De magie van de platenspeler

In de kleurrijke jaren tachtig draaide ik deze kindermusical grijs.We hadden thuis een platenspeler waarop ik vaak luisterde naar sprookjes, de one-man-show van Toon Hermans en een musical ‘Wordt er in de ruimte ook gelezen?’. Natuurlijk kende ik al deze verhalen en liedjes – inclusief krassen, want zo ging dat toen – uit het hoofd en toch was het heerlijk om op een kussen voor de platenspeler te zitten met de zware hoofdtelefoon op. Door deze manier van luisteren – via de hoofdtelefoon of de boxen – zou je haast vergeten dat het principe van de platenspeler ook zonder elektriciteit werkt. De oorspronkelijke fonograaf van Edison, waarover ik eerder al schreef, werkte volledig mechanisch. Aangezien het cruciaal is voor de geluidskwaliteit om de draaisnelheid constant te houden, was het voor latere versies wel handig om hiervoor een elektrische motor te gebruiken. Ook om het geluid te versterken – met boxen of een koptelefoon – is er elektriciteit nodig en met de komst van stereo en high-fidelity is de kop, waar de naald in zit, steeds meer elektronica gaan bevatten. Maar elektriciteit is bij een platenspeler lang niet zo cruciaal als bij pakweg een gloeilamp.

Zelf ‘herontdekte’ ik het principe van de platenspeler twee keer. Een eerste keer kwam dit door een speciale vorm van reclame van een verzekeringsfirma: zij gaven een kartonnen folder uit, met daarop een plaatje. Door het karton op een bepaalde manier te vouwen, kwam één hoek van het karton, waar een naald aan was geplakt, net boven de plaat uit. Als je het plaatje dan met je vinger liet draaien, hoorde je de reclameboodschap. Wonderlijk! (Dankzij het internet kwam ik zojuist aan de weet dat dit systeem ook werd toegepast voor sprookjes.) Er kwam geen elektriciteit of versterking aan te pas. Het was puur mechanisch en hoewel ik het zelf in mijn handen hield, kon ik het toch niet echt begrijpen.

De tweede keer dat ik de magie van de plaat herontdekte was nadat mijn stereoketen met cassette- en platenspeler jarenlang stof had staan vergaren. Ik wilde nog eens naar een plaat luisteren, maar vergat de schakelaar van ‘cassettedeck’ naar ‘platendraaier’ te veranderen. De plaat begon wel te draaien, maar het geluid was heel zacht. Eerst dacht ik dat er een slecht contact was in de kabel naar de boxen, waardoor deze zeer weinig volume gaven. Pas dan realiseerde ik me dat het geluid van de plaat zelf kwam. Opnieuw stond ik verwonderd van dit eenvoudige en toch zo efficiënte mechanisme.

Fragment van een fonautogram uit 1859. De oudst bewaard gebleven stem stamt uit 1860, 17 jaar vóór Edisons uitvinding.Edisons uitvinding van de fonograaf in 1877 kwam natuurlijk niet uit het niets. In 1857 bedacht een Franse drukker, Édouard-Léon Scott de Martinville, de fonautograaf, waarmee je geluiden visueel kon vastleggen, maar niet opnieuw beluisteren. Pas in 2008 werd een fonautogram uit 1860 met behulp van computer terug in geluid omgezet: je hoort een stem die het Franse liedje “Au clair de la lune” zingt. (Intussen zijn er nog meer fonautogrammen uit 1860 gerestaureerd en hier te beluisteren.) Het idee dat wij nu een stem kunnen terughoren uit die tijd, van iemand die dit zelf nooit heeft kunnen beluisteren… Ik krijg er kippenvel van!

Wat wij ervaren als geluid, zijn trillingen van de lucht rondom ons. Het enige doel van de fonautograaf was om die trillingen zichtbaar te maken: wetenschappers gingen aan de slag met stemvorken om de zuivere trilling daarvan op papier uit te zetten en te analyseren. Vervolgens gingen ze experimenteren met meerdere stemvorken en complexere geluiden. Hier bevinden we ons op het terrein van het zuiver wetenschappelijke onderzoek, waar ‘meer weten’ een doel op zich is. De resultaten hebben bijgedragen aan wat wij weten over de fysica van het geluid. Schijnbaar nutteloos onderzoek kan echter tot heel praktische toepassingen leiden: Édouard-Léon Scott de Martinville bouwde zijn fonautograaf louter uit nieuwsgierigheid, maar zette daarmee wel een belangrijke stap in de richting van de praktische platenspeler.

De fonautograaf had al een aantal kenmerkende eigenschappen van Edisons fonograaf: er was een hoorn om het geluid te concentreren en een membraan met een naald om de trillingen te registreren. Ook het mechanisme van de draaiende en opzij-schuivende cilinder was er al. Vervolgens kwam de Franse dichter Charles Cros op het idee dat deze opgenomen geluiden misschien ook weer terug afgespeeld konden worden. Hij stelde voor om een groef in een metalen oppervlak te etsen volgens het opgenomen patroon. Charles Cros liet zijn uitvinding wel officieel registreren, maar hij was niet in de mogelijkheid een werkend prototype te (laten) bouwen. Ongeveer op hetzelfde moment was Edison in Amerika bezig met zijn fonograaf. Hij liet wél een werkend model bouwen en daarom verbinden we zijn naam aan de uitvinding van de platenspeler.

Dit monster fungeert als platenspeler. (Gevonden op Elfwoord, getekend door Ilana R. MacDonald.)Ook de fonautograaf kwam niet uit het niets. In 1807 al had Thomas Young (ook bekend van zijn golftheorie van het licht) een mechanisme bedacht waarmee men de trillingen van een stemvork rechtstreeks kon registreren en tellen. Het apparaatje van Young was niet meer dan een stemvork die tegen een draaiende wasrol trilde en daarin een golvend spoor in achterliet. Dit idee samen met het fundamentele inzicht dat geluid op trillingen berust lijkt onontbeerlijk voor de ontwikkeling van de fonautograaf, die op zijn beurt een rechtstreekse voorloper was van Edisons fonograaf, die via Berliners introductie van de plaat tot onze platenspeler heeft geleid. Toch gaat het niet op om te zeggen dat Thomas Young de platenspeler heeft uitgevonden…

In de geschiedenisles lijkt het vaak of een specifieke uitvinding op een welbepaald moment is gedaan door een welbepaalde persoon, die dan wel een genie moet zijn. In het onderstaand filmpje “Everything is a Remix (Part 3)” van Kirby Ferguson wordt dit afgedaan als een mythe: het pad naar een grote uitvinding is lang en bestaat uit vele kleine stapjes. In de video wordt er weliswaar niets gezegd over de uitvinding van de platenspeler, maar je ziet wel een aantal afbeeldingen van vroege modellen (van 1min24 tot 1min36), die geleidelijk meer op het bekende ontwerp met de grote hoorn gaan lijken. Ook zie je een foto van Edison met zijn fonograaf (rond 7min50).

Creativiteit berust niet op magie, vindt Kirby Ferguson. Bestaat inspiratie dan niet? Jawel, maar het is minder bovennatuurlijk dan vaak gedacht. Een nieuwe vondst is zelden totaal nieuw, maar veeleer een kleine variatie of een nieuwe combinatie van bestaande elementen. Een voorbeeld: Edison vond de gloeilamp niet uit, maar maakte wel de eerste commerciële versie (1min56 tot 2min08). Een ander voorbeeld: de auto werd niet uitgevonden door Henry Ford in 1908; die bestond al in 1885. Ook het systeem van bandwerk bestond toen al (1867). Wat Henry Ford wel deed was deze elementen combineren tot een auto die in massaproductie kon gaan vanaf 1908. Zelf zou Ford gezegd hebben (mijn vertaling van het citaat uit bovenstaande video, van 9min36 tot 9min56):

Ik heb niets nieuws uitgevonden. Ik monteerde eenvoudigweg in een auto de ontdekkingen van andere mensen achter wie er eeuwen van werk stonden… Als ik vijftig, tien, of zelfs maar vijf jaar eerder gewerkt had, dan zou ik gefaald hebben. Zo is het met ieder nieuw ding. Vooruitgang gebeurt wanneer alle vereiste factoren klaar zijn, en dan is het onvermijdbaar. Te onderwijzen dat een relatief klein aantal mensen verantwoordelijk is voor de grootste stappen voorwaarts van de mensheid is de ergste soort onzin.

De magie van de plaat geldt ook voor de CD.

We hebben de voorlopers van de platenspelers besproken, maar platenspelers zelf zijn niet het eindpunt van geluidsopnames. Intussen hebben we CD- en DVD-spelers, maar ook die maken gebruik van een schijf die ronddraait en die spiraalgewijs wordt uitgelezen. In zekere zin is de stap van de platenspeler naar de CD-speler dus veel minder vernieuwend dan het originele concept achter de platenspeler. CD- en DVD-spelers maken overigens gebruik van een laser: opnieuw een voorbeeld van een theoretisch concept zonder direct nut, dat pas later in het echt is gerealiseerd en nu zeer veel praktische toepassing kent. Wie weet wat voor nieuwe uitvindingen ons nog te wachten staan…

Laten we nog één keer het principe van een geluidsopname met een fonograaf of platenspeler herhalen (om het nooit meer te vergeten): geluid brengt een naald aan het trillen en deze trilling wordt in een vaste drager gekrast. Bij het afspelen worden oorzaak en gevolg omgekeerd: als de naald opnieuw langs het spoor geleidt wordt, gaat ze door de hoogteverschillen aan het trillen en deze trilling veroorzaakt geluid. We kunnen in principe niet horen of het nu stembanden zijn die de lucht aan het trillen brengen, of de trillende naald van een platenspeler, of het membraan van een box. Als we niet weten hoe de platenspeler werkt, lijkt het wel tovenarij: een stem uit een doosje.

De uitvinding van de platenspeler doet me denken aan de derde wet van sciencefiction-auteur Arthur C. Clarke:

Any sufficiently advanced technology is indistinguishable from magic.
(Elke voldoende ontwikkelde technologie is ononderscheidbaar van magie.)

Samenvattend lijkt er dus op dat inderdaad alles een remix is en dat vooruitgang ontstaat in de blender van dromers, denkers, techneuten en wetenschappers. Het resultaat is er niet minder magisch om.

Gelijkaardige berichten:

Facebooktwittergoogle_plusredditpinteresttumblrmail

3 Reacties

  1. Pingback: Uiteindelijk kom je altijd bij filosofie terecht » Sylvia's blog

  2. Pingback: Menselijke wrijving in de stad » Sylvia's blog

  3. Pingback: Kerstelfje en de waarheid over TV » Sylvia's blog

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

8 + 1 =