Tag Archief: filosofie

Dus ik pas in mijn koffer

Deze column is in licht gewijzigde vorm verschenen in het septembernummer van Eos.

Robot dreams: deze dromerige illustratie stond op de kaft van de eerste verhalenbundel van Isaac Asimov die ik ooit las.Waar komen grappen vandaan? Over die vraag gaat Jokester (Grappenmaker), een kort sciencefictionverhaal van Isaac Asimov uit 1956 over de oorsprong van humor. (Ik las het in de bundel “Een robot droomt”.) Asimov gaat uit van onze ervaring dat grappen hooguit variaties zijn op versies die we van anderen hoorden, alsof er nooit nieuwe grappen ontstaan. (Als je dit niet herkent, bedenk dan dat het geschreven is lang voor Twitter bestond.) In zijn verhaal blijkt humor een experiment te zijn van buitenaardse wezens – een experiment dat ophoudt zodra de mensen de oorsprong ervan ontdekken. Het is dus niet zonder risico dat ik in deze column de herkomst van een grap onderzoek.

Het grapje in kwestie steekt de draak met de klassieke logica. U hebt het vast al eens gehoord:

Ik pas in mijn kleren
en mijn kleren passen in mijn koffer,
dus ik pas in mijn koffer.

Uit twee ware aannames en een schijnbaar logische denkstap, wordt er hier een onware conclusie getrokken. Je kan het dus net zo goed een paradox noemen. Om een paradox op te lossen zijn er drie mogelijkheden: ofwel is één van de aannames onjuist, ofwel deugt de denkstap niet, ofwel is de verrassende conclusie toch waar.

(meer…)

Reisverslag: vakantie en werk in Stockholm

Stockholm.

Zicht op Gamla Stan (eiland van de oude stad) en het Rådhus (stadhuis, net onder de motors) tijdens de aankomst van onze heenvlucht naar Bromma, Stockholm.

Stockholm.Eind augustus reisden we – lief, zoon & ik – naar Stockholm. Eerder (in voorhistorische tijden voor wat dit blog betreft) bezocht ik al Denemarken en Noorwegen, waardoor ik er erg naar uitkeek om ook eens naar Zweden te gaan. Het was onze eerste vliegreis samen, maar de kleuter was er nauwelijks van onder de indruk. Het weer in Stockholm was zonnig en zacht tijdens ons verblijf (terwijl er ons vanuit België berichten over een hittegolf bereikten) en we hadden een fijne tijd in de hoofdstad van Scandinavië.

Stockholm.

Te oordelen naar het aantal foto’s dat ik ervan maakte, was ik een beetje verliefd op deze fontein. ;-)

(meer…)

Komt de toekomst naar ons toe of gaan wij naar de toekomst?

ikhebeenvraag.beHet korte antwoord is nee. Hieronder de langere toelichting evenals het antwoord op een andere vraag over tijd. Beide antwoorden schreef ik voor de website “Ik heb een vraag” (mijn nieuwe hobby).

~

Fulkan vroeg:

“Gaan wij naar de toekomst of komt de toekomst naar ons?

Hoe kan ik mij tijd het best voorstellen? Als een tunnel waarin wij voortbewegen in de richting van de toekomst? Of eerder als een tunnel waarin we stilstaan, en de toekomst naar ons komt? Wat is tijd?”

Mijn antwoord aan Fulkan (link).

Beste Fulkan,

In het gewone taalgebruik hebben we allerlei suggestieve uitdrukkingen over tijd: “de tijd stroomt”, “de tijd gaat voorbij”, … Hierdoor zou je kunnen denken dat de toekomst naar ons komt. Anderzijds is het duidelijk dat wij het zijn die veranderen in de tijd. Dus misschien stromen we mee met de tijd en komt de toekomst wel naar ons?

Helaas blijken beide opties onhoudbaar:

  • Het idee dat de toekomst naar ons komt (of dat tijd voorbijgaat) is problematisch. We zouden dan namelijk moeten kunnen zeggen met welke snelheid de toekomst nadert. Je zou kunnen proberen antwoorden met “één seconde per seconde”, of “één uur per uur”, maar als je dit uitwerkt krijg je gewoon het getal 1, zonder eenheid: dat is helemaal geen snelheid. Het vergelijken van de tijd met een rivier die voorbijstroomt is dus enkel een metafoor.
  • Het idee dat wij naar de toekomst gaan is eveneens problematisch. (We kunnen opnieuw de vraag stellen naar snelheid, met hetzelfde probleem.) We kunnen wel door de ruimte bewegen en dat kunnen we enkel doen als er ook een tijdsverloop is. (Als ik 0 seconden krijg, kan ik me niet verplaatsen.) Vandaar het idee dat we meebewegen met de tijd, maar dat we naar de toekomst gaan is wellicht ook enkel beeldspraak (een analogie met de manier waarop we door de ruimte kunnen bewegen).

Mij spreekt het beeld dat we met ons gezicht naar het verleden gericht achterwaarts naar de toekomst toe vallen, omdat we ons het verleden herinneren en de toekomst niet (wat te maken heeft met de pijl van de tijd). Maar het is ook niet meer dan dat: een mooie metafoor.

Je stelt de vraag binnen de rubriek Fysica, maar – vreemd genoeg misschien – zegt deze wetenschap vrij weinig over wat tijd is en nog minder over onze subjectieve ervaring ervan. In de meeste takken van de fysica wordt tijd gebruikt als variabele, maar niet echt onderzocht als onderwerp.

Een belangrijke uitzondering hierop is de speciale en de algemene relativiteitstheorie. Hieruit is een beeld over tijd en ruimte ontstaan als een vierdimensionaal geheel – ‘ruimtetijd’ genoemd. Alle gebeurtenissen in het universum hebben vier coördinaten in de ruimtetijd en als je dit ‘blokuniversum‘ van buitenaf zou kunnen beschouwen (vanuit het niets en vanuit nooit, wat natuurlijk niet echt kan), dan zou je tijd niet zien stromen en evenmin iets anders zien bewegen in de tijd. Momenten zouden naast elkaar bestaan, net zoals ruimtelijke punten.

Om dit te relateren aan onze ervaring binnen het blokuniversum is er een filosofische theorie voorgesteld die de spotlichttheorie van de tijd wordt genoemd. Als we in het donker onder een spot staan, kunnen we maar een kleine afstand van ons af zien. Net zo kunnen we maar een zeer klein interval van de tijd waarnemen. Deze theorie laat echter onbeantwoord waarom dit zo zou zijn. Als het ‘lampje’ met ons meebeweegt in de tijd, lijkt er alsnog iets te bewegen in het blokuniversum, wat ingaat tegen de bedoeling ervan. Uiteindelijk is het dus niet duidelijk of de spotlichttheorie van de tijd iets oplost, of enkel meer problemen opwerpt.

Er zijn fysische theorieën die proberen tijd te verklaren als iets dat kan ontstaan uit een onderliggende werkelijkheid zonder tijd, maar dit is nog in volle ontwikkeling. Het is dus te vroeg om een sluitend antwoord te geven op je laatste vraag “Wat is tijd?” Voor iets dat we dagelijks ervaren weten we er bijzonder weinig van! Anderzijds zou je je kunnen afvragen: als vissen wetenschap hadden, hoe lang het dan zou duren voor ze zouden ontdekken dat er zoiets als water is? Juist omdat het zo alomtegenwoordig is en we niet zonder kunnen, is het moeilijk om over tijd na te denken en er experimenten mee te doen.

Misschien zal de toekomst het ons leren…

Vriendelijke groeten,
Sylvia

~

Jonathan vroeg:

“In de theorie van het blokuniversum wordt gesteld dat verleden, heden en toekomst bestaan. Wat is een correcte interpretatie hiervan?

Omdat de informatie op het internet in dit verband ofwel te technisch en wiskundig is ofwel door populaire bronnen wordt gebruikt voor de meest wilde theorieën, slaag ik er maar niet in om een verstaanbare en tegelijk betrouwbare interpretatie van deze theorie te vinden… Mijn basisvraag is de volgende: de stelling dat verleden, heden en toekomst bestaan, geldt die volgens de aanhangers van het blokuniversum alleen op een algemeen universeel niveau, meer bepaald vanuit de interpretatie dat er geen universele tijd bestaat en dat er vanuit het standpunt van 2 verschillende waarnemers met verschillende snelheden zeer moeilijk over gelijktijdigheid (en bijgevolg eenzelfde indeling in verleden, heden en toekomst) kan worden gesproken? Of geldt dit ook vanuit het perspectief van 1 enkele waarnemer? vb. het ervaren van mijn geboorte, mijn huwelijk, mijn overlijden door enkel en alleen mezelf > op het moment dat ik mijn huwelijk ervaar, zijn mijn geboorte en mijn overlijden volgens de theorie dan in dezelfde vorm aanwezig in het blokuniversum? En wordt dit dan beschouwd als 3 chronologische momenten van 1 object, of als 3 momenten van 3 objecten = onze identiteit als illusie. Alvast bedankt voor de opheldering :-)”

Mijn antwoord aan Jonathan (link).

Blokje tijd.

Afbeelding door BRYAN CHRISTIE uit Scientific American.

Beste Jonathan,

Het blokuniversum staat voor de vier-dimensionele ruimtetijd en wordt als universeel gezien (dus niet waarnemer-gebonden). Hierin kunnen we voorwerpen voorstellen die gedurende zekere tijd bestaan en zich eventueel ook ruimtelijk verplaatsen; dit wordt dan een ruimtetijd-worm genoemd.

Op het bijgevoegde plaatje zie je een illustratie. Hierbij worden voor de eenvoud 2 ipv 3 ruimtelijke dimensies getoond. Verder doen we even of de aarde op een vaste ruimtelijke positie staat (wat natuurlijk niet zo is), terwijl de maan rond de aarde draait: dit zorgt voor een spiraalvormige ruimtetijd-worm voor de maan.

Deze voorstelling kan je ook op mensen toepassen. Een mens in het blokuniversum correspondeert met een ‘worm’ die begint bij de geboorte en eindigt bij het overlijden.

Filosofisch kan je nu verschillende posities innemen over de vraag wat een persoon dan is: zijn we de hele ruimtetijd-worm (en is er dus op elk moment maar een deel van ons aanwezig) of zijn we op ieder moment een andere doorsnede van zo’n ruimtetijd-worm (wat dichter aansluit ben ons taalgebruik: “hier ben ik”). Dat is een leuke discussie, maar hoort dan eerder in de rubriek Wijsbegeerte en niet onder Fysica, waar je vraag nu onder gerubriceerd is.

Specifiek vraag je nog “op het moment dat ik mijn huwelijk ervaar, zijn mijn geboorte en mijn overlijden volgens de theorie dan in dezelfde vorm aanwezig in het blokuniversum?” Die gebeurtenissen corresponderen inderdaad met onveranderlijke gebieden in het blokuniversum. Nu kan het lijken of ze ‘tegelijk’ gebeuren vanuit het perspectief van het blokuniversum (wat paradoxaal lijkt), maar die conclusie hoef je niet noodzakelijk te trekken. Als je je het blokuniversum als geheel voorstelt, dan kijk je namelijk vanuit een perspectief dat buiten de ruimtetijd van ons eigen universum valt. Dit is een (denkbeeldig) perspectief vanuit nergens en nooit (buiten de gewone tijd).

Wat de chronologie betreft: voor de persoon zelf wordt de ervaren chronologie bepaald door middel van de eigentijd (tijd horend bij een meebewegend assenstelsel); voor een snelbewegende waarnemer is het wel mogelijk om gebeurtenissen in het leven van een ander persoon in een andere volgorde te zien. Verschillende waarnemers zullen het blokuniversum namelijk in verschillende richtingen ‘in schijfjes’ snijden om aan te duiden welke gebeurtenissen volgens hen (d.w.z. vanuit een met hun meebewegend assenstelsel) gelijktijdig zijn.

Anderzijds zullen alle waarnemers bij heel wat gebeurtenissen het wél eens zijn over de chronologie (doordat het oppervlak van lichtkegels absoluut is). Om hier meer over te weten, moet je op zoek naar informatie over tijd-, ruimte-, en lichtachtige intervallen (hier bijvoorbeeld op de Engelstalige Wikipedia).

Vriendelijke groeten,
Sylvia

Reaction to “Believing the unlikely”

Over on OUPBlog, Martin Smith wrote a blog post, related to his book “Between Probability and Certainty: What Justifies Belief” (that I haven’t read yet). He presents an example in which, he claims, it is rational to believe the unlikely. Please read his blog post first, then return here to read my reaction below. :-)

Laplace quote.

TL;DR: I’m still a Laplacian on this matter. ;-)

(meer…)

Kans op chocoladetaart

Zopas verscheen mijn artikel (samen met Jan-Willem Romeijn) “New theory about old evidence” in de papieren versie van het filosofische vaktijdschrift Synthese. Het is open-access, dus je kan het artikel integraal online lezen. Naar aanleiding van dit artikel schreef ik vorig jaar een column voor Eos, die ik nu ook online plaats.

Op = op!

Deze column is in licht gewijzigde vorm verschenen in het januarinummer van Eos (2016).

Waarschijnlijkheid is als een chocoladetaart: je hebt er maar honderd procent van en eens die verdeeld is, is het op. Als je een muntstuk opgooit zijn er twee mogelijke uitkomsten: kop of munt. Als je vijftig procent kans toekent aan de ene mogelijkheid, dan blijft er automatisch vijftig procent over voor de andere.

Wetenschappers kennen niet alleen waarschijnlijkheden toe aan mogelijke uitkomsten, maar ook aan hypotheses. Biologen doen bijvoorbeeld onderzoek naar de vraag hoe plantenwortels reageren op de aanwezigheid van voedingsstoffen of zware metalen in de bodem. Stel dat ze aanvankelijk acht hypotheses hebben, die ze ongeveer even plausibel achten. Elke hypothese krijgt waarschijnlijkheid één achtste. Het is als een feest met acht gasten: je deelt de taart in acht gelijke stukken en iedereen is tevreden.

Uiteraard kunnen wetenschappers hierover van mening verschillen: als de hypotheses opgesteld zijn door acht teams van biologen, dan is het best mogelijk dat elk team de eigen hypothese het meest waarschijnlijk vindt. Ieder team wil als het ware het grootste stuk taart voor zichzelf. Dat klinkt erg subjectief, maar dat hoeft geen groot probleem te zijn, zolang ze maar overgaan tot de volgende stap: het doen van experimenten, hun resultaten delen en op basis daarvan hun oordeel herzien.

De stelling van Bayes zegt precies wat we moeten doen als we nieuwe informatie krijgen: op basis van onze oorspronkelijke waarschijnlijkheidsverdeling en de experimentele evidentie bekomen we de nieuwe waarschijnlijkheid van alle hypotheses. Als sommige hypotheses minder waarschijnlijk worden, worden de andere automatisch meer waarschijnlijk. De som blijft immers honderd procent. Je kan het je ongeveer zo voorstellen: je hebt de taart eerlijk verdeeld, maar dan blijken enkele gasten op dieet te zijn en schuiven ze de anderen extra stukjes toe.

Waarschijnlijkheid is als een chocoladetaart.

De kansrekening gaat ervan uit dat we op voorhand alle opties kennen, maar als je waarschijnlijkheden wil toekennen aan wetenschappelijke hypotheses is die aanname niet realistisch. Wetenschappers bedenken namelijk gaandeweg nieuwe hypotheses. De teams van biologen zien bijvoorbeeld dat geen enkele van de vooraf bedachte hypotheses de experimenten goed kan verklaren en gaan op zoek naar een alternatief.

De stelling van Bayes, die ons leert hoe we de waarschijnlijkheid moeten herverdelen tussen de hypotheses die van meet af aan meededen, zegt niet wat er gebeurt als er een nieuwe hypothese op de proppen komt. Als wetenschapsfilosoof buig ik me over die vraag: hoe moeten we nu waarschijnlijkheden toekennen aan de huidge hypotheses als we weten dat er later nog alternatieve opties kunnen worden bedacht?

Stel je het volgende scenario voor: je geeft een verjaardagsfeest en je hebt de taart net aangesneden en uitgedeeld onder de genodigden. Dan gaat de bel: er staat een onverwachte gast aan de deur. Wat nu gedaan? Er zit niets anders op dan blozend de taart te herverdelen.

Als je veel familie en vrienden hebt die graag spontaan langskomen, dan leer je op den duur een stuk taart opzij te zetten in de koelkast. Ook als je nog niet weet wie het dit jaar zullen zijn, toch kan je je voorbereiden op die eventuele laatkomers. Als je het slim aanpakt, geef je bijvoorbeeld telkens de helft van de hoeveelheid taart die je nog hebt. Als er dan meer mensen opdagen dan verwacht, kan je ze altijd nog een stuk aanbieden. En anders heb je zelf nog een stukje de dag nadien.

Kan je zoiets ook doen voor toekomstige wetenschappelijke theorieën? Het antwoord is “ja”: één mogelijkheid is om een catch-all-hypothese te maken. Dat is een hypothese die zegt: “Geen van bovenstaande”. Een soort rommellade waar je later specifieke hypotheses uit kan opvissen. Zo kan je alvast enige waarschijnlijkheid reserveren voor het geval er een nieuwe hypothese wordt bedacht. De catch-all-hypothese zegt dat wellicht nog niet alle hypotheses zijn aangekomen en de waarschijnlijkheid die we vooraf aan die mogelijkheid toekennen, kunnen we achteraf herverdelen.

De kans dat de wetenschap ooit af is lijkt me zeer klein. En als het tegen de verwachting in toch gebeurt, heb ik nog een stuk chocoladetaart in de koelkast.

Motivating scientists for philosophy

In recent years, there have been a number of high profile scientists who have spoken dismissively about philosophy. There was a recent case, to which a philosopher responded in a public letter (actually, a blog post). On a different philosophy blog, there was the idea to crowd-source a “Philosophy cheat sheet” for scientists. I copy my reaction below.

Some suggestions for scientists who are already interested in philosophy can be found in this earlier post.

~

This is an interesting suggestion! To introduce a cheat sheet, a motivational letter could be useful too: tell them first why it may be relevant for them. This is my (incomplete) proposal for such a letter.

Dear Scientist,

You belong to a respected profession, that is nevertheless not very well-known by the general public. You may have wondered how to counter stereotypes like the “mad professor” or how to prevent common misconceptions about your particular field of research.

In Philosophy, we have a very similar situation: to people outside our field, it is typically not clear what we do. In addition, unlike Science, Philosophy is often mocked for being pointless, outdated, or worse. You may have similar opinions. However, as a scientist, you are probably open to falsification of your own prior ideas. Ask yourself how you came to this position. Maybe you heard it from your teachers or colleagues, but do you think they really delved into it themselves, or could this just be a myth that is being passed on? Or maybe you read a philosophy book once and really did not like it, but surely this body of evidence is too small for a general dismission of an entire field of research.

It would be nice if you refrained from dismissing Philosophy in public, but there is more: learning more about Philosophy might actually help you with your own mission.

  1. Philosophy, science, and art have a rich and intertwined history. Read up on it! Being a curious person you will find it fascinating. Textbooks on science tend to distort the history of the discipline due to the brevity with which the topic is discussed and because they copy each other rather than returning to the primary sources. Prepare to be amazed by what you will learn about your own field. :-)
  2. f you draw a Venn diagram of famous philosophers and famous scientists, you will find that the intersections contains many elements. Think about Pythagoras, Descartes, Newton, and Galilei, to name a few. Einstein was well-versed in philosophy, too. Maybe it is time for a reunion.
  3. Scientists are typically not trained to reason about science as a whole, its role in society, and the relation between science and other human endeavors (including philosophy). If you do want to address such meta-questions in a meaningful way, it will pay off to educate yourself about the philosophy, history, psychology, sociology, … of your field. As a scientist, you do not need to do this to be good at your work, but as a curious human being, you will probably enjoy it. In addition, it will improve your teaching and communication with a wider audience. So it may be worthwhile to look into it, if you engage in either of these.
  4. A lot of contemporary philosophy is analytic philosophy. It is more similar to science than to literature. It relies on formal models, such as logic and probability theory. Some of the logics (yes, plural) used by philosophers may not be relevant to your work, and that is fine. Yet, some parts of analytic philosophy address questions directly relevant to very active research fields in science. You might enjoy learning more about this.

Sincerely,
a Philosopher of Science

~

Further thoughts welcome.

Brief aan een theoloog (over planet nine)

Misleidend plaatje want de nieuw gepostuleerde planeet is niet rechtstreeks waargenomen.Op KU Leuven Blogt schreef professor Bénédicte Lemmelijn een blogbericht over planet nine: lees het hier. Aangezien ze zelf aangeeft dat ze een “beperkt positief-wetenschappelijk begripsvermogen” heeft, heb ik de gelegenheid te baat genomen om enkele punten toe te lichten vanuit wetenschapsfilosofie en -geschiedenis.

Achteraf zag ik dat er op Twitter veel negatieve reacties waren op de aankondiging van het blogbericht. Lieven Scheire noemde het ‘creationisme light‘. Ik vind het vooral jammer dat er nog zo veel misvattingen zijn over wetenschap, maar anderzijds zie ik het ook als een kans om zelf over wetenschap te vertellen. Vandaar dat ik mijn reactie ook hieronder plaats.

~

Beste Bénédicte,

Het viel me op dat u in het tweede deel het woord “deductie” gebruikt. De term die me hier passender lijkt (ook gezien de titel en de rest van uw stuk) is “abductie” (in het Engels “inference to the best explanation”). Dit is een redeneervorm, geen bewijsvoering. U schrijft de conclusie van de wetenschappers neer als: “er moet een planeet zijn die dit alles veroorzaakt.” Hier wijst het woord “moet” echter niet op logische noodzakelijkheid, zoals bij deductie. “Moet” of “moet wel” kan in het Nederlands inderdaad ook een abductie aangeven. (Zie deze samenvatting van een studie hierover.)

Er zijn in de loop van de geschiedenis overigens wel vaker planeten gepostuleerd op basis van indirecte waarnemingen. Soms succesvol (Neptunus), soms ook helemaal niet (Vulcanus)! Laten we die laatste optie hier toch ook niet uit het oog verliezen: in de wetenschap is het cruciaal dat voordien plausibel geachte hypotheses steeds verworpen kunnen worpen op basis van nieuwe waarnemingen en inzichten.

Wetenschappers zelf spreken zelf trouwens zelden of nooit categorisch over bewijs of feiten. Het gaat in de wetenschappen om (zeer) hoge waarschijnlijkheid en coherentie met bestaande kennis. Wanneer er voor dezelfde hypothese meerdere, onafhankelijke proeven en berekeningen zijn die haar bevestigen, wordt de waarschijnlijkheid steeds hoger. Planet nine heeft dus nog een lange weg te gaan voor deze hypothese op gelijke hoogte komt met, pakweg, de hypothese dat de aarde een natuurlijke satelliet heeft.

Er zijn geen voldongen feiten, wel een aantal hypotheses die tot op heden elke test hebben doorstaan.

Om dit uit te leggen gebruik ik in mijn colleges over wetenschapsfilosofie een levende boom als metafoor voor wetenschap. (Zie ook bv deze pdf p. 17.) Nieuwe hypotheses of studies zijn als twijgjes aan de boom. We kunnen niet bij voorbaat weten welke twijgjes uitgroeien tot dragende takken van de boom. Daarvoor moet het eerst vele stormen en snoeibeurten doorstaan. En zelfs een houten tak kan later gesnoeid moeten worden. (Dat de aarde een maan heeft behoort in dit beeld tot de stam, planet nine is slechts een twijgje op een uitloper van de kruin.)

Een andere metafoor die ik soms gebruik is een spel waarbij gezegd wordt “de tafel plakt niet”. Dit werkte ik uit in mijn essay “Children of the Cosmos” (zie p. 2).

Vriendelijke groeten,
Sylvia

PS: Het is een detail, maar ik wou toch opmerken dat ik de formulering “een soort zwaartekracht” heel vreemd vond. Sinds Newton spreken we van “universele gravitatie”, precies omdat er maar één soort zwaartekracht gevonden is – op aarde en erbuiten.

~

Aanvullingen 9 maart 2016:

Professor Lemmelijn was ’s avonds op Radio 1 (de dag dat haar blog gepubliceerd was) en ook daar hoorde ik geen teken van creationisme. Maar ze gebruikte wel opnieuw “deductie” schijnbaar als synoniem van “wetenschappelijk denken”, wat echt een misvatting is (weliswaar een wijdverbreide).

Intussen schreef studentenblad Veto ook over de kwestie: “Creationisme is boerenbedrog” met als ondertitel “Creationisme aan de KU Leuven: God is niet meetbaar”. Ze hebben hiervoor verschillende mensen gecontacteerd. Ook met mij werd een kort telefonisch interview afgenomen en dit heeft tot enkele quotes geleid. (Zelf ben ik er niet helemaal tevreden over. Twee zinnen is gewoon te kort om hier iets zinnigs over te kunnen zeggen.)

Overigens denk ik dat de heftige reacties op het stuk van Lemmelijn wijzen op een allergie aan religie. Zelf probeer ik zo tolerant en open mogelijk te zijn en dus ook te blijven luisteren naar mensen die vanuit een gelovig perspectief over wetenschap nadenken. (En waar nodig bijsturen.) Bij polarisatie is niemand gebaat.

Omdat ik mijn eigen filterbubbel zo ruim mogelijk wil houden, heb ik na dit blogbericht beslist om bijvoorbeeld ook Cees Dekker te volgen via Twitter. Cees Dekker is een bekende gelovige natuurkundige in Nederland, die vroeger intelligent design aanhing, waar hij rond 2008 wel afstand van genomen heeft. Vervolgens heb ik Lemmelijns blogbericht onder de aandacht van Dekker gebracht en hij schreef “Ik heb sympathie voor haar standpunt. Maar het kan het gevaar van een god-van-de-gaten idee meebrengen.”

Het thema “wetenschap en religie” lijkt trouwens in de lucht te hangen dezer dagen. Zie onder andere:

Suggestions regarding philosophy (for scientists)

I received a question from a Ph.D. student in science, who is interested in philosophy and philosophy of science. He had done quite some reading, mainly of the classics, and requested some recommendations for navigating the philosophy of science literature. Below is a slightly redacted version of my reply.

  • If you are in a similar situation, I posted this for you!
  • If you are a philosopher, feel free to add additional suggestions (or indicate parts you disagree with).

Thank you for your question. Always interesting to ‘meet’ people who have a similar background and who are interested in philosophy / philosophy of science! :-) I never did a systematic study of philosophy myself, so I think I know the situation you describe. ;-) But I do think I can help you with some suggestions. Here they are:

* If you want to get some idea of which subbranches exist in philosophy and how actively they are being researched, take a look at the PhilPapers index. (It functions as an archive of pre- and postprints in philosophy).

You probably already noticed “the great divide”: there is ‘continental’ philosophy (which is more similar to literature) and ‘analytical’ philosophy (which relies more on logic and mathematics). The former used to be dominant in Europe, and the latter more in the Anglo-American world, but analytical philosophy is becoming mainstream everywhere.

* If you still want/need a general introduction to phrases and methods that are common to many areas of philosophy, check out “The Philosopher’s Toolkit” by Baggini. (You can check the index e.g. on Amazon: if you don’t know most of the words in the section titles, this is probably a good book to start with.)

* A good general introduction to philosophy of science is James Ladyman’s “Understanding Philosophy of Science”. (I have used it for an introductory course and found it very intelligble.)

* You might want to supplement this with readings in philosophical logic, but I don’t know a good starting point (sorry).

* After this I would suggest reading a “Cambridge Companion to …” (or similar) on a particular subbranch of philosophy that interests you. For instance, philosophy of physics (or a different science). If you are also interested in ethics, then you will be better off with philosophy of technology, but I am less familiar with that area. My own specializations include philosphy of probability, time, and infinity. So I can make more specific recommendations for these; just ask me!

* In general, SEP is a very good source, so each time you see a topic of interest or a philosophical term that you don’t know but are interested in, start there! (The search function is not great, though, so just use Google and add SEP as a search term.) If you follow-up on some of the links or sources in the bibliography you will always be reading relevant material.

* My colleagues and me have just founded “Philosophy of Science Leuven” (PSL) to make the philosophers of science activities more visible to people outside our research centre. Our website is not ready yet, but you can already use it to subscribe to one or more e-maillists in case you want to be informed of lectures on those topics. Alternatively, you can also just check out the events at this website. We have regular meetings on Friday afternoons (starting 3pm), but occasionally also at other times. Always welcome!

* Have fun exploring!

Best wishes,
Sylvia

PS: If you want to have some idea of what philosophers gossip about, currently this website is the place to be. ;-)

PPS: If you ever consider publishing in a philosophy journal or switching careers, be forewarned that publishing is much more difficult than in science or engineering. There are very few ‘good’ journals, so the acceptance rate is very low and the turn-around time is insanely long at some of these popular journals (years!). Except for the journals that use triple-blind refereeing, most of them are double blind; this means the editors see the names of the authors and there are many desk-rejections, especially for authors that are not famous (yet). I don’t like this at all about my new field. :( Rarely any of the ‘good’ journals have impact factors, so what is considered ‘good’ is just a reputation thing as well and it takes quite some time to learn about these unwritten rules. :/

Addendum (11pm):

My colleague Pieter Thyssen (Ph.D. in theoretical chemistry, currently doing research in philosophy of physics) has two further suggestions (via Twitter). He wrote: “also loved reading Curd & Cover’s Central Issues in the Philosophy of Science” and “Another one I liked a lot was Alan Chalmers’ What is this Thing Called Science?”

Addendum (14 Jan.):

Thanks to David De Wolf for pointing me to the following blogpost written by Tomas Petricek: “Philosophy of science books every computer scientist should read“. Another vote for “What is this Thing Called Science?” Hm, maybe I should read that sometime. ;-) The other suggestion are primary sources and I like this selection. For instance, I usually assign my students at least one chapter of Paul Feyerabend’s “Against Method”, too. :-)

Op zoek naar de X-factor van kennis

Op 24 september gaf ik het inleidende hoorcollege voor het Junior College Wijsbegeerte over het thema “Waarheid”. De opname ervan plaatste ik toen al op mijn blog.

Op 27 november gaf ik het afsluitende college. In het eerste deel ging ik in op de vraag wat kennis is. We bespraken een voorstel voor een definitie voor kennis die een relatie maakt met waarheid. Dit voorstel is: “kennis is gerechtvaardigde, ware overtuiging”. (In het Engels “Knowledge is Justified True Belief”, of symbolisch: K=JTB.) Dit voorstel komt al voor in een dialoog tussen Socrates en Theaetetus geschreven door Plato en daar worden er al meteen tegenargumenten voor gegeven. Meer recent zijn er heel wat tegenvoorbeelden bedacht door onder andere Russell en Gettier. (Onderzoekers in de kenleer spreken daarbij van “Gettier-gevallen”.) Dit roept de vraag op of het voorstel verbeterd kan worden: is er nog een X-factor die ontbreekt? Moeten we specifieker zijn over wat de met rechtvaardiging bedoeling? Of zouden we het beter over een heel andere boeg gooien?

De opname van dit eerste deel is hier te bekijken (link filmpje):

Na de pauze ging ik in op het thema paradoxen, met extra aandacht voor de paradox van Newcomb, waar ik al eerder over blogde (hier en hier). Bekijk de opname van het tweede deel hier (link filmpje):

Wat is de kans dat jij geboren bent?

Over mijn deelname aan FameLab eerder dit jaar heb ik verschillende blogposts geschreven. Ook de opnames van de Belgische finale staan al enige tijd online. Maar blijkbaar ben ik vergeten de opname van mijn pitch ook hier te plaatsen.

Terwijl ik tijdens de voorrondes uitlegde hoe zeepbellen aan hun kleuren komen, deed ik in de finale een poging om in drie minuten antwoord te geven op volgende vraag:

“Wat is waarschijnlijkheid?”

Geen sinecure, gezien ik vorig jaar een heel vak heb gegeven over deze en aanverwante vragen uit de filosofie van de kansrekening. ;-)

Het was in het Engels, maar er staan Nederlandse ondertitels bij. Bij deze dus, mijn drie minuten over kansrekening:

[error]Opgelet, de ondertitels zijn niet door mij gemaakt en er zit een cruciale fout in. Ik zeg “70 trillion“, maar ik gebruik short scale. In het Nederlands correspondeert dat niet met “70 triljoen”, maar ‘slechts’ met “70 biljoen” (70*10^12)![/error]

Transcriptie van de Engelstalige versie: na de vouw.

(meer…)