietsvermoedende peuter.

Voor mij werd de spanning nog wat extra opgedreven, want op 11 februari zou ik ‘s avonds de uitslag horen van mijn sollicitatie bij de KU Leuven, maar diezelfde ochtend had ik nog een interview voor Salzburg. (Als het een fictief verhaal was geweest, had ik dit het meest ongeloofwaardige deel gevonden.) Bovendien besliste de commissie in Salzburg zeer snel, zodat ik ‘s avonds ineens twee aanbiedingen op zak had. Ik koos voor de positie in Leuven, waar ik in oktober zal beginnen als “onderzoeksprofessor”. Wat een opluchting!

En ik deed een vreugdedansje met de peuter, die niet goed wist wat hem overkwam. :-)

Toch voelde het niet echt juist aan om het goede nieuws al aan de grote klok te hangen, zo lang er voor Danny nog geen zekerheid was. Het FWO zou de uitslag vorige week woensdag om 15u bekend maken. De website bezweek echter onder het grote aantal bezoekers. De spanning werd dus extra opgedreven, maar rond half vijf werden de namenlijsten dan toch online geplaatst. En ja, Danny mag in oktober aan zijn nieuwe postdoc-project beginnen (opnieuw aan de UGent). Alweer zo’n pak van ons hart!

Nu mogen de vlaggetjes eindelijk ophangen. Eronder zitten twee tevreden postdocs en een peuter die met de blokken speelt.

Vlaggetjes.

Eindelijk mogen de vlaggetjes vrolijk wapperen.

Lees verder »

jul 01

Stralend blauwe hemel

Dit stukje is in licht gewijzigde vorm als een column verschenen in Eos.
(Jaargang 31, nummer 7/8.)

Stralend blauwe hemel.Als je deze zomer op een terras zit, doe dan eens die zonnebril af en kijk naar een punt in de blauwe lucht. Richt je aandacht op wat je rond dit punt ziet. Na een tijdje merk je waarschijnlijk heldere puntjes op, die even oplichten en weer verdwijnen. Net vuurvliegjes, maar dan overdag. Dat is het fenomeen van Scheerer.

Sommige mensen zien de stipjes spontaan. In het liedje “I see you” uit 1992 vraagt Juliana Hatfield zich af wat ze in haar ooghoek ziet wegschieten als ze naar de hemel kijkt. In het Engels heten de stipjes ‘sprites’, wat suggereert dat het een spiritueel verschijnsel is. Wetenschappers hebben echter aangetoond dat het hier om een entoptisch verschijnsel gaat: daarbij zie je iets dat zich in je eigen oog bevindt. Daarom worden de stipjes ook wel het entoptisch fenomeen van het blauwe veld genoemd. Als je corrigerende brilglazen of lenzen hebt, zul je merken dat je de stipjes even duidelijk ziet met of zonder deze hulpmiddelen.

Het gaat hier niet om de donkere, draadachtige vormen, die je vast wel eens gezien hebt als je naar een egaal oppervlak kijkt. Deze glasvochttroebelingen worden in het Engels ‘floaters’ genoemd, omdat ze traag met je oogbewegingen meedrijven. Net als de stipjes zijn ook floaters een entoptisch fenomeen: het gaat om eiwitten en cellen die zich in de geleiachtige massa van je oogbol bevinden. In feite zijn het kleine onzuiverheden, maar doordat ze zich pal voor je netvlies bevinden nemen ze toch een groot deel van je blikveld in. Je ziet de zwevers nog duidelijker als je op je rug in het gras gaat liggen en zo naar de lucht kijkt: niet omdat ze beter zichtbaar zouden zijn tegen een blauwe hemel, maar simpelweg omdat de structuren dan naar je netvlies zakken.

Wat zijn nu die heldere stipjes die je tegen een blauwe achtergrond ziet? Dat zijn witte bloedlichaampjes op je eigen netvlies! Als je één witte bloedcel op een schaaltje voor je neus zou krijgen, zou je die cel niet kunnen zien liggen, want de diameter ervan is zo’n tien micrometer (ongeveer tien keer kleiner dan de breedte van een haar). Maar in ons oog kunnen we deze cellen wel zien, omdat ze groter zijn dan de lichtgevoelige kegeltjes waar ze zich vlakbij bevinden.

Vóór de lichtgevoelige cellen van ons oog lopen er bloedvaten, die een schaduwpatroon op het netvlies veroorzaken. We zijn ons hier meestal niet van bewust, omdat onze ogen en hersenen dit patroon wegfilteren. (Hetzelfde geldt voor onze blinde vlek, die ook pal in ons gezichtveld zit.) De haarvaten op ons netvlies zijn grotendeels gevuld met rode bloedcellen, die vooral blauw licht absorberen. De witte bloedcellen zijn minder talrijk en grotendeels transparant voor blauw licht. Wanneer er een witte bloedcel door een haarvat passeert, valt daar tijdelijk minder schaduw op het netvlies. De achterliggende cellen, die aan de schaduw aangepast waren, worden dan tijdelijk overbelicht. Dit zorgt ervoor dat we de witte bloedcellen zien als helder oplichtende puntjes.

Ik zie, ik zie wat jij niet ziet.Om de stipjes te leren zien, kan het helpen om eerst je hartslag op te jagen, bijvoorbeeld door een stukje te rennen: zo neemt het geflits van de stipjes toe. Als het je dan nog niet lukt om de puntjes te zien, kan je eens naar een wetenschapsmuseum gaan. De opstelling is eenvoudig: een buisje om in te kijken, met achteraan een witte lamp en vooraan een blauwe smalbandfilter. Die filter laat precies dat deel van het spectrum door (rond 430 nanometer) waarbij het contrast tussen de rode en de witte bloedcellen optimaal is. Als het je één keer gelukt is om de krioelende puntjes te zien, lukt het je daarna vast ook in minder ideale omstandigheden.

Zelf zag ik het fenomeen van Scheerer voor het eerst tijdens een bezoek aan het Exploratorium in San Francisco, één van de leukste wetenschapsmusea ter wereld. Er staat ook een opstelling dichter bij huis: in het Palais de la Découverte in Parijs. In het Illuseum in Gent zijn er plannen voor een opstelling. In elk geval kan je daar advies vragen om de stipjes te zien en kan je er je eigen ogen op nog heel wat andere manieren bedotten.

Fenomeen van Scheerer.

Simulatie van het fenomeen van Scheerer of het entopisch fenomeen van het blauwe veld. (Bron afbeelding.)

Aanvullende links:

Wetenschapsmusea die mogelijk een opstelling hebben over het fenomeen van Scheerer:

  • Het Exploratorium in San Francisco (VS, Californië): wij waren er in 2009 en de opstelling staat nog steeds op de website. (In 2009 stond er nog op de website dat je met deze opstelling de rode bloedcellen kunt zien, maar deze fout is gelukkig rechtgezet.)
  • Het Palais de la Découverte in Parijs (Frankrijk): wij waren er in 2011, maar de opstelling wordt niet expliciet vermeld op de website en ik heb van de persdienst geen reactie gekregen op mijn vraag of die er nog steeds staat. :-( (In 2011 stond ook hier vermeld dat het de rode bloedcellen zouden zijn; vermoedelijk hebben ze het concept van de opstelling overgenomen van het Exploratorium.)
  • Het Technorama in Winterthur (Zwitserland): zelf ben ik er nooit geweest, maar de opstelling staat vermeld op de website. (Ook hier weer dezelfde fout: “a view of the pulsing red blood cells on your own retina”.)
  • Het Experimentarium in Kopenhagen (Denemarken): hoewel ik al in Kopenhagen ben geweest, heb ik het museum helaas nog niet bezocht. Volgens deze website was er wel een opstelling voor het fenomeen van Scheerer. Ik schrijf ‘was’ want de informatie is acht jaar oud en op dit moment is het museum tijdelijk verhuisd. Het is dus onduidelijk of de opstelling er nog staat.
  • Het Illuseum in Gent (België): wij waren er enkele jaren geleden (wanneer weet ik niet meer exact). Zij hebben vooralsnog geen opstelling over dit fenomeen, maar ze reageerden meteen enthousiast op mijn vraag. Misschien knutselen ze iets in elkaar. :-) In elk geval kun je daar terecht voor heel veel optische illusies en ze geven graag een woordje uitleg.

Voeren je vakantieplannen je in de richting van één van deze musea, laat me dan eens weten of de demonstratie er al dan niet staat. De naam van de opstelling is waarschijnlijk (een vertaling van) “Corpusculen in het menselijk oog”.

jun 20

Tiktak

Rupsje Nooitgenoeg.Zoals beloofd: een update over de woordjes van onze peuter (van 20 maanden).

Mijn zoontje zit in bad en hij kijkt in een badboekje van “Rupsje Nooitgenoeg” (een moderne klassieker onder de kinderboeken). Eerst eet de rups van één appel, dan twee peren, drie pruimen, vier aardbeien en vijf sinaasappels. Ik wijs alles aan en tel hardop.

Daarna eet de rups van tien verschillende soorten etenswaren. Nu wijs ik dingen aan en vraag aan mijn zoontje wat het is. Het ijsje herkent hij meteen: “ijs!” Maar in zijn ogen is het cupcakeje ook “ijs”. “Kaas” herkent hij ook, maar de worst en de augurk noemt hij “maan”. Daardoor zie ik dat de getekende, gebogen vormen inderdaad lijken op de pluchen halve maan die op zijn kamer hangt. De lolly kent hij niet, maar hij vindt het een grappig woord dat hij meteen probeert na te zeggen. :-)

Barometer.Ik vind het heerlijk dat hij al zo veel woorden kan uitspreken. Hierdoor krijgen we enig zicht op hoe hij de wereld ziet: vaak is dat anders dan wij, zoals al blijkt uit het maan-voorval. Tweede voorbeeld: de klok noemt hij “tiktak”, maar ook de barometer, de keukweegschaal en de voetpomp noemt hij zo. (Die laatste drie tikken niet, maar ze hebben wél een wijzerplaat.) Derde voorbeeld: honden zijn voorlopig nog “woewoe”, tenzij ze te klein zijn (en dus niet groter dan een kat), dan noemt ons peutertje ze onverbiddelijk “miauw”.

Hij herkent en benoemt merels, kraaien en duiven. Andere vogels zijn gewoon “pieppiep”. (Hij kan ook een pauw nadoen, maar dat is een ander verhaal.) Kleine insecten en spinnetjes noemt hij “mieren”, wat in onze tuin toch in ongeveer een derde van de gevallen juist is.

Zijn woordenschat lijkt deze weken explosief toe te nemen. Zo kan hij ook steeds beter laten merken wat hij wil. Bijvoorbeeld: “pet op” of “drinken”. Vaak beeldt hij dat dan ook nog eens uit, voor het geval we hem toch niet begrepen zouden hebben. Naast “pakken” zegt hij nu ook “dragen” en “paardje” (op de rug dragen en bij voorkeur ook een paard nadoen, maar dat is facultatief).

Naast het uitbeelden gaat ook zijn intonatie erop vooruit. Hij kan ja zeggen op minstens vier manieren, met de volgende subtekst: een dromerige ik-ben-niet-aan-het-luisteren-maar-doe-maar, een kort zakelijk oké, een langgerekte eindelijk, of een uitgelaten joepie (deze “ja” wordt meestal gevolgd door “buitêh!”). Uiteraard kan hij ook nee zeggen op minstens even veel manieren: ongeïntresseerd, uit gewoonte, onverzettelijk, of boos.

“Ik” of zijn naam is er nog niet bij: als hij een foto van zichzelf ziet, zegt hij hooguit “kindje”. (Als hij zichzelf in de spiegel ziet, lacht hij of wijst hij naar zijn buik, dus hij herkent zichzelf wel, denk ik.) Een enkele keer zegt hij “mij”, waarmee hij “van mij” of “mijn” bedoelt; ja, we bereiden ons erop voor dat we dit in de nabije toekomst veel vaker zullen horen. ;-)

Papegaai.Het liedje “Papegaai is ziek” is in de versie van mijn zoontje heel wat korter:

Pappi. Ie-aa. Boem!

Dat vat het goed samen. Maar als ik een liedje voor hem zing, kom ik er niet zo snel vanaf, want tijdens de laatste regel zegt hij al “nog”. Drie maal is scheepsrecht bij onze peuter.

Aanvulling (3 juli 2014):

Het weekend nadat dit bericht online kwam, maakten we een voorzichtige schatting waarbij we op een honderdtal woordjes uitkwamen. (Dit naar aanleiding van het tijdschrift “Brieven aan jonge ouders” van De Gezinsbond, waarin stond dat een ‘typisch’ kind van 21 maanden vier woordjes gebruikt.) Er zaten woorden bij die hij het weekend voordien nog niet gebruikte. En intussen zijn er nog heel wat bij gekomen.

Hij begint ook naar zichzelf te verwijzen: “jij” zegt hij dan. Filosofisch gezien een interessante situatie. Gelukkig volgt de taalontwikkeling geen strikt logische wetten, want anders stonden we hier aan de rand van een paradox. (Zijn eigen naam herhalen weigert hij nog steeds.)

jun 18

Logica vs belastingen: 0 – 1

Belastingsbrief.Getallen en rekenwerk, daar weten wij doorgaans wel raad mee. Op de jaaropgaven en fiscale attesten wemelt het van de kommagetallen. Meteen is daar het gevoel: “dit zouden wij moeten kunnen”, maar desondanks raadplegen we hiervoor nederig een specialist.

Ja, ooit was ik in staat mijn eigen belastingsbrief in te vullen. Moeilijk was het toen ook niet: gewoon een kwestie van de codes over te nemen die op de jaaropgaaf vermeld stonden. Het jaar dat Danny en ik gingen samenwonen, had hij nog (deels) Nederlandse inkomsten aan te geven. Daarna was ik het die mijn Nederlandse loon aan de Belgische belastingsdienst moest aangeven. Aangezien de regels hiervoor al eens veranderen, gaan we de laatste jaren naar een winkelcentrum waar belastingsbeamten helpen met het invullen van de aangifte.

Dit jaar kregen we hulp van een zeer vriendelijke fiscalist, die rustig al onze papieren bekeek en voor elk getal een passende rubriek vond, of voorstelde om iets niet aan te geven. Is dat dan een optie? Ja hoor, zo gaf de specialist ons glimlachend mee, want:

“Fiscaliteit is geen exacte wetenschap.”

Oei, dat geeft me niet veel moed om er de komende jaren zelf weer aan te beginnen! Hij zei nog iets dat is blijven hangen:

“De logica eindigt waar de fiscaliteit begint.”

Geen wonder dus dat wij, gewone stervelingen, machteloos staan als de bruine envelop in onze brievenbus valt.

Gelukkig geldt net als bij de wereldbeker voetbal: mathematisch is alles nog mogelijk! :-)

Oudere berichten «