«

»

jun 20

Tiktak

Rupsje Nooitgenoeg.Zoals beloofd: een update over de woordjes van onze peuter (van 20 maanden).

Mijn zoontje zit in bad en hij kijkt in een badboekje van “Rupsje Nooitgenoeg” (een moderne klassieker onder de kinderboeken). Eerst eet de rups van één appel, dan twee peren, drie pruimen, vier aardbeien en vijf sinaasappels. Ik wijs alles aan en tel hardop.

Daarna eet de rups van tien verschillende soorten etenswaren. Nu wijs ik dingen aan en vraag aan mijn zoontje wat het is. Het ijsje herkent hij meteen: “ijs!” Maar in zijn ogen is het cupcakeje ook “ijs”. “Kaas” herkent hij ook, maar de worst en de augurk noemt hij “maan”. Daardoor zie ik dat de getekende, gebogen vormen inderdaad lijken op de pluchen halve maan die op zijn kamer hangt. De lolly kent hij niet, maar hij vindt het een grappig woord dat hij meteen probeert na te zeggen. :-)

Barometer.Ik vind het heerlijk dat hij al zo veel woorden kan uitspreken. Hierdoor krijgen we enig zicht op hoe hij de wereld ziet: vaak is dat anders dan wij, zoals al blijkt uit het maan-voorval. Tweede voorbeeld: de klok noemt hij “tiktak”, maar ook de barometer, de keukweegschaal en de voetpomp noemt hij zo. (Die laatste drie tikken niet, maar ze hebben wél een wijzerplaat.) Derde voorbeeld: honden zijn voorlopig nog “woewoe”, tenzij ze te klein zijn (en dus niet groter dan een kat), dan noemt ons peutertje ze onverbiddelijk “miauw”.

Hij herkent en benoemt merels, kraaien en duiven. Andere vogels zijn gewoon “pieppiep”. (Hij kan ook een pauw nadoen, maar dat is een ander verhaal.) Kleine insecten en spinnetjes noemt hij “mieren”, wat in onze tuin toch in ongeveer een derde van de gevallen juist is.

Zijn woordenschat lijkt deze weken explosief toe te nemen. Zo kan hij ook steeds beter laten merken wat hij wil. Bijvoorbeeld: “pet op” of “drinken”. Vaak beeldt hij dat dan ook nog eens uit, voor het geval we hem toch niet begrepen zouden hebben. Naast “pakken” zegt hij nu ook “dragen” en “paardje” (op de rug dragen en bij voorkeur ook een paard nadoen, maar dat is facultatief).

Naast het uitbeelden gaat ook zijn intonatie erop vooruit. Hij kan ja zeggen op minstens vier manieren, met de volgende subtekst: een dromerige ik-ben-niet-aan-het-luisteren-maar-doe-maar, een kort zakelijk oké, een langgerekte eindelijk, of een uitgelaten joepie (deze “ja” wordt meestal gevolgd door “buitêh!”). Uiteraard kan hij ook nee zeggen op minstens even veel manieren: ongeïntresseerd, uit gewoonte, onverzettelijk, of boos.

“Ik” of zijn naam is er nog niet bij: als hij een foto van zichzelf ziet, zegt hij hooguit “kindje”. (Als hij zichzelf in de spiegel ziet, lacht hij of wijst hij naar zijn buik, dus hij herkent zichzelf wel, denk ik.) Een enkele keer zegt hij “mij”, waarmee hij “van mij” of “mijn” bedoelt; ja, we bereiden ons erop voor dat we dit in de nabije toekomst veel vaker zullen horen. ;-)

Papegaai.Het liedje “Papegaai is ziek” is in de versie van mijn zoontje heel wat korter:

Pappi. Ie-aa. Boem!

Dat vat het goed samen. Maar als ik een liedje voor hem zing, kom ik er niet zo snel vanaf, want tijdens de laatste regel zegt hij al “nog”. Drie maal is scheepsrecht bij onze peuter.

Aanvulling (3 juli 2014):

Het weekend nadat dit bericht online kwam, maakten we een voorzichtige schatting waarbij we op een honderdtal woordjes uitkwamen. (Dit naar aanleiding van het tijdschrift “Brieven aan jonge ouders” van De Gezinsbond, waarin stond dat een ‘typisch’ kind van 21 maanden vier woordjes gebruikt.) Er zaten woorden bij die hij het weekend voordien nog niet gebruikte. En intussen zijn er nog heel wat bij gekomen.

Hij begint ook naar zichzelf te verwijzen: “jij” zegt hij dan. Filosofisch gezien een interessante situatie. Gelukkig volgt de taalontwikkeling geen strikt logische wetten, want anders stonden we hier aan de rand van een paradox. (Zijn eigen naam herhalen weigert hij nog steeds.)

7 comments

Naar het reactie formulier

  1. Lilith

    Haha, dat lijkt me een geweldige leeftijd! :-) Binnenkort zijn de ‘waarom’-vragen wellicht aan de beurt…

    1. Sylvia Wenmackers

      Ah, de waarom-fase, daar kijk ik eigenlijk wel naar uit. We herlezen alvast onze “Calvin & Hobbes”-strips ter voorbereiding (selectie hier).

  2. PJ Swinkels

    ‘Nog’, iedere ouder kent dat woordje. Mijn zusje – een stuk jonger dan ik – zei altijd ‘nonkeer’, voor ‘nog een keer’. Ik herinner me nog dat mijn vader voor het slapen gaan altijd een verhaaltje kwam vertellen, op een gegeven moment – altijd veel te vroeg – kwam dan de formule: En toen kwam er een varkentje met een lange snuit, en die blies het hele verhaaltje uit. Wanhopig kon ik worden van die woorden. Nee nee nee, nog niet. meer meer meer. Nog! Ik ben bezig aan een tekst over rare verbasteringen (voetbal zit in de weg). Zelf duidde ik als kind een snoepje aan met het woord ‘monkey’. Niemand wist waar ik dan vandaan had gehaald, zelf heb ik ook geen idee. Ik snoep nog altijd graag, en als ik een zuurtje of een toffee in mijn mond stop, denk ik nog vaak: Mmm, monkey!

    1. Sylvia Wenmackers

      ‘Nonkeer’ lijkt verdacht veel op West-Vlaams, maar ik neem aan dat je zusje even Nederlands was als jij. Jammer dat de herkomst van die ‘monkey’ niet meer te achterhalen is. Bij mijn zoontje merk ik dat bij woorden die hij nog niet goed kan uitspreken wel vaak dezelfde soort veranderingen optreden (l die r wordt aan het begin van een woord; middelste lettergrepen die wegvallen; etc). Misschien komt het van ‘mond’ + ‘die’, maar voor eender welke hypothese is het nu te laat om vergelijkingsmateriaal te verzamelen. En het kan natuurlijk ook altijd een toevallig brabbelwoord geweest zijn, waar dan enthousiast op gereageerd is waardoor het is blijven hangen.

      Over voetbal gesproken, heb je dit al gelezen, over Borges en voetbal?

      1. PJ Swinkels

        Ik heb dat verhaal ooit gelezen, maar gek genoeg wist ik niet meer dat het van Borges was. Het idee is prachtig: wat wij te zien krijgen, is een spel, maar dan in de betekenis van opgezet spel, een simulacrum. Maarten ‘t Hart heeft een paar keer iets vergelijkbaars beweerd: volgens hem vormden de lage scores een bewijs voor het feit dat voetbalwedstrijden nep zijn. de doelen waren immers zo groot, aldus Maarten, en de spelers konden zo hard en zuiver schieten, dat er onvoorstelbaar veel doelpunten zouden moeten vallen indien iedereen zijn stinkende best deed. Ook dat is een fascinerende gedachte, en roept de vraag op waarom het zo moeilijk is om te scoren, want voetballers kunnen inderdaad hard en zuiver schieten, en het doel is erg groot. De journalist Nico Scheepmaker heeft geprobeerd om de argumenten van ‘t Hart te weerleggen. Zijn tekst is te vinden in de bundel Rembrandt heeft nooit gevoetbald (ook weer een boeiende titel, nietwaar?).

  3. karl

    Als je in de bibliotheek komt: ‘De taalontwikkeling van het kind’, van Anne Marie Schaerlaekens. Echt eens ontlenen. Ik heb nog in Leuven van haar les gekregen, en daar is heel veel van bij gebleven.

    1. Sylvia Wenmackers

      Bedankt voor de tip, Karl! Ik wou al langer eens een goed boek lezen over dit onderwerp, maar ben niet zo thuis in dit domein, dus wist niet meteen waar te beginnen.
      Het boek waar je naar verwijst is ook online raadpleegbaar op DBNL (De Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren).

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *


− 4 = vier

Je mag deze HTML-tags en attributen gebruiken: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>