apr 22

Blinde vlek

Dit stukje is in licht gewijzigde vorm als een column verschenen in Eos.
(Jaargang 31, nummer 4.)

Veel excellente vrouwen blijven verrassend lang onzichtbaar voor old boys netwerken.“Waarom hebben we zo weinig studentes fysica?” vroeg de professor. Hij leek te verwachten dat ik hier een pasklaar antwoord op had. Nochtans was ik één van de slechtst gekozen personen om die vraag aan te stellen. Ik was assistent bij de vakgroep natuurkunde, geen socioloog, en dus onbeslagen in het analyseren van menselijke keuzes. Bovendien had ik als meisje wél voor fysica gekozen en waren eventuele blokkades mij klaarblijkelijk ontgaan.

De vraag werd me tien jaar geleden gesteld, maar ze is nog steeds actueel. Intussen heb ik geluisterd naar specialisten en stilaan ontwaar ik de contouren van een antwoord. Maar laten we er eerst een vraagstuk bovenop gooien. Een academische loopbaan verloopt in verschillende stadia: van student, via doctorandus en postdoctoraal onderzoeker, naar professor. Bij iedere carrièrestap stromen er onderzoekers uit, naar functies buiten de universiteit. Vrouwen zijn systematisch oververtegenwoordigd in de uitstroom van deze lekkende pijplijn, waardoor zelfs richtingen die een meerderheid aan vrouwelijke eerstejaars hebben, een overwegend mannelijk professorenkorps behouden. Naast de lagere instroom voor sommige studies, waaronder fysica, is er dus een hogere uitstroom van vrouwen in vrijwel alle domeinen. Hoe is dat mogelijk?

In een recent nummer van EuroPhysics News schrijft Elisabeth Rachlew, een Zweedse emeritus professor in de toegepaste fysica, dat we op dit soort vragen naar één antwoord zoeken. Antwoorden als “vrouwen willen liever moederen” deugen echter niet, want al het beschikbare onderzoek wijst uit dat het om een samenspel van meerdere factoren gaat. Het is een subtiele kwestie die nooit tot één hapklaar antwoord te reduceren valt. Daar helpt geen lievemoederen aan!

Laten we een recent voorbeeld bekijken: in februari van dit jaar publiceerde de International Academy of Quantum Molecular Sciences het programma voor haar congres van 2015. Onder de vierentwintig uitgenodigde sprekers was er geen enkele vrouw. Drie professoren riepen daarom op tot een boycot en hun petitie werd binnen enkele dagen door meer dan duizend mensen ondertekend.

Veel excellente vrouwen blijven verrassend lang onzichtbaar voor old boys netwerken.Hoe is het bestuur van de vereniging voor theoretische chemie tot dit onevenwichtige programma kunnen komen? Van bewust seksisme is er vermoedelijk geen sprake. Als de oorzaak zo zonneklaar was, dan waren de wanverhoudingen trouwens al lang rechtgetrokken. Sociologen benadrukken het belang van onbewuste vooroordelen en informele netwerken, die de status quo – waarin vrouwen ondervertegenwoordigd zijn – mee in stand helpen houden. Het is begrijpelijk als de bestuursleden (overwegend mannelijke professoren) enkel oud-studiegenoten en bekende namen hebben uitgenodigd, want een onderonsje is gezellig. Door niet actief op zoek te gaan naar ander talent, sluiten ze echter – onbedoeld – mensen uit.

Om impliciete vooroordelen te bekampen, moet je mensen eerst bewust maken van deze mechanismen en dan concrete suggesties doen om de ingesleten gewoontes te doorbreken. De vereniging van kwantumchemici herbekijkt inderdaad haar programma. Hopelijk kan dit voorval andere organisatoren ertoe aanzetten vooraf op zoek te gaan naar excellente vakgenoten die zich momenteel in hun blinde vlek bevinden.

Terug naar de originele vraag over de lage instroom van meisjes bij fysica. Die is vermoedelijk het resultaat van even subtiele maar alomtegenwoordige processen van beeldvorming: denk maar aan speelgoedfolders, televisiereeksen, schoolboeken, enzoverder. Terwijl de interne academische keuken bijgestuurd kan worden, hebben we op die algemene culturele context nauwelijks vat. Overigens is het doel niet om de cultuur genderneutraal te maken, integendeel: juist doordat vrouwen een andere positie innemen in onze maatschappij, vormen zij een toegevoegde waarde. Uiteindelijk is de bekommernis om genderevenwicht slechts één facet van een algemener streven naar diversiteit. Een verscheidenheid van achtergronden en stijlen is een belangrijke voedingsbodem voor fris onderzoek. Wetenschap is niet uniseks, maar multicolore.

Tien jaar geleden zag ik niet in hoe een grotere participatie van vrouwen enig verschil zou kunnen maken voor de natuurkunde. Vrouwelijke wetenschappers denken immers niet met hun eierstokken en kracht blijft toch wel gelijk aan massa maal versnelling. Nu vraag ik me vooral af wat we niet zien. Misschien is er een even fundamentele formule als ‘F is m maal a’ nog niet ontdekt, omdat we op halve kracht werken. Kunnen we het ons permitteren om talent te blijven verkwisten?

apr 17

Filosloofje

Dertien uur schrijven aan een artikel over oneindige loterijen.Gisteren heb ik dertien uur gewerkt aan een artikel. Niet aan één stuk door, maar in drie blokken: drie uur voormiddag, vijf uur namiddag en ‘s avonds (een rekbaar begrip) nog eens vijf uur. Soms vraag ik me af waarom ik toch altijd van die lánge stukken schrijf, die daarna quasi onmogelijk te reviseren zijn. Stiekem weet ik het antwoord wel: omdat ik niet uitgepraat raak over dit onderwerp. (Het artikel gaat over oneindig kleine kansen en is een vervolgstudie op mijn doctoraatsthesis over dit onderwerp.)

Tijdens mijn middagpauze luisterde ik naar Nieuwe Feiten op Radio 1. Het Middagjournaal – een gesproken dagboek, een voorgelezen column -  wordt er deze week bijgehouden door Gaea Schoeters. In de uitzending van gisteren had zij het over de keerzijde van het advies om van je hobby je beroep te maken. Herbeluisteren kan hier, nalezen kan hier.

Vooral dit stukje klonk zeer herkenbaar, zeker op een dag als gisteren:

“Waar is het dan misgegaan? Waar zijn we zo in de ban van de consumptie geraakt dat we krampachtig proberen steeds meer te verdienen, terwijl we geen tijd meer hebben om te genieten van wat we hebben? Het antwoord vond ik in de krant van gisteren, die naast me op de passagiersstoel lag. Volgens de Amerikaanse kunsthistorica Miya Tokumitsu is het de liefde voor ons werk die ons de das om doet. Doordat ons wordt aangepraat dat we moeten doen waar we van houden, en we dus van onze hobby ons beroep maken, valt elke afbakening weg. Want als je toch zo van je werk houdt, waarom zou je dan niet nog snel iets afmaken na je uren? Een dagje doorduwen in het weekend? Je mails nog even checken ’s avonds, desnoods in bed? Voor je lief moet je het niet laten, die is op haar eigen smartphone precies hetzelfde aan het doen.”

Misschien moet ik voor dit jaar eens wat vakantie inplannen, want Karoshi (volgens Schoeters Japans voor “dood door overwerk”) lijkt me voor een filosoof – die over tijdloze en misschien wel onoplosbare problemen hoort na te denken – toch wat te hoog gegrepen. ;-)

apr 02

Over de technologische singulariteit

Onderstaand stukje heb ik op NewApps gezet naar aanleiding van het debat over de technologische singulariteit tijdens het Leuvense “Feest van de Filosofie” aanstaande zaterdag. Aangezien dit geen onderwerp is waar ik normaal onderzoek naar doe (hoewel het me zeker interesseert), is het deels een oproep naar (in korte tijd behapbare) leessuggesties. Die oproep geldt hier uiteraard ook. ;-)

Thinking about the technological singularity

Next Saturday, the University of Leuven is hosting an outreach event called Philosophy Festival (“Feest van de Filosofie“). This year’s theme is people & technology (“mens & techniek“). I was asked to join a panel discussion on the technological singularity (link). The introduction will be given by a computer engineer (Philip Dutré, Leuven). There will be a philosopher of technology (Peter-Paul Verbeek, Twente) and a philosopher of probability (me, Groningen); and the moderator is a philosopher, too (Filip Mattens, Leuven). So far, I have not worked on this topic, although it does combine a number of my interests: materials science, philosophy of science, and science fiction.

The idea of a technological singularity (often associated with Ray Kurzweil) originates from the observation that the rate of technological innovations seems to be speeding up. Extrapolating these past and current trends suggests that there may be a point in the future at which systems that have been built by humans (software, robots, …) will become more intelligent than humans. This is called the technological singularity. Moreover, once there are systems that are able to develop systems that are more intelligent than systems of the previous generation, there may be an intelligence explosion. The possibilities of later generations of such systems are inconceivable to humans. (This theme has been explored in many science fiction stories, including the robot stories by Isaac Asimov (1950′s and later), the television series “Battlestar Galactica” (2004-2009), and the movie “Her” (2013).)

Skynet.

Even this brief introduction gives us plenty of opportunity for reflection on concepts (What is intelligence?) and consequences (What will happen to humans in a post-singularity world?). I am planning to analyze a very basic assumption, by raising the following question: When are we justified to pick a particular trend that has been observed in the past (e.g., Moore’s law that describes the exponential increase in the number of transistors on a commercial chip) and extrapolate it into the future? Viewed in this way, the current topic is an example of the general problem of induction.

The hypothesis “The observed trend will continue to hold” is only one among many. Let me offer two alternative hypotheses:

Lees verder »

mrt 28

Tellen tot oneindig

Tellen tot oneindig - twee keer.Gisteren gaf ik in Groningen een lezing. Om kansen toe te kennen aan oneindige verzamelingen, zou het handig zijn als je de mogelijkheden kunt tellen, ook al zijn dit er oneindig veel. Daarom maak ik in mijn werk gebruik van numerosities, een manier om oneindige verzamelingen te “tellen” (in zekere zin dan). De theorie over numerosities werd ongeveer tien jaar geleden voorgesteld door professor Vieri Benci en is dus nog niet erg bekend. Na mij gaf professor Paolo Mancosu een lezing. Hij heeft in 2009 een artikel geschreven over numerosities, dus precies rond de tijd dat ik over infinitesimale kansen begon na te denken: ik heb zijn artikel toen gelezen en het heeft mijn werk sterk beïnvloed.

In een ideale wereld zou ik hier een uitgebreide samenvatting van de lezingen uitschrijven. Helaas heb ik in de echte wereld iets te veel ander werk. Gelukkig heeft Catarina Dutilh Novaes, mijn collega uit Groningen die de dubbellezing georganiseerd heeft, er al een blogpost over geschreven: “Counting infinities” (in het Engels dus). Het is een goede inleiding over dit onderwerp en er is ook een discussie op gang gekomen (waar ik met plezier aan deelneem), dus neem er zeker een kijkje als je geïnteresseerd bent in een recente theorie over oneindigheid!

mrt 25

Aankondigingen: lezing en debat

Oneindig kleine kansen.Deze week geef ik op donderdag een lezing in Groningen in een Grolog-sessie (waar de Groningse logici uit het wiskunde- en filosofie-departement elkaar treffen). Het zal gaan over oneindig grote verzamelingen en infinitesimale kansen; de lezing heet dan ook “On numerosities and infinitesimal probabilities“. Ik kijk er vooral naar uit omdat professor Paolo Mancosu (filosoof van de wiskunde) ook een lezing komt geven. Zijn lezing heeft als titel “In good company? On Hume’s principle and the assignment of numbers to infinite concepts“. Details vind je hier. Het is gratis en zal in het Engels zijn. (Laat me gerust iets weten als je er naartoe wil komen.)

Feest van de Filosofie.

Op zaterdag 5 april doe ik mee aan een debat tijdens het  Feest van de Filosofie in Leuven. Dit is de website van het Feest van de Filosofie. Details over het debat staan hier. Het debat zal gaan over de technologische singulariteit. De inleiding wordt gegeven door professor Philip Dutré (computerwetenschapper). Ik ben geen techniekfilosoof of futuroloog, dus ik ga gewoon aandachtig luisteren en dan mijn best doen om relevante bedenkingen te formuleren. Supporters zijn altijd welkom. :-) (Helaas kan ik geen vrijkaarten regelen.)

mrt 25

Voldoening (vier observaties over 2048)

Notice

Waarschuwing: niet lezen als je vatbaar bent voor verslavende computerspelletjes.

Als je het spel 2048 nog niet geprobeerd hebt en er wel nieuwsgierig naar bent, maar echt geen tijd te verspillen hebt, speel dan eens de parodievariant 4 en probeer 16 te maken (door na het halen van 4 ‘keep going‘ te klikken). 2048 is nagenoeg hetzelfde, maar dan op een veld van vier bij vier en het doel is 2048 te halen. (2048 is de elfde macht van twee, dus zelfs als je perfect speelt duurt dat iets langer om te halen dan vierde macht van twee.)

Ben je al verslaafd geraakt aan de originele versie van 2048? Laat dit dan een troost zijn: je bent niet de enige.

2048.Zoals vele anderen leerde ik 2048 kennen via de xkcd-cartoon op woensdag. Ik wist niet waar “2048″ naar verwees en zocht het op: dat was mijn eerste fout. Ik zag dat het een spelletje was en klikte toch op de link: dat was mijn tweede fout.

Ja, ik ben vatbaar voor verslaving aan dit soort futiele spelletjes. Dat weet ik van mezelf, waardoor ik er meestal met een wijde boog omheen loop. Meestal, maar afgelopen week dus niet. Het was echt een moment van zwakte, want de vorige keer dat ik in de ban ben geraakt van zo’n spelletje was al bijna twee jaar geleden. (Toen was het het flipperspel Snowball.)

Gelukkig heb ik 2048 zaterdag uitgespeeld en kan mijn gebruikelijke productiviteit zich dus herstellen. Om de tijd die ik besteed heb aan het spelen te rationaliseren, schrijf ik er een blogpost over. (Dit is uiteraard een drogreden.)

Zie hier, mijn vier observaties over 2048.

“Misschien lopen we viooltjes voorbij in onze speurtocht naar rozen.

Misschien zien we voldoening over het hoofd op zoek naar de overwinning.”

Bern Williams*

Observatie 1: Voldoening gaat aan de overwinning vooraf.

Het doel is 2048 halen, maar dat is niet het moment van de grootste voldoening. Wat mij betreft ziet het echte gouden moment er zo uit:

Net voor de laatste stap.

Zo zag het speelveld er zaterdag uit, net voor de laatste beweging.

Observatie 2: Enkele keren spelen en dan stoppen loont.

De volgende dag gaat het vaak beter. Ik heb de indruk dat oefenen en er een nachtje over slapen echt helpt om beter te worden in dit soort spelletjes – en ook nuttigere vaardigheden trouwens. Stoppen is even moeilijk als essentieel.

Observatie 3: Met de training komt de snelwegtrance.

Je speelt op automatische piloot, klikt intuïtief. Het lijkt alsof je geen beslissingen moet nemen en alles vanzelf gaat. Het voelt alsof de velden transparant worden en weerstandsloos in elkaar schuiven. Tot er een situatie opduikt waar je automatismen niet op zijn getraind; dan word je weer alert.

Het is zoals autorijden. De eerste keer dat je met een auto rijdt, kun je je ook niet voorstellen dat je ooit een gesprek kunt voeren terwijl je al stuurt en schakelt en op de weg moet letten. Toch ontsnapt na verloop van tijd niemand aan de snelwegtrance. Als je een bepaalde route een paar keer heb gereden, lijkt het op den duur of het altijd rechtdoor is. Juist als je de weg zo goed kent dat je er niet meer bij na moet denken, wordt het moeilijk om iemand de weg te wijzen. Juist als je de pedalen zo in je voeten hebt dat je er niet meer bij nadenkt, wordt het moeilijk om iemand anders te leren schakelen. (Zoals ik ook al schreef in verband met spreken voor publiek kunnen we vaak het meeste leren van iemand die slechts een beetje beter is dan wijzelf.)

Observatie 4: Pas als je het einddoel gehaald heb, kan de verslaving stoppen.

Als je er net zo vatbaar voor bent als ik, komt erop aan jezelf te genezen van de verslaving door zo snel mogelijk te leren het spel uit te spelen. Dit laten doen door een (niet zelf geprogrammeerde) AI geeft geen enkele voldoening, maar tegen het gebruiken van tips om zelf efficiënter te spelen heb ik geen bezwaren.

Dit was de tip die ik vond:

Spoiler Inside SelectShow

Mijn aangepaste versie van deze tip is drieledig:

Spoiler Inside SelectShow

Na het behalen van 2048 dreigt er een leegte. Gelukkig is er dan 2048 in 3D (niet eens zo moeilijk als je al vertrouwd bent met de gewone, 2D variant)! En daarna 2048 in 4D.

Of had ik dat beter niet kunnen zeggen?

* Dit citaat las ik ooit in een Nederlandstalige versie van het maandblad Reader’s Digest. (Een buurvrouw gaf die boekjes telkens aan mij door en ik verzamelde er citaten uit.) Dit citaat sprak me aan omdat ik meer van viooltjes hou dan van rozen. Ik heb het nu opgezocht en het is blijkbaar een vertaling van: “We may pass violets looking for roses. We may pass contentment looking for victory.” Zelf zou ik ‘contentment‘ als tevredenheid vertalen, wat gelijkmoediger is dan voldoening, maar dan past het citaat niet meer bij dit bericht, dus heb ik de vrije (maar mooie) versie van een onbekende vertaler behouden. De Engelstalige versie van het citaat heb ik trouwens in een bundel van Reader’s Digest stukjes kunnen terugvinden en blijkt uit 1996 te zijn. De originele bron (en dus context) van het citaat heb ik helaas niet kunnen vinden.

Aanvulling, 12u op 25 maart:

Dit is een leuk overzicht. Hierin staat ook een link naar een variant met drieën.

mrt 21

Vraagstuk over een magische boom

Kat en MuisSchattige fauna en magische flora: onderstaand vraagstuk heeft het allemaal!

Nee, ik heb deze opgave niet zelf verzonnen. Het vraagstuk stamt uit de late Middeleeuwen, dan wel vroege Renaissance. Het origineel is in het oud-Italiaans en gebruikt een oude Italiaanse lengtemaat, de braccio. Omdat de precieze eenheid er niet toe doet, heb ik dit vertaald als el. (De precieze bron zal ik later posten.)

Een muis zit bovenaan in een boom van 60 el hoog. Een kat zit op de grond aan de voet van de boom. De muis daalt een halve el per dag af en kruipt ‘s nachts een zesde van een el terug omhoog. De kat klimt één el per dag en kruipt ‘s nachts een kwart el terug naar beneden. De boom groeit een kwart el per dag tussen de kat en de muis en krimpt ‘s nachts een achtste el.

In hoeveel dagen bereikt de kat de muis?

Als je een oplossing hebt, lees ik het graag in de commentaren.

mrt 06

Over diamantvormige druppels

Dit bericht gaat over een foto van een diamantvormige waterdruppel. Ludo Rutten, die blogt op Muggenbeet, observeerde de druppel in het hart van het blad van een lupine. Hij stelt er zich volgende vragen bij:

“Hoe komt het dat die druppel niet wegvloeit? In het blad zijn nochtans spleten genoeg om langs weg te sijpelen. Zouden die haartjes het water afstoten? Ook gek is dat die druppel de kromming van het blad niet volgt maar gebogen staat. Heeft dit te maken met de cohesieve kracht? En ik vraag me af: is dat allemaal opgevangen water of is hier ook sprake van guttatie zoals je dat vaak ziet bij vrouwenmantel?”

In de commentaren lees ik dingen over oppervlaktespanning en cohesie, maar ook over centripetale krachten (en dat die krommingen in de richting van het middelpunt zouden veroorzaken). Over de rol van die haartjes lees ik er echter niks. (Evenmin over de vraag of lupines ook aan guttatie doen, maar daar ga ik mij ook niet aan wagen.) Een leuke uitdaging!

Foto van waterdruppel op lupine door Muggenbeet.

Deze foto was de inspiratie voor dit blogbericht. Met toestemming overgenomen van Muggenbeet (link).

“Zouden die haartjes het water afstoten?” Mij lijkt het dat de foto juist suggereert dat zij het water aantrekken! Maar laten we bij het begin beginnen.

Op de foto zie je het resultaat van een samenspel van interacties tussen drie materialen: het water, de plant en de lucht (die zelf natuurlijk niet zichtbaar is). Wat betreft de plant is niet alleen de samenstelling belangrijk (met name de waterafstotende, wasachtige laag op de bladeren – terecht opgemerkt door Fruitberg), maar ook de vorm ervan (die haartjes of trichoom dus). De volledige uitleg werd hierdoor wat te lang voor een reactie. (Vandaar dit bericht.)

Waterdruppel op het blad van een lupine.Wanneer je verschillende stoffen met elkaar in contact brengt, ontstaat er een contactspanning (een netto-effect van de elektrische aantrekking tussen de moleculen in die stoffen, veroorzaakt door interacties van permanente en/of tijdelijke dipolen). Afhankelijk van de combinatie van stoffen kan de contactspanning laag of hoog zijn. Als het om twee vloeistoffen gaat zorgt een lage contactspanning ervoor dat de stoffen gemakkelijk mengen (bv. water en inkt), terwijl een hoge contactspanning ervoor zorgt dat ze spontaan ontmengen (bv. water en olie).

De contactspanning tussen water en lucht is hoog. Anders gezegd: het kost minder energie om watermoleculen met elkaar in contact te houden dan met de lucht. Hierdoor ontstaat het effect van oppervlaktespanning, die het contactoppervlak tussen lucht en water tracht te minimaliseren. Resultaat: kleine hoeveelheden water vormen in een omgeving van lucht ongeveer bolvormige druppels (minimaal contactoppervlak met lucht). Over oppervlaktespanning had ik het trouwens al eerder op dit blog: in verband met koffie en in verband met afwassop.

Het water op de foto wordt aan de bovenkant omgeven door lucht, maar rust tegelijk op een blad met een wasachtige laag. De oppervlaktespanning tussen olie en water is ook hoog. Ook hier geldt dus dat het water een zo klein mogelijk contactoppervlak zal proberen vormen. Als de hoeveelheid water groter wordt, krijg je eerder een plasje water dan een bolvormige druppel. Dit komt door de zwaartekracht: op een gegeven moment is het gewicht van het water groter dan de krachten van de oppervlaktespanning.

Waterdruppel op het blad van een lupine.Tot nu deed ik alsof het blad glad was, maar ook de structuur van het oppervlak speelt een belangrijke rol bij de benatting. Bij een ruw oppervlak (met een wasachtige, waterafstotende laag) zal de druppel niet mooi de vorm volgen (want dat zou een groot contactoppervlak vereisen, met een hoge oppervlaktespanning als gevolg), maar eerder op de uitstekende toppen rusten. Dit lijkt ook te gebeuren door de haartjes op de bladen van deze lupines: het water sluit bijna nergens aan met het blad (er zit een luchtlaagje tussen), maar wel met de haartjes (uitstekende delen).

Hoewel haartjes bij planten dus helpen om water op enige afstand te houden van het blad, kunnen ze tegelijk de wateropname uit de lucht bevorderen. Doordat de haartjes uitsteken, vergroot dit het volume waaruit ze water kunnen oppikken. En als er eenmaal een druppeltje gevormd is, heeft dat slechts een heel klein contactpunt nodig (weinig contactspanning) om toch aan zo’n haartje te blijven hangen. Vaak hebben die haartjes trouwens een schubachtige structuur (niet noodzakelijk zichtbaar met het blote oog), wat zorgt voor extra ruwheid; dit vergroot het contactoppervlak nog verder.

Waterdruppel op het blad van een lupine.Eens de druppel gevormd is, rolt hij door de aanwezigheid van de haartjes minder snel weg. Dit kan uitgelegd worden aan de hand van een energiebarrière. Als je zelf een druppel water in het midden van zo’n blad legt (bij de nerf, althans als daar geen haartjes staan), zal die mooi naar beneden rollen. Als het water echter – zoals dat op de foto – nog geen contact heeft met het bladoppervlak, zal het daar ook niet spontaan naartoe beginnen bewegen, omdat het dan eerst zijn opppervlaktespanning (ten minste tijdelijk) moet verhogen. (Dit effect zou je “pinning” van de contactlijn kunnen noemen.) Door met het blad te schudden, voeg je zelf wat energie toe. Hierdoor kan de energiebarrière eventueel overwonnen worden, waardoor minstens een deel van het water alsnog van het blad zal afstromen.

In elk geval een boeiend onderwerp! Zelfs de schrijvers van handboeken zoals “Functional Surfaces in Biology” weten nog niet alle details.

Aanvulling (6 maart 2014, 20u):

Foto toegevoegd (met toestemming). Op het web staan er trouwens nog veel mooie foto’s van waterdruppels op lupines (kijk maar hier, hier, of hier).

feb 26

Over nepartikels en nepconferenties

Prietpraat.Sinds de Sokal-affaire is het alom bekend dat niet alle academische tijdschriften even hoge standaarden hebben om iets te publiceren. In de meeste vaktijdschriften is er peer review, waarbij één of meerdere collega’s uit hetzelfde vakgebied een inzending beoordelen. Dit systeem is uiteraard niet waterdicht, want mensen kunnen zich vergissen. Aan de hand van ogenschijnlijk zorgvuldig gepresenteerde resultaten is het bijvoorbeeld niet altijd mogelijk om te zien of het experiment zelf even zorgvuldig is uitgevoerd.

Toch zou je verwachten dat regelrechte onzin direct door de mand valt bij een aandachtige lezing door minstens één buitenstaander. Wanneer ik zelf als referent optreedt, ben ik altijd uren bezig – zelfs als het een vrij kort artikel is; vaak laat ik het daarna nog even bezinken om er in de volgende dagen een rapport over te schrijven. Daarom blijft het me verbazen dat er geregeld nepartikels door de mazen van dit controlenet glippen.

Vorig jaar had iemand opzettelijk onzinartikels ingestuurd naar open access tijdschriften om te kijken wat er zou gebeuren en hij kreeg daarbij verrassend vaak groen licht. Zijn studie werd toen bekritiseerd omdat hij enkel open access tijdschriften viseerde, terwijl er weinig reden is om te geloven dat het controlesysteem bij betalende tijdschriften wel altijd goed zou werken.

Op de website van Nature wordt er nu inderdaad gewag gemaakt van computer-gegenereerde nepartikels die verschenen zijn in betalende tijdschriften (van twee grote wetenschappelijke uitgevers). Het gaat om meer dan honderdtwintig artikels over computerwetenschappen die in conferentie-bijdragen zijn verschenen tussen 2008 en 2013. (Dit bericht op de Eos-website vat het nieuws in het Nederlands samen.)

Het is nog onduidelijk wie er achter de inzending van de huidige nepartikels zit. (Er staan natuurlijk namen vermeld op de artikels, maar het is nog de vraag of deze aan bestaande onderzoekers toebehoren en zo ja, of de mensen in kwestie al dan niet op de hoogte zijn van ‘hun’ inzending.) Het is dus ook nog niet geweten wat de motieven waren van de inzender(s).

Zelf denk ik dat het om fictieve inzendingen van grotendeels fictieve conferenties zou kunnen gaan. Ik heb hier vandaag iets over geschreven op NewAPPS (een Engelstalige groepsblog die vooral gelezen wordt door filosofen).

In mijn Engelstalige blogstukje staan er meer details, dus kopieer ik dat hieronder (na de vouw).
Lees verder »

feb 25

Oneindige regressie

Oneindige regressie met het woord 'Editorial'.Gisteren is het maart-nummer van filosofietijdschrift Synthese verschenen. Dit themanummer over oneindige regressies was een initiatief van Professor Jeanne Peijnenburg, die me vroeg om mee te werken als gastsamensteller. Onze rol was die van spelverdeler: eerst een openbare oproep doen aan filosofen om een artikel in te sturen en ook specifieke mensen uitnodigen om dit te doen, dan de inzendingen filteren en referenten aanschrijven om de eventueel bruikbare artikels te beoordelen en uiteindelijk de knoop doorhakken over wat er wel en niet gepubliceerd wordt.

Het resultaat is een themanummer dat vijf artikels bevat alsook een redactionele inleiding van Jeanne Peijnenburg en mezelf. Ik had een regressie-achtig plaatje gemaakt voor deze ‘editorial‘, maar omdat dit de uiteindelijke publicatie niet gehaald heeft, plaats ik het bij dit bericht.

Hieronder zie je de cover van het themanummer. Ook de inhoudsopgave staat online (al is zonder toegang via een universiteitsbibliotheek enkel de inleiding vrij toegankelijk).

Speciaal nummer van Synthese.

Speciaal nummer van Synthese (volume 191, nummer 4) over het regressieprobleem.

Het thema van ons nummer is het regressieprobleem. Een regressie duikt op als je iets wil verklaren, maar de gegeven verklaring zelf ook weer een verklaring lijkt te vereisen. In sommige gevallen leidt dit tot een oneindige keten van verklaringen. Daarbij wordt het troebel of het geheel nu wel of niet verklaard is, omdat er geen duidelijk startpunt is, geen zekere grond waar de hele keten van kan vertrekken. Om die reden hebben oneindige regressies een slechte naam, maar recente publicaties – onder andere van Jeanne Peijnenburg en David Atkinson – hebben aangetoond dat sommige vormen van oneindige regressies weldegelijk gestaafd kunnen worden.

Hun resultaat heeft te maken met oneindige regressies in de probabilistische kenleer. Stel dat een uitspraak op een oneindige keten van rechtvaardigingen berust, die elk een waarschijnlijkheid kleiner dan één hebben. Traditioneel wordt aangenomen dat de waarschijnlijkheid van de uitspraak als geheel dan ofwel onbepaald is, ofwel nul. Peijnenburg en Atkinson hebben echter aangetoond dat het – althans in sommige gevallen – mogelijk is om aan de uitspraak een welbepaalde waarschijnlijkheid groter dan nul toe te schrijven.

Terwijl het regressieprobleem meestal in de context van argumentatietheorie besproken wordt, gaan de artikels in dit nummer over oneindige regressies in de beslistheorie, de wetenschapsfilosofie en de formele epistemologie.

Oneindige regressie met schildpadden.Om het regressieprobleem aanschouwelijk te maken, kunnen we gebruik maken van een frivool voorbeeld: in een oud mythologisch wereldbeeld rust de (platte) aarde op de rug van een gigantische schildpad (soms ook een olifant). Dan kun je je de vraag stellen waar die schildpad dan op rust: andere schildpadden misschien? Als je hier “ja” op antwoordt, dreig je in een oneindige regressie te belanden, omdat je dan voor elke volgende schildpad hetzelfde kunt beweren. Uiteindelijk is de conclusie: “It’s turtles all the way down“. Dit idee heb ik ook gebruikt om een plaatje te maken bij onze oproep voor inzendingen voor het speciale nummer van Synthese.

Beide regressieplaatjes zijn handmatig gemaakt. Ik heb overwogen om een programmaatje te schrijven om automatisch regressieplaatjes mee te genereren, maar uit tijdsgebrek is dat er uiteindelijk niet van gekomen. Moest iemand hier interesse in hebben, kan ik dat natuurlijk alsnog doen.

Oudere berichten «