Tag Archief: foto

Togaselfie

Vandaag was ik lid van de jury bij een doctoraatsverdediging aan de Universiteit Utrecht. Dit is een verslagje over zowel de inhoud (het proefschrift) als de vorm (de toga).

***

Inhoud: onderbepaaldheid van wetenschappelijke theorieën

Pablo Acuña Luongo schreef een scriptie over onderbepaaldheid van theoriekeuze in de wetenschappen en dit aan de hand van twee gevalstudies uit de fysica. Zijn promotor was professor Dennis Dieks (aankondiging1 & 2).

De eerste gevalstudie behandelt de ethertheorie van Hendrik Lorentz (en Henri Poincaré) versus de speciale relativiteitstheorie van Albert Einstein (en Hermann Minkowski). In dit geval zijn wetenschappers tot de duidelijke consensus gekomen dat Einsteins theorie de voorkeur geniet. Deze voorkeur is ondermeer te begrijpen doordat de ethertheorie van Lorentz minder goed samenhangt met andere (latere) theorieën dan die van Einstein (waaronder Einsteins eigen algemene relativiteitstheorie).

Deze casus was ook het onderwerp van Acuña Luongo’s masterscriptie (die online staat), waarmee hij in het academiejaar 2012-2013 een prijs won (zie ook hier). Hij gaf toen dit interview over zijn werk, dat meteen een goede samenvatting geeft.

Lorentz versus Einstein.

Lorentz versus Einstein. (Bron afbeelding: DUB.)

De tweede gevalstudie behandelt de standaard kwantumtheorie (in de formulering van John von Neumann en Paul Dirac) versus de Bohmse mechanica. De mechanica van David Bohm is een verborgen-variabelen theorie die deterministisch is (weliswaar ten koste van niet-lokale effecten). Over de keuze tussen deze theorieën is er nog steeds geen consensus onder natuurkundigen. Beide kampen hebben fervente voor- en tegenstanders. Mijn thesisbegeleider van destijds verkoos bijvoorbeeld de Bohmse theorie (zoals ik eerder vermeldde). De Bohmianen zijn in de minderheid, maar de standaardtheorie geeft aanleiding tot heel wat verschillende interpretaties (waaronder de veel-wereldeninterpretatie), waardoor hun kamp intern sterk verdeeld is.

***

Vorm: onderbepaaldheid van togareglementen

Voor deze gelegenheid mocht ik een toga aan. Of dat terecht was, is nog maar de vraag:

  • In Vlaanderen wordt de titel ‘professor‘ toegekend vanaf het moment dat iemand tot het zelfstandig academisch personeel behoort. De graad (docent, hoofddocent, hoogleraar, gewoon hoogleraar) speelt daarbij geen rol.
  • In Nederland wordt de titel ‘professor’ enkel toegekend aan iemand die de graad van hoogleraar heeft. Nederlandse universitairen die docent of hoofddocent zijn, gelden er niet als professor en zij dragen bij promoties ook geen toga.

Vanaf oktober ben ik onderzoeksprofessor in Leuven in de graad van docent. Het was me dus niet duidelijk of ik dan wel of niet een toga mocht dragen: moet je professor zijn of hoogleraar om een toga te dragen? Aangezien dit in Nederland synoniemen zijn, maar in Vlaanderen niet, is dit niet zo duidelijk.

Zelf zou ik op hoogleraar gokken, maar de thesispromotor besloot dat ze mij – en ik citeer – “bij deze gelegenheid best al in een toga kunnen hijsen”. En aangezien hij hoogleraar is en ik niet, heb ik maar braafjes geluisterd. Hoe zou je zelf zijn? ;-)

Ik heb de toga-situatie aan de KU Leuven nu eens opgezocht: de “professorale toga” wordt er gedragen vanaf de graad van hoofddocent – dus niet door alle professoren, maar de grens ligt evenmin bij de graad van hoogleraar. Extra verwarrend voor Vlaamse hoofddocenten in Nederlandse jury’s, maar in mijn geval suggereert het dat ik vandaag geen toga had mogen dragen. Anderzijds mag ik in Leuven wél een toga dragen, denk ik, namelijk de “doctorale toga”.

Kortom, of ik in Utrecht nu al dan niet terecht een toga heb gekregen, is mij nog steeds niet duidelijk. Om deze puzzel op te kunnen lossen zijn twee doctoraten blijkbaar niet genoeg. ;-)

Aangezien ik zelf geen toga in de kast heb hangen, werd het een Utrechtse leentoga.

Leentoga.

Leentoga.

Het thuisfront had om bewijzen gevraagd, maar er was geen fotograaf aanwezig bij de verdediging. (Dat gebeurt soms wel.) In de vergaderzaal hing er een spiegel naast de kast met baretten, dus maakte ik daar snel een togaselfie.

Togaselfie.

Togaselfie.

Bevindingen: lekker warm, zo’n toga. Daar kan ik wel aan wennen, geloof ik.

Opmerkelijk: de baret moet af tijdens het zitten, behalve voor vrouwen – die mogen zelf kiezen of ze de baret ophouden of niet als ze gaan zitten.

Voornemen: volgende keer niet huppelen, maar waardig schrijden. Dus niet denken “Joepie, ik heb een toga aan”, maar zwaarwichtige dingen denken, die ook de tred wat bezwaren.

Hm, zou “ingetogen” etymologisch verwant zijn aan “toga”, denk je?

Ode aan de pisbloem

Juliet: “What’s in a name?
That which we call a rose
By any other name would smell as sweet.
– Shakespeare, Romeo and Juliet (II, ii, 1-2)

Het vorige bericht ging over de paardenbloem. Vandaag sta ik stil bij de naam van deze plant in verschillende talen.

Laat maar waaien.

Paardenbloem? Pissebloem? Leeuwentand? Laat maar waaien!

De wetenschappelijke benaming voor de paardenbloem is Taraxacum officinale (waarbij “officinale” verwijst naar medicinaal gebruik van de plant).

Waarom spreken we in het Nederlands eigenlijk van paardenbloemen? De Nederlandstalige naam werd pas officieel vastgelegd in 1906. Het voorvoegsel “paarden-” (in de oude spelling weliswaar zonder ‘n’) vind je ook in de benaming voor wilde kastanjes: “paardenkastanjes”. Op Wikipedia staat de hypothese dat het voorvoegsel “paarden-” waardeloos zou betekenen, maar dat lijkt me ongeloofwaardig, aangezien het paard traditioneel als een edel dier wordt beschouwd. In het geval van de paardenkastanje verwijst ook de Latijnse botanische naam naar paarden en dit wordt (o.a. in de Oxford English Dictionary) uitgelegd als zou men de vruchten in het Oosten gebruikt hebben om paarden van bepaalde kwalen af te helpen. Voor de paardenbloem is me geen soortgelijk verhaal bekend. In het Duits wordt ondermeer Kuhblume gebruikt, letterlijk dus koeienbloem. (Misschien betekent het niet meer dan dat de plant veel voorkomt in paarden- en koeienweides?)

In ons (Maaslandse) dialect spreken we van “pisblóm” en “pisbloem” blijkt ook algemeen Nederlands te zijn (al is de vorm “pissebloem” couranter). Vermoedelijk komt dit van de Franse benaming “pissenlit“. In het Engels zou ook “pissabed” gebruikt worden. Deze benaming verwijst naar de (vermeende) urineafdrijvende eigenschappen van de plantenwortel. (Ook onze benaming “pissebed” voor de diertjes die zich graag onder stenen ophouden gaat terug op het Franse “pissenlit“, ook zo genoemd om het gebruik ervan als waterafdrijvend middel.)

In het Frans wordt naast “pissenlit” ook “dent-de-lion” gebruikt. Dit gaat terug op het Middeleeuws Latijndens leonis” of leeuwentand, wat vermoedelijk verwees naar de getande bladrand. (Voor alle duidelijkheid: het gaat dan om de groene blaadjes van de plant, niet om de gele bloemblaadjes. Op SoortenBank wordt de bladvorm beschreven als lijnlancetvormig en veerspletig.) Via het Frans werd dit in het Engels “dandelion“. Ook in het Duits wordt “Löwenzahn” gebruikt. Let wel: in het Nederlands duidt “leeuwentand” een iets andere bloemsoort aan (Leondoton), weliswaar verwant aan de gewone paardenbloem.

Pluizenbol.

Deze pluizenbol bestaat uit minder en grotere zaadjes dan die van een gewone paardenbloem. Het gaat hier dus om een verwante soort. (Welke precies weet ik niet, want ik heb de bloei van de bloem niet gezien.)

Tegen de rijpe planten zeg ik “pluizenbol” of “blaasbloem”, maar geen van beide woorden blijken algemeen Nederlands te zijn. In het Duits wordt soms ook “Pusteblume” gebruikt, wat ook zoiets als blaasbloem betekent. In het Engels wordt het “seed head“, “blowball“, “puff” of “clock” genoemd. (Dat is handig om te weten als je via internet naar plaatjes zoekt.)

De Engelstalige Wikipedia-pagina heeft benamingen in nog meer talen, waarvan sommige verwijzen naar spelletjes die kinderen spelen met de plant (meestal maar niet altijd met de rijpe vorm). Dit doet me denken aan de naam van de film (uit 1998) “Blazen tot honderd” (die ik trouwens nooit gezien heb).

Pluizenbol.

In het Engels worden rijpe paardenbloemen “dandelion clocks” genoemd. (Afbeelding uit “The Dream Coach” door Anne en Dillwyn Parrish, 1924 via deze link; zelf ingekleurd.)

Gebruik jij een ander (dialect-)woord voor paardenbloem? Hoe noem jij zo’n pluizenbol? Laat een reactie achter!

Pluisjes (oplossing fotoraadsel)

Vandaag plaats ik de oplossing van het meest recente fotoraadsel. Maar eerst herhaal ik de dubbele opgave.

Deel 1

Dit zijn geen balletschoentjes. Wat is het wel?

Rara, wat is het wel?

Dit zijn geen balletschoentjes. Rara, wat is het dan wel?

Deel 2

En dit zijn geen tientallen oogjes. Wat is het wel?

Rara, wat is het wel?

Dit zijn geen tientallen oogjes. Rara, wat is het dan wel?

Er kwamen acht gokken binnen: drie via SciLogs en vijf via mijn eigen blog.

  • Voor de eerste foto werd er gegokt op iets plantaardigs (Lilith), zaadjes of zaaddoosje van een paardenbloem (Tim en G. Nauwelaerts) en meeldraden (Gerda van Etten).
  • Voor de tweede foto werd er gegokt op een aardbei (Tim), een zaadje met dauw erop (G. Nauwelaerts), een ouderwetse knoop (Liese) en een stampertje (Gerda van Etten).

(Het antwoord lees je na de vouw!)
(meer…)

Huiszwaluw

“Eén zwaluw maakt de lente niet.”
– Aristoteles, Ethica Nicomachea, Boek I
(Link naar de passage in een Engelstalige versie)

Huiszwaluw.

Huiszwaluw vliegt aan bij de nesten van een kolonie.

Soms voel ik me een huismus. Knus tussen mijn boeken, knuffelen met mijn zoon, of in de tuin zitten met mijn lief. Maar ik ga ook graag op congres en dat betekent: reizen. Dus misschien is de huiszwaluw een betere totem voor mij. Ik vind zwaluwen alleszins prachtige vogels, met hun dubbele staart, altijd netjes in rokkostuum. :-)

Vroeger bouwden er huiszwaluwen onder de spits van het dak aan het huis van mijn ouders, precies boven de trap aan de deur. Dat was niet altijd zo handig. ;-) Tien dagen geleden zag ik een huis waar een hele kolonie huiszwaluwen nesten gebouwd had onder de dakrand.

Ik maakte er een filmpje van (link):

Zwaluwen zijn ook populair bij sprookjesschrijvers. Denk maar aan het sprookje van Oscar Wilde over “De gelukkige prins“. Maar ook in de zesde eeuw voor Christus inspireerde de zwaluw al meerdere fabels van Aesopus. Eén van deze fabels illustreert de spreuk dat één zwaluw de lente niet maakt: “De jongeman en de zwaluw”, wat in de Victoriaanse tijd “De verkwister en de zwaluw” werd.

Aangezien deze fabel bij ons niet zo bekend is, geef ik hieronder mijn versie van het verhaal:

De brasser en de zwaluw

Er was eens een onbezonnen jonge kerel. Hij verbraste het fortuin van zijn overleden vader aan feesten en gokken. Na een avond zwaar doorzakken bezat hij niets anders meer dan de kleren aan zijn lijf.

De volgende ochtend brak een zachte lentedag aan. Hij zag een zwaluw overvliegen en het vrolijke gekwetter van de vogel klonk als muziek in zijn oren. “De zomer is in aantocht,” besloot de brasser en hij verkocht zijn winterjas, zodat hij letterlijk in zijn hemd stond.

Later die week begon het echter opnieuw te vriezen en de zwaluw bevroor. “Dwaze vogel,” sakkerde de brasser, “je bent veel te vroeg uitgevlogen. Hierdoor heb je niet alleen je eigen trieste lot bezegeld, maar ook mij te gronde gericht!”

Moraal van het verhaal:
Eén zwaluw maakt de lente niet.

Je kunt een Nederlandstalige versie van het verhaal vinden op pagina 75 van dit pdf-bestand. De fabel wordt in het Engels samengevat op Wikipedia en op Wikisource. Een versie in het Latijn kun je hier vinden.

Hemelvaart in blauw

Onlangs zag ik een blauw juweeltje blinken in de beukenhaag. Een kever – een soort snuitkever, denk ik. (Hulp bij de identificatie is welkom.)

Daar moest ik natuurlijk een foto van maken!

Wees gerust, er kwam geen glanslak aan te pas: de dekschilden van dit insect zijn van nature blauw met een waas van turquoois. Een schattig baardje heeft het ook. ;-)

Blauwe kever.

Dit kevertje zat op de beukenhaag te blinken in de zon.

Even later klom de kever naar het hoogste punt van een blad en zag ik dat zijn dekschilden zich openden.

Op goed geluk drukte ik dus nogmaals af. En ja, een lucky shot werd het inderdaad. :-)

Blauwe kever.

Soms loop je een blauwtje…

Blauwe kever.

…en dan ben je weg natuurlijk. ;-)

Rara, wat is het dan wel?

Sinds het laatste fotoraadsel heb ik een nieuwe fotocamera (opnieuw een digitale compactcamera van Olympus). Voor de rest is deze rubriek hetzelfde gebleven: ik maak een foto, knip die een beetje bij en jullie mogen raden wat het is.

Om er weer in te komen, is dit een dubbele opgave. En niet al te moeilijk, denk ik.

Deel 1

Dit zijn geen balletschoentjes. Wat is het wel?

Rara, wat is het wel?

Dit zijn geen balletschoentjes. Rara, wat is het dan wel?

Deel 2

En dit zijn geen tientallen oogjes. Wat is het wel?

Rara, wat is het wel?

Dit zijn geen tientallen oogjes. Rara, wat is het dan wel?

Een tip:

[spoiler]Ja, de twee foto’s hebben iets met elkaar te maken. ;-)[/spoiler]

Laat gerust een gok achter bij de commentaren! Het antwoord volgt over twee weken.

Foto’s van het Feest van de Filosofie

Op het voorbije Feest van de Filosofie werden er foto’s gemaakt door Joeri Thiry van het STUK in Leuven. Hieronder twee foto’s die hij maakte tijdens ons debat over de technologische singulariteit (via de Facebook pagina van het Feest van de Filosofie).

Feest van de Filosofie.

Feest van de Filosofie 2014 in Leuven: professor Philip Dutré tijdens zijn introductie voor het debat. (Foto gemaakt door Joeri Thiry van het STUK; bron.)

Zoals je hieronder kunt zien, heb ik goed opgelet tijdens de filmpjes die professor Dutré liet zien.

Feest van de Filosofie.

Feest van de Filosofie 2014 in Leuven. (Foto gemaakt door Joeri Thiry van het STUK; bron.)

Verboden te spuwen van Shanghai tot Genk

Lampion.In 2008 ging ik samen met Danny naar China. Ik ging er spreken op het wereldcongres over biosensoren in Shanghai en daarna reisden we door naar Peking. (Twee dagen na aankomst terug in België hield ik trouwens mijn doctoraatsverdeding. Ja, dat is ook manier om te ontsnappen aan collega’s die de dagen ervoor aldoor vragen of je al zenuwachtig wordt. ;-) ) Het was onze eerste (en tot nog toe enige) reis naar Azië, dus uiteraard keken we onze ogen uit en maakten we veel foto’s.

Zo legde ik een kleine fotoverzameling aan van verbodsborden: een pictogram met daaronder Chinese tekens en de Engelse vertaling erbij. De eerste foto in mijn verzameling was het verbod op spuwen (bij de metro van Shangai): zie foto hieronder. Verder zagen we bordjes met “No touching” (niet aanraken), “No littering” (geen afval achterlaten), “No loitering” (niet rondhangen), “No vendors” (geen kraampjes), “No crossing” en “No climbing” (allebei bedoeld als: niet over het hek kruipen) en “Dangerous articles prohibited” (dit zal een zeer beknopte vertaling zijn geweest, want het stond onder een lange reeks Chinese tekens, bij vijf pictogrammen met doodshoofden, pistolen, explosieven en meer van dat fraais).

Verboden te spuwen in Shanghai.

Verboden te spuwen in de gangen van de metro in Shanghai (foto uit 2008).

Daar moet ik aan denken terwijl ik in het station van Genk sta aan te schuiven voor het loket. Want, ja, ook hier hangt er tegenwoordig een bordje dat het spuwen verbiedt.

Verboden te spuwen in Genk.

Verboden te spuwen in de stationshal van Genk.

Ben ik de enige die dit een interessant fenomeen vindt? Ik stel er mij veel vragen bij:

  • Is spuwen dan zo’n groot probleem?
    • Helpt zo’n bordje daar dan tegen, of dient het als stok achter de deur als je er iemand op wil aanspreken?
  • Kun je een GAS-boete krijgen als je spuwt?
    • Krijg je er dan twee als je opmerkt dat speeksel geen gas is maar een vloeistof? :-)
  • Zullen dit soort verbodsborden ooit tot archeologisch materiaal gaan behoren?
    • Welk beeld gaan toekomstige generaties dan krijgen van onze tijd?
  • Wat is het origineelste verbodsbord dat jij ooit zag (in binnen- of buitenland)?

Wolkenatlas en brieven aan Doornroosje

Boeken in het hoofd.Bij het begin van een nieuw jaar maken sommige mensen goede voornemens. Anderen kijken uit naar de boeken die ze in 2014 allemaal gaan lezen – Lilith van “Tussen droom en daad” is zo iemand. Zoals ik daar al vertelde in een reactie is het lezen bij mij de laatste jaren sterk afgenomen. (Of ja, ik lees natuurlijk veel voor mijn onderzoek, maar juist omdat ik overdag zo veel informatie moet verwerken, heb ik het moeilijk om ’s avonds rustig te lezen en helemaal op te gaan in een verhaal.)

Vroeger was het anders. Toen had ik een boekenwensboekje: een notitieschrift met daarin alle boeken die ik wou hebben. Ik plakte er recensies in uit tijdschriften of schreef titels op van boeken die ik juist wel al had. Dat was handig om bij me te hebben als ik aan het snuisteren ging in een winkel voor tweedehandsboeken (lees: in de zomer met de trein naar Antwerpen gaan en dan uren in De Slegte doorbrengen), want op den duur wist ik niet meer precies welke boeken van Asimov ik enkel uit de bibliotheek had geleend en welke ik al eens eerder voor een schijntje op de kop had kunnen tikken.

In mijn boekenwensboekje stond er een titel die ik nooit gevonden heb: “Skyscapes“, een salontafelboek met foto’s van de lucht, want wolken zijn inspirerend mooi. (Het is trouwens werk van de Duitse fotograaf Jean Odermatt en de Duitstalige versie van het boek heet “Himmelsland“.)

Cloud Atlas.Mede hierdoor sprak de titel “Cloud Atlas” me meteen aan en toen ik deze roman van David Mitchell (uit 2004) in de winkel opensloeg, leek het me een boek dat ik graag zou lezen. Ik kocht het en begon eraan, maar ik raakte slechts een paar pagina’s ver. Dat is niet erg: boeken zijn geduldig en staan probleemloos jaren op de plank.

Enkele jaren later zag ik “Wolkenatlas”, een vertaling van “Cloud Atlas“. Misschien zou het in het Nederlands beter vlotten, dacht ik. Het boek kopen deed ik wel, maar erin beginnen lezen niet.

Toen kwam de film uit (in 2012) en die hebben Danny en ik ergens midden 2013 bekeken. Daarna was ik er klaar voor: ik las “Wolkenatlas” (geen goede vertaling volgens mij, maar het lijkt me ook een moeilijk boek om goed te vertalen) en mijn lief las “Cloud Atlas“.

Ik wil de laatste twee zinnen met jullie delen (geen zorgen, het verpest niets als je het boek nog wil lezen of de film nog wil bekijken):

“‘[…] & only as you gasp your dying breath will you understand, your life amounted to no more than one drop in a limitless ocean!

Yet what is any ocean but a multitude of drops?

En in de Nederlandse vertaling wordt dit:

“[…] & pas bij het uitblazen van je laatste ademtocht zul je begrijpen dat je leven alles bijeen niet meer is geweest dan een druppel in een eindeloze oceaan!

Maar, wat is een oceaan anders dan een massa druppels?”

Eentje is nooit geentje, dat zei ik toch al! :-)

De eekhoorn schrijft een brief aan zijn vriend, de mier.Bij Lilith staat ook “Brieven aan Doornroosje” van Toon Tellegen op het literaire jaarmenu. Dat ik van het werk van Toon Tellegen hou, dat kon je al vermoeden. En dat ik Doornroosje een interessant personage vind, dat weet je ook. Het zal je dan wellicht niet verbazen dat “Brieven aan Doornroosje” mijn favoriete bundel van Tellegen is.

In 2007 had ik nog geen blog. Anders had ik dit zeker even gemeld: ik ben met mijn lief Danny naar een voordracht geweest van “Brieven aan Doornroosje”. De voorstelling vond plaats in Huis Vanstraelen in Hasselt. Doornroosje van dienst was Rebecca Stradiot: zij las enkele brieven voor (mijn dictie-hart jubelde) en wisselde af met accordeonintermezzo’s, die wonderwel bij de sfeer pasten van een prins die slechts tergend langzaam opschiet. Het zelfbeklag van de prins (uit de brief van “23 juli”) bleek een echte oorwurm: het “allerallerarmste ik” zit tot op heden – zeven jaar later dus, hè – nog vaak in mijn hoofd!

Daarna gaf Danny me “Brieven aan Doornroosje” cadeau en sindsdien verhuist deze bundel geregeld tussen de boekenkast en het nachtkastje. Ik vind het een heel origineel concept én perfect uitgevoerd, dus ik wil het eigenlijk nooit helemaal uitgelezen hebben en daarom lees ik er maar heel zuinig in.

Ook in 2008 had ik nog geen blog. Anders had ik dit toen wel verteld: op maandagavond 8 september 2008 gingen we naar een voorstelling op de universitaire campus in Enschede (waar Danny toen nog werkte). Op het programma stond “Het Wisselend Toonkwintet”, waarbij Toon Tellegen dierenverhalen en gedichten voorlas onder muzikale begeleiding. Hoewel de soundscape me soms eerder stoorde dan dat hij iets toevoegde, zaten er ook wel leuke vondsten in. Het was dus een heerlijke luisteravond in het Amphitheater van het Vrijhof.

Toon Tellegen en Het Wisselend Toonkwintet.

Toon Tellegen en Het Wisselend Toonkwintet in Enschede (september 2008).

Op het einde van mijn zwangerschap las ik ’s avonds soms een dierenverhaaltje voor uit “Misschien wisten zij alles”, in de hoop dat mijn zoontje mijn stem zo beter zou herkennen. Op dit moment heeft ons kleintje voorkeur voor prenten- en flapjesboeken, maar hopelijk kunnen de korte verhaaltjes van Tellegen snel weer in het repertoire opgenomen worden. ;-)

Kinderspel

Dit stukje is in licht gewijzigde vorm als een column verschenen in Eos.
(Jaargang 31, nummer 1, rubriek “Scherp gesteld”.)

Young Scientist.Mijn zoontje is één jaar. Het is leuk om te zien hoe hij de wereld ontdekt, veelal letterlijk: hij kijkt graag onder het tafellaken en onder het tapijt. “Kinderen zijn net kleine wetenschappers,” wordt vaak beweerd. Maar klopt dat ook? Veel jonge kinderen lijken inderdaad geïnteresseerd in planten en planeten, en hoe de dingen om hen heen in elkaar zitten. Bovendien hebben recente studies aangetoond dat kinderen in hun spelgedrag patronen vertonen die ook in het wetenschappelijk onderzoek van pas komen: hypotheses vormen en deze testen door te experimenteren.

Laura Schulz is professor in de psychologie en leidt aan het MIT een groep die onderzoek doet naar de cognitieve ontwikkeling van jonge kinderen. In 2012 publiceerde ze in het vaktijdschrift “Trends in Cognitive Scienceseen overzichtsartikel waarin ze parallellen aanduidt tussen hoe kinderen kennis vergaren en hoe wetenschappers dat doen. Een voorbeeld: soms kun je de beweging van dingen die je ziet, verklaren door aan te nemen dat er nog iets is dat je niet ziet. Wetenschappers veronderstellen het bestaan van onzichtbaar kleine deeltjes en zwarte gaten, maar ook vier- en vijfjarigen gaan op zoek naar blokjes achter een ondoorzichtig gordijn als de blokjes vóór dat gordijn zich onvoorspelbaar lijken te gedragen.

Om te spelen 'alsof' moet je logisch kunnen nadenken en verbanden leggen.Andere ontwikkelingspsychologen halen hun inspiratie uit de manier waarop wetenschappers zich in gedachte-experimenten voorstellen wat er in een denkbeeldige situatie zou gebeuren. Daphna Buchsbaum en drie co-auteurs (onder wie Alison Gopnik) publiceerden in 2012 een onderzoek rond de vraag of jonge kinderen ook “tegenfeitelijk” kunnen denken. De kinderen kregen te horen dat een gek blokje een “zando” is en hoe een zando een muziekmachine kan laten werken. Vervolgens kregen ze vragen over wat een blokje (geen zando) zou kunnen als het wél een zando was. Nadat alle blokjes weggenomen waren, werd hen gevraagd om te doen alsof ze een zando hadden. Drie- en vierjarigen die meer oorzakelijke verbanden inbouwden in dit fantasiespel,  bleken precies degenen te zijn die het er goed vanaf hadden gebracht met de wat-als-vragen. (Zie ook deze link.) Wetenschappelijk denken lijkt dus kinderspel.

Maar kinderen zijn helemaal geen kleine wetenschappers. Kleine kinderen hebben juist een magisch wereldbeeld: ze vullen de gaten in hun kennis op met fantasie-elementen. Het valt me op dat kinderen die logisch nadenken, vaak tot foute conclusies komen, omdat ze gewoon te weinig basiskennis hebben. Een voorbeeld: “Mijn vader bromt als hij boos is en de stofzuiger bromt ook, dus die zal wel boos zijn.”

Telekinese.Wist je trouwens dat babies aan telekinese doen? Wie kleine kinderen heeft, herkent volgend scenario misschien: als ons zoontje op zijn speelmat zit, spant hij soms zijn armen helemaal op en kijkt hij dwingend naar een blokje dat een meter verder op de mat ligt. Hij wil het blokje naar zich toe. Toen hij nog niet kon kruipen, werkten deze pogingen tot telekinese prima: wij zagen welk stukje speelgoed hij wou hebben en gaven het hem aan. Sinds hij kan kruipen, zijn wij ermee gestopt hem alles aan te reiken, maar hij heeft de hoop nog niet definitief opgegeven.

Zelf maakte ik als kind in een keteltje eens een mengsel van gras, roest, krijt en enkele kiezelstenen. Ik deed het deksel erop en schudde flink. Toen ik het deksel optilde, kwam er damp uit het keteltje. Ik was blij dat mijn experiment iets bijzonders had opgeleverd, maar tevens een beetje bang van deze transmutatie. Pas enkele dagen later kwam ik erachter dat er geen magische damp uit het keteltje kwam, maar dat het verpulverde krijt voor die stofwolk zorgde.

Toen ik in de derde kleuterklas zat, deden we een heksendans voor het schoolfeest.

Toen ik in de derde kleuterklas zat, deden we een heksendans voor het schoolfeest. Wetenschappers waren we toen nog niet. Op de foto zie je mij (bovenaan rechts), vriendin R (bovenaan links) en vriendje K (onderaan links).

Een wetenschapper was ik toen nog niet. Mijn amalgaam van proefneming en wensdenken had meer gemeen met alchemie. Maar de natuurwetenschappen zelf zijn ooit opgeborreld uit een magisch laboratorium. Zelfs Newton, de vader van de moderne fysica, was een alchemist. Het is goed om te beseffen dat wetenschap een relatief jonge menselijke bezigheid is: de wetenschappelijke revolutie ligt slechts vier eeuwen achter ons.

Ik zie kinderen dus eerder als kleine tovenaars dan als mini-wetenschappers. Anderzijds droeg de wetenschap in haar eigen kindertijd ook een heksenkleedje.