jul 14

Blogpauze

Snoopy.Deze week moet ik een tekst afwerken. (Het is een hoofdstuk voor een handboek over formele epistemologie en ik moet enkel dit ene hoofdstuk schrijven, niet het hele boek.) Ik heb dit al te lang voor me uitgeschoven, maar als ik nu even doorbijt kan ik daarna misschien twee weken vakantie nemen, zoals ik me had voorgenomen.

Daarom ga ik mijn blog even op pauze zetten.

Tot aan de andere kant van dit hoofdstuk!

jul 09

Robot bij zonsondergang

Flaming June.Onlangs stond het schilderij “Flaming June” van Lord Leighton (uit 1895) op het blog Aestics for Birds. Het was niet de eerste keer dat ik (een afbeelding van) dit schilderij zag, maar wel de eerste keer dat mij de gelijkenis opviel met de afbeelding van een slapende robot op de omslag van “Robot Dreams” (vertaald als “Een robot droomt”) van Isaac Asimov.

Helaas had ik het boek in kwestie op dat moment niet bij de hand. Gelukkig is er dan het internet om meer te weten te komen over deze gelijkvormigheid.

Zo kwam ik te weten dat de coverafbeelding gemaakt werd door Ralph McQuarrie, die trouwens ook voor de overige illustraties in het boek zorgde. McQuarrie is inmiddels overleden, maar zijn werk voor sciencefictionfilms (“Star Wars” en “E.T.“) en -series (“Battlestar Galactica“) is nog lang niet vergeten. En ja, de illustratie op de kaft van “Robot Dreams” maakte hij als eerbetoon aan “Flaming June“.

Er is nog minstens één ander werk van McQuarrie dat een ode brengt aan een ouder schilderij: de illustratie die gebruikt werd voor de omslag van een andere bundel van Asimov, “Robot Visions“, is geïnspireerd op “Morning” van Maxfield Parrish (uit 1922) (vergelijking).

Intussen heb ik wel een foto kunnen maken van mijn exemplaar van “Een robot droomt” (Fig. 1).

Een robot droomt.

Figuur 1: “Een robot droomt” is het eerste boek van Isaac Asimov dat ik ooit las; na deze bundel met robotverhalen las ik zijn hele Foundations-reeks. Ik ontleende oorspronkelijk het exemplaar uit de bibliotheek, maar later kocht ik deze bundel alsnog, niet in het minst omwille van de illustraties.

Aanvankelijk had ik twee hypotheses over slapende robot van McQuarrie, die ik intussen zelf betwijfel (zoals ik zal uitleggen in de slotparagraaf).

Balk-hypothese

Op het schilderij “Flaming June” staat er bovenaan een balk (of is het een zonnescherm of een baldakijn?) die parallel is met de horizon. Op sommige uitgaven van “Een robot droomt” is een gelijkaardig effect bereikt door de titeltekst tot laag boven de horizon uit te vullen (zoals bij de vertaalde uitgave die ik heb en ook dit voorbeeld van de onvertaalde bundel). Er zijn ook andere uitgaven, waarbij de tekst kleiner en hoger geplaatst is, waardoor de analogie met “Flaming June” helaas verloren gaat (voorbeeld). Mijn balk-hypothese was dat de belettering tot net boven de robot hoort te komen en dat uitgaven waarbij dit niet zo is slordige herdrukken zijn.

Vierkant-hypothese

Het schilderij “Flaming June” is vierkant en in eerste instantie vermoedde ik dat McQuarries ontwerp ook vierkant was. Mijn vierkant-hypothese was gebaseerd op twee observaties:

  • De meeste boeken zijn natuurlijk hoger dan breed, maar uit de inleiding van Isaac Asimov (zie Fig. 2) leidde ik af dat het schilderij bestond voor (minstens één verhaal voor) het boek er was; er was dus geen dwingende reden voor McQuarrie om af te wijken van de verhoudingen van zijn inspiratiebron.
  • Op “Flaming June” blijft de zon verscholen achter de balk. Of er wel of geen zon zichtbaar is op de boekomslag (en hoe groot en hoe hoog die dan staat) hangt echter van de uitgave af. Doordat de bovenkant van de afbeelding blijkbaar vrij kan worden ingevuld door de uitgever, vermoedde ik dat dit niet op het schilderij stond.
Flaming June en Robot Dreams.

Figuur 2: In de laatste paragraaf uit de inleiding van “Een robot droomt” heeft Isaac Asimov het over de illustraties van Ralph McQuarrie.

Natuurlijk ben ik niet de eerste die het voorbeeld en de ode naast elkaar heeft gezet (zie bijvoorbeeld hier en hier), maar ik hield eraan om beide schilderijen als vierkant weer te geven. Ik hoopte dat het me zou lukken om zowel onder- en bovenkant van de sofa/het marmer als de horizon uit te lijnen, maar zo letterlijk is de “kopie” niet, dus dat is onhaalbaar gebleken (Fig. 3).

Flaming June naast Robot Dreams.

Figuur 3: “Flaming June” (bron afbeelding links) naast “Robot Dreams” (bron afbeelding rechts).

Inmiddels ben ik sterk gaan twijfelen aan mijn eigen hypotheses. Alex Jay was de typograaf die instond voor de originele uitgave van “Robot Dreams“. Uit zijn webpagina blijkt enerzijds dat de eerste schets alvast geen perfect vierkant was en anderzijds dat McQuarrie dit werk wél specifiek als boekcover maakte (en zelfs dat de verwijzing naar Leighton niet noodzakelijk zijn idee was). Verder blijkt uit dezelfde bron dat de belettering op de originele uitgave niet zo laag kwam als de balk in “Flaming June“.

Moraal van het verhaal: veel nadenken op basis van weinig informatie brengt ons niet noodzakelijk dichter bij de waarheid – maar leuk is het wel. ;-)

jul 03

Twee postdocs en een peuter

Wij gaan extra vrolijk de zomer in, want mijn liefste en ik krijgen ook de komende jaren nog betaald voor wat we het liefste doen: onderzoek! :-)

Vlaggetjes.

ZAP!De meeste postdocs willen maar één ding: postdoc blijven, of – als het even kan – een ZAP-positie bemachtigen. In het Vlaamse Academees spreekt men namelijk van het “zelfstandig academisch personeel”; het ZAP is dus het proffenkorps. Postdocs hebben een tijdelijk contract van één, twee of drie jaar. Zodra je een nieuwe baan hebt, begint de teller meteen vervaarlijk weg te tikken. Stilstaan is geen optie: hup, begin al maar opnieuw te solliciteren.

In januari had ik het op mijn blog drie keer over het onzekere bestaan van postdocs:

  • Op 23/01 vermeldde ik in mijn jaarverslag dat ik in 2013 voor het eerst luidop had durven zeggen dat ik professor wil worden, dat ik in deze richting gesolliciteerd had en dat de uitslag nog niet bekend was.
  • Op 30/01 zat het me blijkbaar hoog, want toen schreef ik een heuse klaagzang. (De aanleiding hiervoor licht ik onderaan verder toe, na de vouw.)
  • Op 31/01 droeg ik een liedje op aan mijn collega’s die solliciteerden bij het FWO. De inspiratie voor dit bericht haalde ik dicht bij huis, want ook Danny diende een aanvraag in voor een driejarig postdoc-project.

Het mag duidelijk zijn: met twee postdocs in een gezin weegt de onzekerheid dubbel. En met een peuter erbij deelt er nog iemand in de klappen als onze carrière van de rails loopt.

De tijd loopt.Mijn huidige postdocbeurs loopt nog tot begin 2016, maar diverse mensen hadden me aangeraden om al te beginnen solliciteren voor een tenure-track-positie. Dat is een aanstelling aan de universiteit van vier à zes jaar, waarna je bij een positieve evaluatie vast wordt aangesteld. Eind vorig jaar heb ik dus gesolliciteerd voor dergelijke posities aan de KU Leuven, in Salzburg en in New York. De sollicitatieprocedures zijn niet helemaal hetzelfde, maar allemaal verlopen ze in verschillende rondes. Je bent er dus een paar maand zoet mee: CV aanvullen, een proefles houden, een korte onderzoekspresentatie geven, interviews voorbereiden. Ik wil er niet bij nadenken hoeveel tijd postdocs collectief besteden aan solliciteren. Efficiënt kan het niet zijn, want in die tijd hadden ze ook onderzoek kunnen doen. En de slapeloze nachten dragen ook niet bepaald bij aan de productiviteit.

Voor Danny kwam het einde van zijn contract wel al in zicht. Hij diende een projectvoorstel in bij het FWO waarmee hij een driejarig mandaat als postdoc wilde behalen. Hij had geen andere sollicitaties lopen, dus voor hem was deze aanvraag alles of niets. (Dat zou ik zelf niet gedurfd hebben, al is er ook iets voor te zeggen om al je energie op één aanvraag te richten en dat projectvoorstel zo goed mogelijk uit te bouwen.)

Begin februari zaten we hier dus met twee nagelbijtende postdocs en één nietsvermoedende peuter.

Voor mij werd de spanning nog wat extra opgedreven, want op 11 februari zou ik ‘s avonds de uitslag horen van mijn sollicitatie bij de KU Leuven, maar diezelfde ochtend had ik nog een interview voor Salzburg. (Als het een fictief verhaal was geweest, had ik dit het meest ongeloofwaardige deel gevonden.) Bovendien besliste de commissie in Salzburg zeer snel, zodat ik ‘s avonds ineens twee aanbiedingen op zak had. Ik koos voor de positie in Leuven, waar ik in oktober zal beginnen als “onderzoeksprofessor”. Wat een opluchting!

En ik deed een vreugdedansje met de peuter, die niet goed wist wat hem overkwam. :-)

Toch voelde het niet echt juist aan om het goede nieuws al aan de grote klok te hangen, zo lang er voor Danny nog geen zekerheid was. Het FWO zou de uitslag vorige week woensdag om 15u bekend maken. De website bezweek echter onder het grote aantal bezoekers. De spanning werd dus extra opgedreven, maar rond half vijf werden de namenlijsten dan toch online geplaatst. En ja, Danny mag in oktober aan zijn nieuwe postdoc-project beginnen (opnieuw aan de UGent). Alweer zo’n pak van ons hart!

Nu mogen de vlaggetjes eindelijk ophangen. Eronder zitten twee tevreden postdocs en een peuter die met de blokken speelt.

Vlaggetjes.

Eindelijk mogen de vlaggetjes vrolijk wapperen.

Lees verder »

jul 01

Stralend blauwe hemel

Dit stukje is in licht gewijzigde vorm als een column verschenen in Eos.
(Jaargang 31, nummer 7/8.)

Stralend blauwe hemel.Als je deze zomer op een terras zit, doe dan eens die zonnebril af en kijk naar een punt in de blauwe lucht. Richt je aandacht op wat je rond dit punt ziet. Na een tijdje merk je waarschijnlijk heldere puntjes op, die even oplichten en weer verdwijnen. Net vuurvliegjes, maar dan overdag. Dat is het fenomeen van Scheerer.

Sommige mensen zien de stipjes spontaan. In het liedje “I see you” uit 1992 vraagt Juliana Hatfield zich af wat ze in haar ooghoek ziet wegschieten als ze naar de hemel kijkt. In het Engels heten de stipjes ‘sprites’, wat suggereert dat het een spiritueel verschijnsel is. Wetenschappers hebben echter aangetoond dat het hier om een entoptisch verschijnsel gaat: daarbij zie je iets dat zich in je eigen oog bevindt. Daarom worden de stipjes ook wel het entoptisch fenomeen van het blauwe veld genoemd. Als je corrigerende brilglazen of lenzen hebt, zul je merken dat je de stipjes even duidelijk ziet met of zonder deze hulpmiddelen.

Het gaat hier niet om de donkere, draadachtige vormen, die je vast wel eens gezien hebt als je naar een egaal oppervlak kijkt. Deze glasvochttroebelingen worden in het Engels ‘floaters’ genoemd, omdat ze traag met je oogbewegingen meedrijven. Net als de stipjes zijn ook floaters een entoptisch fenomeen: het gaat om eiwitten en cellen die zich in de geleiachtige massa van je oogbol bevinden. In feite zijn het kleine onzuiverheden, maar doordat ze zich pal voor je netvlies bevinden nemen ze toch een groot deel van je blikveld in. Je ziet de zwevers nog duidelijker als je op je rug in het gras gaat liggen en zo naar de lucht kijkt: niet omdat ze beter zichtbaar zouden zijn tegen een blauwe hemel, maar simpelweg omdat de structuren dan naar je netvlies zakken.

Wat zijn nu die heldere stipjes die je tegen een blauwe achtergrond ziet? Dat zijn witte bloedlichaampjes op je eigen netvlies! Als je één witte bloedcel op een schaaltje voor je neus zou krijgen, zou je die cel niet kunnen zien liggen, want de diameter ervan is zo’n tien micrometer (ongeveer tien keer kleiner dan de breedte van een haar). Maar in ons oog kunnen we deze cellen wel zien, omdat ze groter zijn dan de lichtgevoelige kegeltjes waar ze zich vlakbij bevinden.

Vóór de lichtgevoelige cellen van ons oog lopen er bloedvaten, die een schaduwpatroon op het netvlies veroorzaken. We zijn ons hier meestal niet van bewust, omdat onze ogen en hersenen dit patroon wegfilteren. (Hetzelfde geldt voor onze blinde vlek, die ook pal in ons gezichtveld zit.) De haarvaten op ons netvlies zijn grotendeels gevuld met rode bloedcellen, die vooral blauw licht absorberen. De witte bloedcellen zijn minder talrijk en grotendeels transparant voor blauw licht. Wanneer er een witte bloedcel door een haarvat passeert, valt daar tijdelijk minder schaduw op het netvlies. De achterliggende cellen, die aan de schaduw aangepast waren, worden dan tijdelijk overbelicht. Dit zorgt ervoor dat we de witte bloedcellen zien als helder oplichtende puntjes.

Ik zie, ik zie wat jij niet ziet.Om de stipjes te leren zien, kan het helpen om eerst je hartslag op te jagen, bijvoorbeeld door een stukje te rennen: zo neemt het geflits van de stipjes toe. Als het je dan nog niet lukt om de puntjes te zien, kan je eens naar een wetenschapsmuseum gaan. De opstelling is eenvoudig: een buisje om in te kijken, met achteraan een witte lamp en vooraan een blauwe smalbandfilter. Die filter laat precies dat deel van het spectrum door (rond 430 nanometer) waarbij het contrast tussen de rode en de witte bloedcellen optimaal is. Als het je één keer gelukt is om de krioelende puntjes te zien, lukt het je daarna vast ook in minder ideale omstandigheden.

Zelf zag ik het fenomeen van Scheerer voor het eerst tijdens een bezoek aan het Exploratorium in San Francisco, één van de leukste wetenschapsmusea ter wereld. Er staat ook een opstelling dichter bij huis: in het Palais de la Découverte in Parijs. In het Illuseum in Gent zijn er plannen voor een opstelling. In elk geval kan je daar advies vragen om de stipjes te zien en kan je er je eigen ogen op nog heel wat andere manieren bedotten.

Fenomeen van Scheerer.

Simulatie van het fenomeen van Scheerer of het entopisch fenomeen van het blauwe veld. (Bron afbeelding.)

Aanvullende links:

Wetenschapsmusea die mogelijk een opstelling hebben over het fenomeen van Scheerer:

  • Het Exploratorium in San Francisco (VS, Californië): wij waren er in 2009 en de opstelling staat nog steeds op de website. (In 2009 stond er nog op de website dat je met deze opstelling de rode bloedcellen kunt zien, maar deze fout is gelukkig rechtgezet.)
  • Het Palais de la Découverte in Parijs (Frankrijk): wij waren er in 2011, maar de opstelling wordt niet expliciet vermeld op de website en ik heb van de persdienst geen reactie gekregen op mijn vraag of die er nog steeds staat. :-( (In 2011 stond ook hier vermeld dat het de rode bloedcellen zouden zijn; vermoedelijk hebben ze het concept van de opstelling overgenomen van het Exploratorium.)
  • Het Technorama in Winterthur (Zwitserland): zelf ben ik er nooit geweest, maar de opstelling staat vermeld op de website. (Ook hier weer dezelfde fout: “a view of the pulsing red blood cells on your own retina”.)
  • Het Experimentarium in Kopenhagen (Denemarken): hoewel ik al in Kopenhagen ben geweest, heb ik het museum helaas nog niet bezocht. Volgens deze website was er wel een opstelling voor het fenomeen van Scheerer. Ik schrijf ‘was’ want de informatie is acht jaar oud en op dit moment is het museum tijdelijk verhuisd. Het is dus onduidelijk of de opstelling er nog staat.
  • Het Illuseum in Gent (België): wij waren er enkele jaren geleden (wanneer weet ik niet meer exact). Zij hebben vooralsnog geen opstelling over dit fenomeen, maar ze reageerden meteen enthousiast op mijn vraag. Misschien knutselen ze iets in elkaar. :-) In elk geval kun je daar terecht voor heel veel optische illusies en ze geven graag een woordje uitleg.

Voeren je vakantieplannen je in de richting van één van deze musea, laat me dan eens weten of de demonstratie er al dan niet staat. De naam van de opstelling is waarschijnlijk (een vertaling van) “Corpusculen in het menselijk oog”.

jun 20

Tiktak

Rupsje Nooitgenoeg.Zoals beloofd: een update over de woordjes van onze peuter (van 20 maanden).

Mijn zoontje zit in bad en hij kijkt in een badboekje van “Rupsje Nooitgenoeg” (een moderne klassieker onder de kinderboeken). Eerst eet de rups van één appel, dan twee peren, drie pruimen, vier aardbeien en vijf sinaasappels. Ik wijs alles aan en tel hardop.

Daarna eet de rups van tien verschillende soorten etenswaren. Nu wijs ik dingen aan en vraag aan mijn zoontje wat het is. Het ijsje herkent hij meteen: “ijs!” Maar in zijn ogen is het cupcakeje ook “ijs”. “Kaas” herkent hij ook, maar de worst en de augurk noemt hij “maan”. Daardoor zie ik dat de getekende, gebogen vormen inderdaad lijken op de pluchen halve maan die op zijn kamer hangt. De lolly kent hij niet, maar hij vindt het een grappig woord dat hij meteen probeert na te zeggen. :-)

Barometer.Ik vind het heerlijk dat hij al zo veel woorden kan uitspreken. Hierdoor krijgen we enig zicht op hoe hij de wereld ziet: vaak is dat anders dan wij, zoals al blijkt uit het maan-voorval. Tweede voorbeeld: de klok noemt hij “tiktak”, maar ook de barometer, de keukweegschaal en de voetpomp noemt hij zo. (Die laatste drie tikken niet, maar ze hebben wél een wijzerplaat.) Derde voorbeeld: honden zijn voorlopig nog “woewoe”, tenzij ze te klein zijn (en dus niet groter dan een kat), dan noemt ons peutertje ze onverbiddelijk “miauw”.

Hij herkent en benoemt merels, kraaien en duiven. Andere vogels zijn gewoon “pieppiep”. (Hij kan ook een pauw nadoen, maar dat is een ander verhaal.) Kleine insecten en spinnetjes noemt hij “mieren”, wat in onze tuin toch in ongeveer een derde van de gevallen juist is.

Zijn woordenschat lijkt deze weken explosief toe te nemen. Zo kan hij ook steeds beter laten merken wat hij wil. Bijvoorbeeld: “pet op” of “drinken”. Vaak beeldt hij dat dan ook nog eens uit, voor het geval we hem toch niet begrepen zouden hebben. Naast “pakken” zegt hij nu ook “dragen” en “paardje” (op de rug dragen en bij voorkeur ook een paard nadoen, maar dat is facultatief).

Naast het uitbeelden gaat ook zijn intonatie erop vooruit. Hij kan ja zeggen op minstens vier manieren, met de volgende subtekst: een dromerige ik-ben-niet-aan-het-luisteren-maar-doe-maar, een kort zakelijk oké, een langgerekte eindelijk, of een uitgelaten joepie (deze “ja” wordt meestal gevolgd door “buitêh!”). Uiteraard kan hij ook nee zeggen op minstens even veel manieren: ongeïntresseerd, uit gewoonte, onverzettelijk, of boos.

“Ik” of zijn naam is er nog niet bij: als hij een foto van zichzelf ziet, zegt hij hooguit “kindje”. (Als hij zichzelf in de spiegel ziet, lacht hij of wijst hij naar zijn buik, dus hij herkent zichzelf wel, denk ik.) Een enkele keer zegt hij “mij”, waarmee hij “van mij” of “mijn” bedoelt; ja, we bereiden ons erop voor dat we dit in de nabije toekomst veel vaker zullen horen. ;-)

Papegaai.Het liedje “Papegaai is ziek” is in de versie van mijn zoontje heel wat korter:

Pappi. Ie-aa. Boem!

Dat vat het goed samen. Maar als ik een liedje voor hem zing, kom ik er niet zo snel vanaf, want tijdens de laatste regel zegt hij al “nog”. Drie maal is scheepsrecht bij onze peuter.

Aanvulling (3 juli 2014):

Het weekend nadat dit bericht online kwam, maakten we een voorzichtige schatting waarbij we op een honderdtal woordjes uitkwamen. (Dit naar aanleiding van het tijdschrift “Brieven aan jonge ouders” van De Gezinsbond, waarin stond dat een ‘typisch’ kind van 21 maanden vier woordjes gebruikt.) Er zaten woorden bij die hij het weekend voordien nog niet gebruikte. En intussen zijn er nog heel wat bij gekomen.

Hij begint ook naar zichzelf te verwijzen: “jij” zegt hij dan. Filosofisch gezien een interessante situatie. Gelukkig volgt de taalontwikkeling geen strikt logische wetten, want anders stonden we hier aan de rand van een paradox. (Zijn eigen naam herhalen weigert hij nog steeds.)

jun 18

Logica vs belastingen: 0 – 1

Belastingsbrief.Getallen en rekenwerk, daar weten wij doorgaans wel raad mee. Op de jaaropgaven en fiscale attesten wemelt het van de kommagetallen. Meteen is daar het gevoel: “dit zouden wij moeten kunnen”, maar desondanks raadplegen we hiervoor nederig een specialist.

Ja, ooit was ik in staat mijn eigen belastingsbrief in te vullen. Moeilijk was het toen ook niet: gewoon een kwestie van de codes over te nemen die op de jaaropgaaf vermeld stonden. Het jaar dat Danny en ik gingen samenwonen, had hij nog (deels) Nederlandse inkomsten aan te geven. Daarna was ik het die mijn Nederlandse loon aan de Belgische belastingsdienst moest aangeven. Aangezien de regels hiervoor al eens veranderen, gaan we de laatste jaren naar een winkelcentrum waar belastingsbeamten helpen met het invullen van de aangifte.

Dit jaar kregen we hulp van een zeer vriendelijke fiscalist, die rustig al onze papieren bekeek en voor elk getal een passende rubriek vond, of voorstelde om iets niet aan te geven. Is dat dan een optie? Ja hoor, zo gaf de specialist ons glimlachend mee, want:

“Fiscaliteit is geen exacte wetenschap.”

Oei, dat geeft me niet veel moed om er de komende jaren zelf weer aan te beginnen! Hij zei nog iets dat is blijven hangen:

“De logica eindigt waar de fiscaliteit begint.”

Geen wonder dus dat wij, gewone stervelingen, machteloos staan als de bruine envelop in onze brievenbus valt.

Gelukkig geldt net als bij de wereldbeker voetbal: mathematisch is alles nog mogelijk! :-)

jun 16

Drie citaten

Citaat van mijn lief:

“Als blikken konden doden, zou ons kindje al lang wees zijn.”

Tja, ons zoontje zit niet zo graag in de ‘bubby’ (zijn woord voor buggy).

Citaat van ons zoontje:

“Pyjapyjapyja!”

Gelukkig vindt hij het niet erg om te gaan slapen (en dus eerst zijn pyjama aan te doen).

Anonieme reactie op NewApps:

Infinity isn’t like you or me: it behaves in strange ways.”

In eerste instantie las ik ‘isn’t‘ als ‘is‘ en dat klopte ook! :)

Dit korte berichtje heb ik geschreven in april, maar in alle drukte ben ik het toen vergeten online te zetten. Intussen houdt onze peuter meer van in de buggy zitten dan van gaan slapen. Later deze week schrijf ik nog een update over de vorderingen van zijn gebabbel.

jun 11

Ode aan de pisbloem

Juliet: “What’s in a name?
That which we call a rose
By any other name would smell as sweet.
- Shakespeare, Romeo and Juliet (II, ii, 1-2)

Het vorige bericht ging over de paardenbloem. Vandaag sta ik stil bij de naam van deze plant in verschillende talen.

Laat maar waaien.

Paardenbloem? Pissebloem? Leeuwentand? Laat maar waaien!

De wetenschappelijke benaming voor de paardenbloem is Taraxacum officinale (waarbij “officinale” verwijst naar medicinaal gebruik van de plant).

Waarom spreken we in het Nederlands eigenlijk van paardenbloemen? De Nederlandstalige naam werd pas officieel vastgelegd in 1906. Het voorvoegsel “paarden-” (in de oude spelling weliswaar zonder ‘n’) vind je ook in de benaming voor wilde kastanjes: “paardenkastanjes”. Op Wikipedia staat de hypothese dat het voorvoegsel “paarden-” waardeloos zou betekenen, maar dat lijkt me ongeloofwaardig, aangezien het paard traditioneel als een edel dier wordt beschouwd. In het geval van de paardenkastanje verwijst ook de Latijnse botanische naam naar paarden en dit wordt (o.a. in de Oxford English Dictionary) uitgelegd als zou men de vruchten in het Oosten gebruikt hebben om paarden van bepaalde kwalen af te helpen. Voor de paardenbloem is me geen soortgelijk verhaal bekend. In het Duits wordt ondermeer Kuhblume gebruikt, letterlijk dus koeienbloem. (Misschien betekent het niet meer dan dat de plant veel voorkomt in paarden- en koeienweides?)

In ons (Maaslandse) dialect spreken we van “pisblóm” en “pisbloem” blijkt ook algemeen Nederlands te zijn (al is de vorm “pissebloem” couranter). Vermoedelijk komt dit van de Franse benaming “pissenlit“. In het Engels zou ook “pissabed” gebruikt worden. Deze benaming verwijst naar de (vermeende) urineafdrijvende eigenschappen van de plantenwortel. (Ook onze benaming “pissebed” voor de diertjes die zich graag onder stenen ophouden gaat terug op het Franse “pissenlit“, ook zo genoemd om het gebruik ervan als waterafdrijvend middel.)

In het Frans wordt naast “pissenlit” ook “dent-de-lion” gebruikt. Dit gaat terug op het Middeleeuws Latijndens leonis” of leeuwentand, wat vermoedelijk verwees naar de getande bladrand. (Voor alle duidelijkheid: het gaat dan om de groene blaadjes van de plant, niet om de gele bloemblaadjes. Op SoortenBank wordt de bladvorm beschreven als lijnlancetvormig en veerspletig.) Via het Frans werd dit in het Engels “dandelion“. Ook in het Duits wordt “Löwenzahn” gebruikt. Let wel: in het Nederlands duidt “leeuwentand” een iets andere bloemsoort aan (Leondoton), weliswaar verwant aan de gewone paardenbloem.

Pluizenbol.

Deze pluizenbol bestaat uit minder en grotere zaadjes dan die van een gewone paardenbloem. Het gaat hier dus om een verwante soort. (Welke precies weet ik niet, want ik heb de bloei van de bloem niet gezien.)

Tegen de rijpe planten zeg ik “pluizenbol” of “blaasbloem”, maar geen van beide woorden blijken algemeen Nederlands te zijn. In het Duits wordt soms ook “Pusteblume” gebruikt, wat ook zoiets als blaasbloem betekent. In het Engels wordt het “seed head“, “blowball“, “puff” of “clock” genoemd. (Dat is handig om te weten als je via internet naar plaatjes zoekt.)

De Engelstalige Wikipedia-pagina heeft benamingen in nog meer talen, waarvan sommige verwijzen naar spelletjes die kinderen spelen met de plant (meestal maar niet altijd met de rijpe vorm). Dit doet me denken aan de naam van de film (uit 1998) “Blazen tot honderd” (die ik trouwens nooit gezien heb).

Pluizenbol.

In het Engels worden rijpe paardenbloemen “dandelion clocks” genoemd. (Afbeelding uit “The Dream Coach” door Anne en Dillwyn Parrish, 1924 via deze link; zelf ingekleurd.)

Gebruik jij een ander (dialect-)woord voor paardenbloem? Hoe noem jij zo’n pluizenbol? Laat een reactie achter!

jun 05

Pluisjes (oplossing fotoraadsel)

Vandaag plaats ik de oplossing van het meest recente fotoraadsel. Maar eerst herhaal ik de dubbele opgave.

Deel 1

Dit zijn geen balletschoentjes. Wat is het wel?

Rara, wat is het wel?

Dit zijn geen balletschoentjes. Rara, wat is het dan wel?

Deel 2

En dit zijn geen tientallen oogjes. Wat is het wel?

Rara, wat is het wel?

Dit zijn geen tientallen oogjes. Rara, wat is het dan wel?

Er kwamen acht gokken binnen: drie via SciLogs en vijf via mijn eigen blog.

  • Voor de eerste foto werd er gegokt op iets plantaardigs (Lilith), zaadjes of zaaddoosje van een paardenbloem (Tim en G. Nauwelaerts) en meeldraden (Gerda van Etten).
  • Voor de tweede foto werd er gegokt op een aardbei (Tim), een zaadje met dauw erop (G. Nauwelaerts), een ouderwetse knoop (Liese) en een stampertje (Gerda van Etten).

(Het antwoord lees je na de vouw!)
Lees verder »

jun 03

Huiszwaluw

“Eén zwaluw maakt de lente niet.”
- Aristoteles, Ethica Nicomachea, Boek I
(Link naar de passage in een Engelstalige versie)

Huiszwaluw.

Huiszwaluw vliegt aan bij de nesten van een kolonie.

Soms voel ik me een huismus. Knus tussen mijn boeken, knuffelen met mijn zoon, of in de tuin zitten met mijn lief. Maar ik ga ook graag op congres en dat betekent: reizen. Dus misschien is de huiszwaluw een betere totem voor mij. Ik vind zwaluwen alleszins prachtige vogels, met hun dubbele staart, altijd netjes in rokkostuum. :-)

Vroeger bouwden er huiszwaluwen onder de spits van het dak aan het huis van mijn ouders, precies boven de trap aan de deur. Dat was niet altijd zo handig. ;-) Tien dagen geleden zag ik een huis waar een hele kolonie huiszwaluwen nesten gebouwd had onder de dakrand.

Ik maakte er een filmpje van (link):

Zwaluwen zijn ook populair bij sprookjesschrijvers. Denk maar aan het sprookje van Oscar Wilde over “De gelukkige prins“. Maar ook in de zesde eeuw voor Christus inspireerde de zwaluw al meerdere fabels van Aesopus. Eén van deze fabels illustreert de spreuk dat één zwaluw de lente niet maakt: “De jongeman en de zwaluw”, wat in de Victoriaanse tijd “De verkwister en de zwaluw” werd.

Aangezien deze fabel bij ons niet zo bekend is, geef ik hieronder mijn versie van het verhaal:

De brasser en de zwaluw

Er was eens een onbezonnen jonge kerel. Hij verbraste het fortuin van zijn overleden vader aan feesten en gokken. Na een avond zwaar doorzakken bezat hij niets anders meer dan de kleren aan zijn lijf.

De volgende ochtend brak een zachte lentedag aan. Hij zag een zwaluw overvliegen en het vrolijke gekwetter van de vogel klonk als muziek in zijn oren. “De zomer is in aantocht,” besloot de brasser en hij verkocht zijn winterjas, zodat hij letterlijk in zijn hemd stond.

Later die week begon het echter opnieuw te vriezen en de zwaluw bevroor. “Dwaze vogel,” sakkerde de brasser, “je bent veel te vroeg uitgevlogen. Hierdoor heb je niet alleen je eigen trieste lot bezegeld, maar ook mij te gronde gericht!”

Moraal van het verhaal:
Eén zwaluw maakt de lente niet.

Je kunt een Nederlandstalige versie van het verhaal vinden op pagina 75 van dit pdf-bestand. De fabel wordt in het Engels samengevat op Wikipedia en op Wikisource. Een versie in het Latijn kun je hier vinden.

Oudere berichten «