Tag Archief: kansrekening

Face to face met het onbekende

Hoe kun je jezelf van gedachten doen veranderen?

Verschenen als artikel in Eos december 2020

Wat is het allerbelangrijkste waarover jij ooit van gedachten bent veranderd? We hebben al­lemaal overtuigingen, die een invloed hebben op de patronen die we in onze levens weven. Om deze opvattingen te analyseren moeten we voorbij de patronen kijken. De draden onderzoeken kan een eer­ste stap zijn om de patronen te veranderen, maar dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan.

Ondanks mijn ervaring als natuurwetenschapper en filosoof blijkt het moeilijk om rationele principes toe te passen in doordeweekse contexten. Om die moeilijkheid te illustreren, vertel ik hier over de meest persoonlijke kwestie waarover ik van gedachten ben veranderd. Maar laat ik bij het begin beginnen, dus bij de oorsprong van mijn initiële overtuiging.

De eerste foto in mijn babyalbum lijkt op een foto van de maanlanding. Ze is het resultaat van een echo die mijn moeder liet nemen aan het begin van 1980, toen ze in verwachting was van mij. Echografie als niet-invasieve methode om een ongeboren kind te onderzoeken is te­genwoordig heel populair. Tijdens een gewone zwanger­schap wordt dit onderzoek in België nu minstens drie keer uitgevoerd. Maar destijds was het nog relatief onge­bruikelijk. Mijn ouders hadden bewust voor dat onder­zoek gekozen, omdat mijn vader zowel een familielid had met het syndroom van Down als een naaste die geboren was met een open rug (spina bifida).

Om die reden liet mijn moeder ook een vruchtwater­punctie uitvoeren. Hierbij wordt een staal genomen van het vruchtwater, dat cellen van de foetus bevat: daarin kunnen eventuele chromosomale afwijkingen worden opgespoord. Omdat hiervoor dus de vliezen doorgeprikt moeten worden, houdt de staalname zelf een zeker risico in. Deze invasieve procedure wordt daarom ook nu nog enkel aanbevolen als er specifieke bezorgdheden zijn.

Mijn ouders waren opgelucht toen ze de uitslag van beide onderzoeken kregen. Veel later heeft mijn moeder weleens gespeculeerd dat haar gynaecoloog misschien toch iets gezien had op de echo, zonder het haar te zeg­gen. Maar de beeldvorming was gewoon nog niet zo ver­fijnd als nu.

Sprookjes en vragen

‘Wat heef ik daar? Dat heef jij niet!’ zou ik als peuter te­gen haar gezegd hebben, toen we thuis samen in de spie­gel keken. Dat was de eerste keer dat ik de littekens op mijn bovenlip opmerkte. Zelf herinner ik me dat moment natuurlijk niet, maar ik weet dat ze me heeft uitgelegd dat ik geboren was met een gespleten lip en gehemelte.

Ze zal me ook verteld hebben dat een dokter dat had dichtgenaaid toen ik nog een baby was, waarna ik nor­maal had kunnen eten en leren praten. Ze gebruikte niet het woord ‘hazenlip’ – dat woord heb ik later op de speel­plaats geleerd. Nog later hoorde ik de kaakchirurg spre­ken van een schisis. Schisis kan verwijzen naar een lip-, kaak- of gehemeltespleet, of een combinatie daarvan.

Naarmate ik groter werd, kwamen er nog veel meer vragen in me op. Iets dat ik bijvoorbeeld niet begreep was waarom andere kinderen me plaagden omwille van mijn lip, terwijl ik daar toch niets aan kon doen. Het was ook niet de fout van mijn ouders: zij hadden geen enkele reden gehad om een baby te verwachten met een lip- en gehemeltespleet. Het was hen gewoon overkomen, totaal onverwacht. De maanlandingsfoto in mijn babyalbum toonde juist aan dat ze er alles aan hadden gedaan om goed voorbereid te zijn. Ik herinner me de opluchting die ik voelde toen ik begreep dat zij geen schuld droegen.

De reactie van mijn moeder was fantastisch. ‘Het is goed dat dit kindje bij mij gekomen is,’ dacht zij, ‘want ik zal er met heel mijn hart van houden en het alle extra zorgen geven die het nodig heeft.’ En dat voornemen maakte ze waar. Ze praatte veel tegen me en las me al sprookjes voor toen ik nog in de wieg lag, in de hoop dat het me zou helpen om goed te leren praten.

Ik ben inderdaad vroeg beginnen praten en de pas­sieve kennis van de woordenschat uit boeken gaf me een voorsprong op school – evenals een levenslange liefde voor boeken. Geleidelijk realiseerde ik me hoe uitzonder­lijk haar onmiddellijke vastbesloten liefde voor mij was, want soms werd ze door het ziekenhuis gevraagd om met ouders te gaan praten die het moeilijker hadden om te aanvaarden dat hun baby geboren was met een schisis. En het duurde nog langer om te begrijpen hoe menselijk ook die reactie was.

Hayv Kahraman, Threading My Moustache (2010) link

Gekneed door een mythe

Als ik vragen had waarop ook mijn ouders het antwoord niet wisten, stelden ze voor dat ik ze stelde aan een specia­list. Zo vroeg ik aan de kaakchirurg bij wie ik in behandeling was of mijn kinderen ook een hazenlip zouden hebben. Zo blij als ik was dat mijn ouders niets te verwijten viel voor mijn geboorteafwijking, zo bang was ik om het defect door te geven, want dan meende ik wel schuldig te zijn.

Wel, antwoordde hij, jouw kinderen lopen evenveel risico als die van eender wie, maar je kleinkinderen zou­den het kunnen hebben. Ik was erg jong op dat moment, dus ik herinner me niet woordelijk wat de dokter heeft gezegd. Ik herinner me wel dat ik er achteraf met mijn ouders over heb gepraat. Ze hebben toen zeker vermeld dat lipspleten ‘een generatie overslaan’. Intussen weet ik dat er geen kenmerken zijn die consistent een generatie overslaan, maar deze mythe heeft het verloop van mijn leven grondig veranderd.

Deze gesprekken waren namelijk de reden waarom ik toen heb besloten nooit kinderen te krijgen. Het was het risico niet waard! Ik wilde mijn kinderen niet belasten door mijn defect door te geven aan hun toekomstige kin­deren. En omdat ik geen kinderen wilde, hoefde ik niet te trouwen. Dat was maar beter ook, want andere kinderen leken mijn gezicht toch niet leuk te vinden. Ondertussen zeiden volwassenen tegen me dat het jammer was dat ik niet als jongen geboren was, want ‘uiterlijk is minder be­langrijk voor mannen’ en ze kunnen altijd een snor laten groeien als ze opgroeien. Wat ik met die informatie aan moest, dat weet ik nog steeds niet.

“Zo blij als ik was dat mijn ouders niets te verwijten viel voor mijn geboorteafwijking, zo bang was ik om het defect door te geven”

Alleen en kinderloos blijven zou me een hoop verdriet besparen, besloot ik. Je kunt op voorhand afwijzen wat onbereikbaar lijkt.

In de biologieles op de middelbare school leerden we de basis van de mendeliaanse genetica. Die laat zien hoe een recessief gen in de ene generatie onuitgedrukt kan worden doorgegeven en in de volgende kan verschij­nen. Het volksgeloof dat er eigenschappen zouden zijn die dat systematisch doen is dus een mythe. Hoewel de overerving van een gespleten lip ingewikkelder is en niet op school werd behandeld, leidde ik eruit af dat mijn kin­deren (in plaats van mijn kleinkinderen) gevaar zouden lopen. Het bevestigde mijn eerdere beslissing om nooit een gezin te stichten.

Stigmatisering gaat verder dan sociale uitsluiting: je gaat al snel anticiperen op afwijzing, je maakt je kleiner dan je bent, onzichtbaar haast, wat de negatieve impact versterkt. Opgroeien met littekens beperkte mijn moge­lijkheden tot spontane zelfontplooiing.

‘Alleen omdat we van nature met elkaar verbonden zijn, kunnen we ons eenzaam of geïsoleerd voelen’, zei Jürgen Habermas in een herdenkingsrede op 11 november 2004 in Kyoto (link naar pdf). Hij groeide op met een gehemeltespleet, waardoor hij moeilijk kon praten en zwaar gepest werd. Die vroege ervaringen inspireerden zijn latere werk in de sociale en politieke filosofie, zo vertelde hij tijdens de lezing. Die lezing had hij trouwens helemaal uitgeschreven, omdat hij nog steeds niet graag onvoorbereid spreekt.

Onwetendheid als zegen

Toen een jongen in mij geïnteresseerd leek, had ik mede­lijden met hem: hij moet wel blind zijn, of heel wanhopig, dacht ik. Ondanks de voor de hand liggende nadelen van dit pessimisme hielp deze mentaliteit me om me te concentreren op mijn schoolwerk en om daarna een uit­dagende studie in de natuurkunde en filosofie te kiezen. Toch werd ik op een gegeven moment verliefd op de man die de vader van mijn kind en mijn echtgenoot zou wor­den. Dus ergens is er toch iets fundamenteel veranderd: precies daarover gaat dit stuk.

Toen we als twintigers begonnen te daten, werkten we beiden aan een doctoraat in de fysica. Hij vroeg me of mijn littekens het gevolg waren van een hondenbeet. Nee, van een gespleten lip, antwoordde ik. Hij kende iemand anders die dat had. En dat was dat. Ik stond er versteld van hoe gemakkelijk hij het ter sprake bracht en hoe gemakkelijk hij mijn antwoord accepteerde, zonder het af te wimpelen. Hij leek niet blind of wanhopig.

Het onderwerp kinderen kwam snel genoeg ter spra­ke. Ik zei hem dat als hij echt kinderen wilde, hij niet bij mij moest blijven. Hij bleef toch. Ik vertelde vrienden dat als ik ooit aankondigde zwanger te zijn, ze gerust moch­ten aannemen dat het een ongelukje was. Toch had ik zo’n scenario niet verwacht, want ik was de koningin van de dubbele bescherming.

Als ik ’s morgens vroeg les moest geven, gebruikte ik bijvoorbeeld zowel een wekkerradio als een ouderwetse wekker. Omdat de manieren waarop deze methodes kun­nen falen onafhankelijk zijn (stroomonderbreking versus mechanisch defect), is de kans dat ze tegelijkertijd falen het product van de kansen op falen voor elk van hen. Het vermenigvuldigen van twee kleine kansen resulteert in een zeer klein risico. Hetzelfde geldt voor anticonceptie. De pil en condooms zijn op zich al betrouwbare vormen van anticonceptie als ze zorgvuldig worden gebruikt. De combinatie bood een vangnet voor het vangnet: iets waar ik echt op kon rekenen.

Wat ik in geen van mijn berekeningen had voorzien, was dat ik degene zou zijn die beide vormen van bescher­ming zou loslaten en het idee om zwanger te worden volledig zou omarmen. Toen we erover spraken, zei mijn vriend: ‘Je hebt jezelf gehersenspoeld om te geloven dat je geen kinderen mag krijgen.’ Daar zat een kern van waarheid in. En toen het onderwerp ter sprake kwam in een gesprek met een vriendin en collega die een kind had, was haar spontane reactie: ‘Maar een hazenlip is niet het ergste dat kan gebeuren!’ Opnieuw zeer waar.

Spina bifida, hartaandoeningen en wie weet welke andere aangeboren aandoeningen er bestaan: ze kunnen allemaal ernstigere gevolgen hebben voor het leven van een kind en zijn ouders. Maar voor geen van die moge­lijke complicaties zou ik me zo verantwoordelijk voelen als voor het doorgeven van een hazenlip.

Ik zou me kunnen voorstellen dat ik sterk zou zijn en vastberaden in mijn liefde voor een kind met eender welk onvoorzien syndroom of ziekte, zoals mijn moeder dat voor mij was geweest. Als ik niet op voorhand zou weten wat ik kon verwachten, wat betreft de behandeling en de reacties van anderen, zou niets mijn vastberadenheid kunnen verzwakken. Onwetendheid kan een zegen zijn. Het was de voorkennis alles nog eens als bijstander te moeten meemaken, door een bewuste keuze van mijzelf, die me van mijn moed beroofde. Het legt een bom onder de gedachte ‘had ik maar zelf’.

Ironie

Als ik me mezelf voorstelde met een baby, beeldde ik me altijd een kindje in met een lipspleet en mezelf in tranen. Dat scenario was het meest levendig voor mij. Maar het is niet rationeel om de meest levendige mogelijkheid ook als de meest waarschijnlijke uitkomst te beschouwen.

Van dat feit was ik me bewust, want sinds ik samen was met mijn lief had ik mijn doctoraat in de fysica be­haald en mijn onderzoeksgebied verlegd van natuurwe­tenschap naar wetenschapsfilosofie. Mijn nieuwe project ging precies over waarschijnlijkheid. Ik gaf een cursus over het onderwerp, waarin ook psychologische aspec­ten van waarschijnlijkheid en risicobeoordeling aan bod kwamen.

Intussen had mijn vriend mijn belangrijkste reden begrepen om geen kinderen te willen: ik wilde mijn ge­boortedefect niet doorgeven. Op een gegeven moment stelde hij me een eenvoudige vraag: ‘Maar hoe groot is dat risico dan?’ Ik realiseerde me dat ik het antwoord niet wist. De ironie van specialiseren in kanstheorie en het vervolgens niet adequaat toe te passen in mijn eigen leven, is me niet ontgaan.

“Mijn mening veranderen over zo’n kernonderdeel van mijn leven is een van de engste dingen die ik ooit heb gedaan”

In plaats van de conclusie die ik lang geleden had getrokken en publiekelijk had verkondigd te proberen verdedigen, moest ik op zoek naar gefundeerde infor­matie. Daarbij moest ik openstaan voor de mogelijkheid dat mijn eerdere opvattingen verkeerd waren. Als weten­schapper en filosoof ben ik hiervoor opgeleid, maar het bleef moeilijk om het in mijn persoonlijke leven toe te passen.

Een gezonde dosis twijfel zorgt ervoor dat demonen uit de weg geruimd worden. ‘Geloof niet alles wat je denkt’ bleek een nuttig mantra te zijn. Ik ging op zoek naar meer informatie, wat me ertoe bracht om lang ge­koesterde overtuigingen te heroverwegen. Tot op heden is het veranderen van mijn mening over zo’n kernonder­deel van mijn leven een van de engste dingen die ik ooit heb gedaan. Het herzien van mijn overtuigingen vereiste namelijk dat ik inconsistent werd met mijn vroegere ik. En voor inconsistentie is menig filosoof het bangst van al.

Schisis heeft geen schuldigen

Wat ik op dat moment had moeten doen – en wat ik jou adviseer te doen als je je in een vergelijkbare situatie bevindt – was een arts om een genetisch consult vragen. Als academicus, en een eigenwijs exemplaar op de koop toe, verdiepte ik me echter liever zelf in de medische literatuur. Ik had het geluk om online zeer betrouwbare informatie te vinden. Een belangrijke bron was een rap­port van Koenraad Devriendt van het Departement Men­selijke Erfelijkheid aan de KU Leuven (link naar pdf).

Uit dat rapport, van 2007 of ouder, heb ik geleerd dat alle embryo’s al vroeg in hun ontwikkeling een gespleten gezicht hebben. Er zijn honderden genen betrokken bij het sluiten van de structuren in het midden van het men­selijke gelaat, wat normaal gesproken vroeg in het eerste semester van de zwangerschap gebeurt.

Als er in dit stadium iets onherstelbaar fout gaat, wordt de baby geboren met een gespleten gehemelte en/of lip – de ultieme babyface als het ware. De oorzaken van afwijkingen zijn multifactorieel: er is een genetische component, waarbij een veelheid aan genen betrokken is, en er is een omgevingscomponent, waarvan de belang­rijkste factoren meestal onbekend zijn.

Aan de genetische kant zijn enkele genen geïdentifi­ceerd waarvan sequentievarianten geassocieerd zijn met schisis. Maar ze zijn niet altijd betrokken. Daarom moeten er andere genetische defecten zijn die spleten kunnen veroorzaken. En zelfs in gezinnen van wie bekend is dat een van de genetische defecten voorkomt, hebben niet alle personen een schisis. Omgevingsfactoren zijn dus altijd betrokken. Schisis kan deel uitmaken van een syndroom dat samengaat met andere problemen. In dat geval is de genetische component sterker en beter bekend.

Aangezien de schisis in mijn geval geen onderdeel is van een syndroom en ik de enige ben in mijn familie, had het weinig zin om te vragen naar een DNA-analyse. Er is gewoonweg geen genetische test beschikbaar om te con­troleren of ik het defect zou doorgeven. Zelfs als er een volledig genetisch risicoprofiel beschikbaar zou zijn, zou dat weinig praktische waarde hebben, omdat omgevings­factoren zo’n belangrijke rol spelen.

Afgezien van enkele risicofactoren die betrokken zijn bij meerdere aangeboren misvormingen, zoals de leeftijd van de moeder, roken en bepaalde stoffen, moeten er ex­tra factoren in het spel zijn bij het ontstaan van schisis. Maar de manier waarop deze samenspannen met geneti­sche aanleg blijft grotendeels onbekend.

Het is geen kwestie van ‘wat moeder ‘verkeerd’ gedaan zou hebben’, zoals het rapport nadrukkelijk stelde. Van volksverhalen over de vermeende invloed van psychische indrukken van de moeder tot mijn eigen pogingen uit mijn kindertijd om de oorsprong van mijn littekens te achterhalen: causaal denken is vaak verweven met het zoeken naar een schuldige. Het is ontroerend om een arts te vinden die hiervan op de hoogte is en zijn lezers laat zien dat het helemaal niet nodig is om een schuldige aan te wijzen.

De enige op school

Bij gebrek aan kennis over precieze causale paden kun­nen we alleen maar kijken naar frequenties in de algeme­ne bevolking en herhalingsfrequenties in tweelingen of andere specifieke subgroepen. Het basispercentage – dat is de prevalentie van orofaciale spleten in de algemene bevolking – is minder dan één op de vijfhonderd. Dit be­tekent dat er meestal één kind met een schisis per school is, of geen. Mijn eigen schoolervaring was typisch op dit vlak: ik was de enige op mijn school, hoewel sommige klasgenoten nog een kind van een andere school kenden.

Toen las ik het sleutelgetal in het rapport: als een van beide ouders een schisis heeft, is het risico dat hun baby het ook heeft 3 tot 5 procent. Dat is tot veertig keer meer dan bij ouders zonder schisis!

Toen ik dat las, voelde ik me gesterkt in mijn overtui­ging dat ik het risico om kinderen te krijgen gewoon niet moest nemen. Niet!

Mijn hypothetische kinderen zouden ook een risico hebben om het door te geven boven het bevolkingsrisico: ongeveer een op de honderdzeventig. Daarna neemt het snel af. Het is minder dan een op de driehonderd voor de vierde generatie en na de vierde generatie is het weer het algemene bevolkingsrisico (het al genoemde cijfer van minder dan een op de vijfhonderd).

Terwijl mijn kinderangst voor het overslaan van een generatie nu minder relevant leek, was het risico inder­daad het hoogste voor mijn eigen kinderen, net zoals de biologieles uit de middelbare school suggereerde.

Toen ik dat aan mijn vriend vertelde, verwachtte ik dat hij het er volledig mee eens zou zijn dat dit be­tekende dat het niet goed was om kinderen te krijgen. Hij reageerde heel anders. ‘Dus het risico is maximaal 5 procent,’ zei hij, ‘dat is minstens 95 procent kans om een kind zonder schisis te krijgen.”

Paradox

We wisten eindelijk wat ons risico was om een kindje met een hazenlip te krijgen. Toch wisten we niet hoe we dat cijfer moesten gebruiken om tot een beslissing te ko­men. Een van ons moest nog steeds de ander van gedach­ten laten veranderen – of zichzelf.

Toen ik mijn vriend probeerde te overtuigen, ontdek­te ik zwakheden in mijn eigen argumenten. Het gebeurde niet van de ene op de andere dag, maar mijn ideeën begonnen te veranderen. Als ik dacht aan de mogelijk­heid moeder te worden, zag ik mezelf niet meer per se in tranen. In plaats daarvan stelde ik me twintig potentiële baby’s voor, negentien zonder hazenlip, en eentje met. Het was net als die scenario’s uit de elementaire kans­rekening met gekleurde ballen in een vaas. Behalve dat de ballen baby’s waren. Bovendien was ik niet helemaal zeker van de inhoud van de vaas. Misschien waren er honderd baby’s en slechts drie met een schisis? Het was verwarrend.

Mijn situatie leek op die van de deelnemers aan het Ellsbergprobleem. Dat scenario gaat over een vaas met honderd ballen, waarvan er veertig rood zijn. De overige zestig zijn gele en zwarte ballen, maar er wordt niet verteld hoeveel er van elke kleur zijn. Je krijgt dan twee weddenschappen aangeboden, waarbij je in beide geval­len moet kiezen tussen twee mogelijke acties.

Met besliskunde kun je aantonen welke combinaties van weddenschappen rationeel zijn, omdat ze de verwach­te winst maximaliseren. Toch kiezen in experimenten deel­nemers systematisch voor een suboptimale combinatie van weddenschappen. Ze hebben de neiging om de voorkeur te geven aan de keuzes die alleen betrekking hebben op bekende getallen, waardoor ze weddenschappen met on­bekende getallen vermijden. Vanwege de discrepantie tus­sen het theoretische optimum en de waargenomen keuze wordt dit ook de Ellsbergparadox genoemd.

In mijn onwil om een kinderwens serieus te overwegen was niet zozeer de omvang van het risico zelf een factor, maar eerder het gebrek aan een precieze inschatting ervan. Omdat ik me bewust was van hoe irrationeel dat was, voel­de het inderdaad paradoxaal. Door verschillende manieren van denken over de kansen en de mogelijke resultaten van mijn levenskeuzes uit te proberen, slaagde ik er langzaam in mijn denkgewoontes te veranderen.

Sprong in het diepe

Aangezien het frequentie-interval van 3 tot 5 procent slechts een ruwe schatting was, heb ik geprobeerd een nauwkeurigere schatting te maken, rekening houdend met bijkomende informatie. Als je een broer of zus hebt met schisis is het risico dat je baby het ook heeft groter. Omdat ik geen broers of zussen heb, had ik die extra in­formatie niet. Hoewel niet meer weten het risico op zich niet vergroot, vergroot het wel de onzekerheid over het risico. De meeste mensen hebben daar een hekel aan, en ik was niet anders.

Maar anders dan deelnemers aan het kunstmatige Ellsbergexperiment kon ik toch wat meer inzicht krij­gen in de mogelijke inhoud van de vaas. Niet-syndro­male schisis komt vaker voor bij jongens dan bij meis­jes. Maar wanneer een meisje wordt getroffen, neemt het herhalingsrisico toe. Dat was geen goed nieuws voor mij.

De ernst van het defect – alleen lip of lip en gehe­melte? Slechts één kant of beide? – verhoogt het risico op herhaling verder. Als enige in het gezin wordt dit vermin­derd. Hoewel ik geen broers of zussen heb, heb ik veel neefjes en nichtjes, en geen van hen heeft een schisis.

Ik begon te geloven dat mijn risico om een kind met een kloof te krijgen waarschijnlijk bijna 5 procent was, of ongeveer een op de twintig. Hoewel dat het onderste deel van het interval uitsluit, wat een volkomen rationeel wezen terughoudender zou moeten maken om ervoor te gaan, had de toegenomen duidelijkheid het tegenoverge­stelde effect op mij.

Door meer te praten met mijn vriend (‘Wat er ook gebeurt, je staat er niet alleen voor’) en anderen (‘Ik ben zo gewoon om je te zien, ik zie de littekens nauwelijks’), werd me iets duidelijk. Door keuzes te vermijden die veel onzekerheid met zich meebrachten nam ik het grootste risico: het risico om mijn leven niet ten volle te leven.

Ik las dat 3 procent de gemiddelde frequentie is om een baby te krijgen met enige geboorteafwijking. Voor iedereen betekent de keuze voor een kind dus een sprong in het diepe: hopen op het beste en moed hebben terwijl je face to face staat met het onbekende – vertrouwen dat je een manier zult vinden om ermee om te gaan.

We gingen van dubbele naar enkelvoudige bescher­ming, wat voor mij al een enorme stap was. Hoewel zwanger worden op dat moment nog steeds erg onwaar­schijnlijk was, liet ik toe dat het waarschijnlijker werd dan ooit tevoren.

Iets later kon ik me voorstellen dat ik gelukkig zou zijn als ik erachter zou komen dat ik zwanger was. Ik was eindelijk bereid om de laatste verdedigingslinie tus­sen mijn vruchtbaarheid en die ooit zo angstaanjagende mogelijkheid op te geven. En aangezien leeftijd een risi­cofactor is voor het krijgen van een baby met een schisis, net als vele andere complicaties, hebben we niet langer gewacht.

Irrationeel optimisme

Zwanger zijn is een unieke ervaring, en ik ben voor altijd dankbaar dat ik weet hoe het voelt. Het is in vele opzich­ten ook erg vreemd.

Een raar besef tijdens een zwangerschap is dat al­les wat je eet of doet de ontwikkeling van je baby kan beïnvloeden, maar in welke zin? Er is een hele industrie van supplementen, crèmes en boeken die gedijt op deze onzekerheid.

Ook buiten de commerciële context worden zwan­gere vrouwen vaak gebombardeerd met advies over wat (niet) te eten en (niet) te doen. Een van de weinige adviezen aan zwangere vrouwen die goed worden onder­steund door bewijs, is foliumzuursupplementen nemen. Die verminderen het risico op spina bifida duidelijk, en mogelijk geldt dat ook voor schisis.

Het voelde goed om tenminste een bron van risico op geboorteafwijkingen actief te kunnen verminderen. Toch is mijn toegenomen optimisme in dat stadium waar­schijnlijk ook deels irrationeel geweest: psychologisch onderzoek toont aan dat de indruk dat je een uitkomst kunt beïnvloeden het waargenomen risico verlaagt.

Een ander vreemd besef is dat de sluiting van het gehemelte en de lip zo vroeg in de zwangerschap plaats­vindt, lang voordat kan worden gecontroleerd of dit inge­wikkelde proces succesvol is verlopen. We hebben even overwogen om ons eigen echoapparaat te bouwen – hoe moeilijk kan het zijn voor twee natuurkundigen? Hoewel deze dagdroom nooit is uitgekomen, zijn er bedrijven die echografie aanbieden aan zwangere vrouwen, naast de echo’s die gepland zijn in de praktijk van de gynaecoloog. Opnieuw is de onzekerheid van toekomstige ouders een zekere investering voor slimme ondernemers.

Vanwege de hogere risico’s voor geboorteafwijkingen aan mijn kant van de familie kregen we wel een extra afspraak voor een structurele echo bij een tweede gynae­coloog. Dit onderzoek betrof een systematische controle van de vitale organen en in ons geval natuurlijk ook het gezicht van de foetus. Deze arts vertelde ons toen ook het geslacht van ons kind. Ik hoopte dat we een meisje zouden krijgen, omdat het risico op een schisis bij jon­gens groter is.

Toen ik hoorde dat het een jongen was, hoopte ik dat hij op zijn vader zou lijken. Wensen is irrationeel, maar het meeste in het leven is dat ook. Ik wenste het uit alle macht.

Een nieuw gezicht

De eerste foto in het babyalbum van mijn zoon is een driedimensionale echografie. Je kunt er een puntig neusje en een gesloten bovenlip op ontwaren. Hoewel de tweede gynaecoloog ons had verteld dat onze zoon geen gespleten lip had, was ik pas volledig gerustgesteld toen ik hem in mijn armen hield en zijn gezicht met mijn eigen ogen kon zien.

Onze zoon is nu acht. Ik begon hem verhalen te vertellen toen hij nog een baby was en hij is zelf een fer­vente lezer geworden. Hij was er trots op de ringen te mogen dragen tijdens onze huwelijksceremonie enkele jaren geleden. Wat ooit onbereikbaar leek, is inmiddels ‘het gewone leven’. Mijn zoon lijkt veel op zijn vader en moet me nog vragen waarom mijn bovenlip er zo anders uitziet dan die van hem. Zo kon door het veranderen van mijn gedachten een nieuw leven beginnen.

Dankwoord Met dank aan prof. dr. Koen Devriendt om een eerdere versie van dit artikel na te lezen en enkele feitelijke fouten te corrigeren.

Tweede kans voor wiskunde

Dit opiniestuk is op 2 mei 2018 verschenen op knack.be, naar aanleiding van mijn college voor Universiteit van Vlaanderen.

‘Ik zou in een wereld willen leven waarin volwassenen avondlessen wiskunde volgen’

Professor wetenschapsfilosofie Sylvia Wenmackers wil in een wereld leven waarin avondles wiskunde voor volwassenen even populair is als Engels of Italiaans. Maar daarvoor moet de manier waarop wiskunde onderwezen wordt veranderen…

Wiskunde.

Foto van Allef Vinicius (via Unsplash).

Stel je een school voor waar het volgende gebeurt:

Elke ochtend moeten leerlingen hun spiegelbeeld vergelijken met de Instagram-feed van een internationaal modellenbureau. De modellen zijn geselecteerd uit de hele wereldbevolking. Ze worden gemaquilleerd, gekleed en gefotografeerd door professionelen. Van elke shoot wordt minder dan 1% van de beelden bewaard en die selectie wordt stevig nabewerkt. Uit de bewerkte foto’s kiest een curator welke vrijgegeven worden. Maar dat hele proces wordt niet uitgelegd aan de leerlingen.

Dit scenario is gelukkig fictief, maar het lijkt verrassend veel op de manier waarop wiskunde vandaag onderwezen wordt.

Wiskunde wordt namelijk zeer ahistorisch gedoceerd. Dat is eigen aan het vakgebied: mislukte pogingen worden in latere samenvattingen niet meer opgenomen, waardoor de wiskunde in handboeken een lange triomftocht lijkt. Stelling – bewijs, stelling – bewijs, stelling – bewijs. Bij sommige stellingen hoort een naam; sommige namen komen opvallend vaak voor (zoals Euler, Gauss en Fermat). Het is even gemakkelijk om je een mislukking te voelen in vergelijking met die fictieve geschiedenis, als om je een lelijk eendje te voelen op onze fictieve school. Uit zelfbescherming haken veel leerlingen dan ook af: ‘Ik heb geen wiskundeknobbel, geef mij maar talen’.

Als leerlingen aan een oefening beginnen, lukt het hen vaak niet om die meteen op te lossen. Het is zo jammer dat we hen niet tonen dat dat perfect normaal is. Wiskundigen en wetenschappelijke onderzoekers zitten ook vaak vast. Het grootste verschil tussen onderzoekers en anderen is dat die eersten hiertegen bestand zijn. Ze vertrouwen op hun eigen kunnen, hebben een netwerk om raad aan te vragen en weten uit ervaring dat de aanhouder vaak wint.

De leerlingen op de fictieve school zouden veel baat hebben bij uitleg over hoe de fotoreeks tot stand komt. Dit zou hun zelfbeeld ten goede komen. Om dezelfde reden zouden we leerlingen veel beter moeten uitleggen hoe wiskunde en wetenschap tot stand komen.

Blunderboek

Mijn eigen onderzoek gaat over filosofie van de kansrekening. In de geschiedenis hebben opvallend veel wiskundigen geblunderd op het vlak van kansen. Terwijl meetkunde al bij de Oude Grieken ontwikkeld werd, heeft het tot de zeventiende eeuw geduurd voor wiskundigen tot een theorie over kansen kwamen. Dit gebeurde op vraag van een Franse schrijver, die zich Chevalier de Méré liet noemen – een fervent gokker. Pascal en Fermat probeerden in een briefwisseling zijn vragen over kansspelen op te lossen. In hun correspondentie zien we vooral Pascal worstelen om grip te krijgen op het concept kans. Het is ook in deze context dat de beroemde driehoek van Pascal voor het eerst opduikt. Precies dit soort voorbeelden bieden een waardevolle aanvulling op het wiskundecurriculum.

Stel nu eens dat de twee hoofddoelen van wiskunde op school zouden zijn: leerlingen wiskundige basisvaardigheden meegeven (zoals nu) én hen een realistische en waarderende houding ten aanzien van wiskunde bijbrengen. Dat tweede doel zou ervoor zorgen dat ex-leerlingen in hun latere leven open blijven staan om zich wiskundige denkpatronen eigen te maken, ten minste te proberen een vraag met wiskundige middelen te analyseren en als dat niet lukt erover te praten of doelgericht hulp te zoeken. Als dit tweede doel verwaarloosd wordt, leren wiskundelessen vooral hulpeloosheid aan: de leerkracht weet het antwoord al, dus als leerling moet je gewoon afwachten tot het enige juiste antwoord aan bord komt. Zelfs een rekenmachine kan het antwoord geven, als je maar zou weten hoe het vervloekte bakje werkt. Wat er ontbreekt is plantrekkerij, samenwerking en waardering daarvoor. Ondertussen blijven er antwoorden komen op vragen die je je nooit hebt gesteld.

Ik zou in een wereld willen leven waarin volwassenen avondlessen wiskunde kunnen volgen, net zoals ze nu een extra taal kunnen leren. Dat wil zeggen: een wereld waar daar vraag naar is. Een wereld waarin wiskunde gezien wordt voor wat het is: een integraal deel van de menselijke cultuur.

Wiskundehaat?

Op de middelbare school is wiskunde een groot vak, net zoals Nederlands. Bij Nederlands krijgen leerlingen allerlei opdrachten: een boek lezen van een bekroond auteur, een groepswerk maken, zelf een gedicht schrijven, de grammatica van een zin analyseren en de herkomst van de eigen voor- en familienaam opzoeken in de bibliotheek. Vaak is het handboek thematisch, zodat het voor leerlingen lijkt alsof het bij Nederlands over eender wat kan gaan. Ondertussen worden woordenschat, grammatica en geschiedenis aangeleerd. Soms wordt er ook geoefend op direct toepasbare vaardigheden, zoals het schrijven van een sollicitatiebrief.

Wiskunde is anders. De werkvormen zijn minder gevarieerd. Er is weinig aandacht voor topwiskunde of de wiskundige cultuur van een tijd. Er zijn nauwelijks open opdrachten, waarbij meerdere oplossingen mogelijk zijn. Stelling – bewijs, stelling – bewijs, stelling – bewijs. Door het monotone lespatroon blijft er van het aangeleerde op lange termijn weinig hangen. Het emotionele register is hoofdzakelijk negatief georiënteerd. Terwijl de wiskunde zelf – als vakgebied, maar niet als schoolvak – ruimte laat voor zo veel meer emoties: nieuwsgierigheid, verwondering en verbondenheid.

Wiskundeleerkracht Larry Martinek uit Los Angeles in de Verenigde Staten verwoordt het als volgt: ‘Kinderen haten geen wiskunde. Wat ze haten is verward, geïntimideerd en in verlegenheid gebracht worden door wiskunde. Met begrip komt passie, en met passie komt groei – een schat wordt ontgrendeld.’

Wiskunde heeft een rijke geschiedenis en laat ruimte genoeg voor exploratieve opdrachten naast de repetitieve, die ook nodig zijn om vaardigheden in te oefenen. Ik vind het inspirerend dat wiskundeleerkrachten wereldwijd ideeën uitwisselen over hoe ze hun eigen passie voor het vak kunnen overdragen aan de nieuwe generatie. Op Twitter kan ik de volgende mensen van harte aanraden: Eugenia Cheng (@DrEugeniaCheng, auteur van How to bake π en Beyond Infinity), Matt Enlow (@CmonMattTHINK) en Dave Richeson (@divbyzero). Twee inspirerende hashtags zijn #MathArt en #tmwyk (talk math with your kids).

TegenSTEM

Met projecten over STEM wordt geprobeerd om de verbanden tussen vakken als wiskunde, fysica, chemie en informatica duidelijker te maken. Dat is een lovenswaardig doel, maar helaas werkt het in de praktijk polarisering in de hand tussen ‘talenmensen’ en ‘cijferaars’. De huidige campagnes lijken STEM namelijk boven andere vakken te verheffen. Terwijl er net over die grenzen heen nog zo veel inspiratie en leerwinst valt te halen.

Mijn eigen fascinatie voor fysica ontstond bijvoorbeeld door te lezen: eerst sciencefiction en daardoor steeds meer populairwetenschappelijke boeken. Zij gaven mij voor het eerst een beeld van het leven als onderzoeker: de interacties tussen mensen, het proberen, het falen en het sporadische succes. Daar ligt niet alleen de bron voor mijn studiekeuze (fysica), maar het gaf me ook de extra dosis moed om door te zetten op momenten dat ik een triviale oplossing niet zag: ‘Wiskunde is nu eenmaal moeilijk, maar moeilijk gaat ook’.

Het is mijn hoop dat er taalleerkrachten zijn die op hun leeslijst enkele boeken willen opnemen die relevant zijn voor STEM: denk aan Flatland bij Engels, of waarom geen non-fictie? Er zijn prachtige biografieën over wetenschappers. Het is hoog tijd dat taalleerkrachten en STEM-leerkrachten meer samenwerken.

Wie speelt er mee?

Deze column is in licht gewijzigde vorm verschenen in het novembernummer van Eos (2016).

Geen omgekeerde verzekering

Reclame voor tabaksproducten is in België al enige jaren verboden. Daardoor vallen de affiches me des te sterker op wanneer ik in Duitsland kom. Wat kansspelen betreft zijn de Duitse reclamewetten juist iets strikter: het is er namelijk verplicht om onder het grote jackpotbedrag de zeer kleine winstkans te vermelden. Maar met of zonder die maatregel blijft reclame voor kansspelen in mijn ogen even bizar als tabaksreclame.

De laatste keer dat ik in Duitsland was doceerde ik er op een zomerschool met als thema ‘rationaliteit’. Filosofen stellen rationaliteit traditioneel voor als een ideale norm, maar in de praktijk moeten mensen beslissingen nemen onder tijdsdruk en op basis van onvolledige informatie. Psycholoog Herbert Simon heeft daarom het begrip ‘begrensde rationaliteit’ ingevoerd: wat is rationeel gegeven deze realistische beperkingen? Ik wil die vraag hier eens stellen over loterijen. Wat is rationeel om te doen: meespelen of niet?

(meer…)

Video van lezing: ‘Dat kan geen toeval zijn!’

Vóór de zomer gaf ik een lezing in de reeks “Lessen voor de 21ste eeuw” aan de KU Leuven. De titel was: ‘Dat kan geen toeval zijn!’ Over waarschijnlijkheid: van objectieve kansen tot subjectieve graden van geloof. (Dat kondigde ik toen ook aan op mijn blog.) Daarin had ik het onder andere over de wet van de waterkans. En mijn belangrijkste les voor de 21ste eeuw was dat alle waarschijnlijkheden voorwaardelijk zijn – al blijft het een hele klus om dat goed te communiceren.

Over mijn college schreef ik een Nederlandstalig hoofdstuk voor het bijbehorende boek, maar daarvoor moest ik het copyright overdragen en daarom kan ik het niet legaal online plaatsen.

Er werd een opname gemaakt van de lezing, die ik hier wel mag delen.

De video laat niet alle dia’s goed zien, maar die kan je hier als pdf downloaden. Ook de handout staat online.

Reaction to “Believing the unlikely”

Over on OUPBlog, Martin Smith wrote a blog post, related to his book “Between Probability and Certainty: What Justifies Belief” (that I haven’t read yet). He presents an example in which, he claims, it is rational to believe the unlikely. Please read his blog post first, then return here to read my reaction below. :-)

Laplace quote.

TL;DR: I’m still a Laplacian on this matter. ;-)

(meer…)

Kans op chocoladetaart

Zopas verscheen mijn artikel (samen met Jan-Willem Romeijn) “New theory about old evidence” in de papieren versie van het filosofische vaktijdschrift Synthese. Het is open-access, dus je kan het artikel integraal online lezen. Naar aanleiding van dit artikel schreef ik vorig jaar een column voor Eos, die ik nu ook online plaats.

Op = op!

Deze column is in licht gewijzigde vorm verschenen in het januarinummer van Eos (2016).

Waarschijnlijkheid is als een chocoladetaart: je hebt er maar honderd procent van en eens die verdeeld is, is het op. Als je een muntstuk opgooit zijn er twee mogelijke uitkomsten: kop of munt. Als je vijftig procent kans toekent aan de ene mogelijkheid, dan blijft er automatisch vijftig procent over voor de andere.

Wetenschappers kennen niet alleen waarschijnlijkheden toe aan mogelijke uitkomsten, maar ook aan hypotheses. Biologen doen bijvoorbeeld onderzoek naar de vraag hoe plantenwortels reageren op de aanwezigheid van voedingsstoffen of zware metalen in de bodem. Stel dat ze aanvankelijk acht hypotheses hebben, die ze ongeveer even plausibel achten. Elke hypothese krijgt waarschijnlijkheid één achtste. Het is als een feest met acht gasten: je deelt de taart in acht gelijke stukken en iedereen is tevreden.

Uiteraard kunnen wetenschappers hierover van mening verschillen: als de hypotheses opgesteld zijn door acht teams van biologen, dan is het best mogelijk dat elk team de eigen hypothese het meest waarschijnlijk vindt. Ieder team wil als het ware het grootste stuk taart voor zichzelf. Dat klinkt erg subjectief, maar dat hoeft geen groot probleem te zijn, zolang ze maar overgaan tot de volgende stap: het doen van experimenten, hun resultaten delen en op basis daarvan hun oordeel herzien.

De stelling van Bayes zegt precies wat we moeten doen als we nieuwe informatie krijgen: op basis van onze oorspronkelijke waarschijnlijkheidsverdeling en de experimentele evidentie bekomen we de nieuwe waarschijnlijkheid van alle hypotheses. Als sommige hypotheses minder waarschijnlijk worden, worden de andere automatisch meer waarschijnlijk. De som blijft immers honderd procent. Je kan het je ongeveer zo voorstellen: je hebt de taart eerlijk verdeeld, maar dan blijken enkele gasten op dieet te zijn en schuiven ze de anderen extra stukjes toe.

Waarschijnlijkheid is als een chocoladetaart.

De kansrekening gaat ervan uit dat we op voorhand alle opties kennen, maar als je waarschijnlijkheden wil toekennen aan wetenschappelijke hypotheses is die aanname niet realistisch. Wetenschappers bedenken namelijk gaandeweg nieuwe hypotheses. De teams van biologen zien bijvoorbeeld dat geen enkele van de vooraf bedachte hypotheses de experimenten goed kan verklaren en gaan op zoek naar een alternatief.

De stelling van Bayes, die ons leert hoe we de waarschijnlijkheid moeten herverdelen tussen de hypotheses die van meet af aan meededen, zegt niet wat er gebeurt als er een nieuwe hypothese op de proppen komt. Als wetenschapsfilosoof buig ik me over die vraag: hoe moeten we nu waarschijnlijkheden toekennen aan de huidge hypotheses als we weten dat er later nog alternatieve opties kunnen worden bedacht?

Stel je het volgende scenario voor: je geeft een verjaardagsfeest en je hebt de taart net aangesneden en uitgedeeld onder de genodigden. Dan gaat de bel: er staat een onverwachte gast aan de deur. Wat nu gedaan? Er zit niets anders op dan blozend de taart te herverdelen.

Als je veel familie en vrienden hebt die graag spontaan langskomen, dan leer je op den duur een stuk taart opzij te zetten in de koelkast. Ook als je nog niet weet wie het dit jaar zullen zijn, toch kan je je voorbereiden op die eventuele laatkomers. Als je het slim aanpakt, geef je bijvoorbeeld telkens de helft van de hoeveelheid taart die je nog hebt. Als er dan meer mensen opdagen dan verwacht, kan je ze altijd nog een stuk aanbieden. En anders heb je zelf nog een stukje de dag nadien.

Kan je zoiets ook doen voor toekomstige wetenschappelijke theorieën? Het antwoord is “ja”: één mogelijkheid is om een catch-all-hypothese te maken. Dat is een hypothese die zegt: “Geen van bovenstaande”. Een soort rommellade waar je later specifieke hypotheses uit kan opvissen. Zo kan je alvast enige waarschijnlijkheid reserveren voor het geval er een nieuwe hypothese wordt bedacht. De catch-all-hypothese zegt dat wellicht nog niet alle hypotheses zijn aangekomen en de waarschijnlijkheid die we vooraf aan die mogelijkheid toekennen, kunnen we achteraf herverdelen.

De kans dat de wetenschap ooit af is lijkt me zeer klein. En als het tegen de verwachting in toch gebeurt, heb ik nog een stuk chocoladetaart in de koelkast.

Aankondiging: Lezing over waarschijnlijkheid (21/3)

Morgenavond (maandag 21 maart om 19u30) geef ik een lezing over waarschijnlijkheid in de Pieter De Somer-aula van de KU Leuven. Dit is een “Les voor de 21ste eeuw”, de laatste van dit academiejaar. Het is een grote aula, dus er is vast plaats voor extra geïnteresseerden. ;-) Ik geef er een soort best of van mijn vak over filosofie van de waarschijnlijkheid: het gaat over geschiedenis, wiskunde, filosofie en psychologie van waarschijnlijkheid.

De volledige titel is: ‘Dat kan geen toeval zijn!’ Waarschijnlijkheid: van objectieve kansen tot subjectieve graden van geloof.

Hier alvast de handout van mijn lezing, die een samenvatting is van het hoofdstuk dat ik schreef voor het boek bij de lezingenreeks (dat ook morgen verschijnt).

Aanvulling 22 maart 2016:

Ook de dia’s staan online, trouwens van (bijna) alle lezingen uit de reeks.

Erratum bij mijn hoofdstuk in het boek (p. 286): het publicatiejaar bij Kolmogorov is 1933, er staat 1956, maar dit is de datum van de Engelstalige vertaling.

Onmogelijke fysica

Onderstaand kortverhaal stuurde ik in voor de Quantum Shorts 2015: “A contest for quantum-inspired flash fiction”. Het haalde niet de shortlist, maar het was erg leuk om nog eens een poging tot fictie te doen. Met dank aan Maureen Voestermans voor de tip. :-)

Impossible physics

“Tell me something new, Maya,” my grandfather says as he opens the door.

It has become his standard greeting since I started studying physics. Some say that he is becoming a grumpy old philosopher, but to me he is kind and bright as ever. He is always eager to hear about my experiences at the university.

“This semester we started a course on quantum mechanics, grandpa.”

He sighs almost inaudibly. During his career, he spent quite some time at the lab checking out experiments by Otto and Walther, his physicist friends. He was particularly interested in the measurements of the spin of silver atoms. Many of the physicists tried to explain why these measurements always end up at one end of the measurement axis, in the so-called plus state. Unlike them, my grandfather expected at least some measurements to result in the highly speculative minus state, but he never witnessed it. Nobody ever did.

To lift his spirit, I start telling him about some of my own speculations.

“Let’s try a thought experiment, grandpa. For the sake of the argument, suppose that there is another world, much like ours, except that when Otto and Walther made the first spin experiment with silver atoms, all the spins resulted in the minus state.”

“Poor people,” he replies, “they would be in the same predicament as our physicists!”

“Sure, but now image yet another world, in which about half of the measurements came up plus and the other half minus.”

He starts to look more interested. “Well, Maya, there could be many such worlds, each only different in which experimental runs showed the plus result and which the minus result.”

I go on. “In each of those worlds, people would be trying to explain the particular pattern they found, rather than the old question of why they all end up at the plus-hand side.”
Well done, Maya. Now, I am just reminding him of his frustrations rather than diverting him. But he doesn’t seem to mind.

“Or,” grandpa says, “maybe some researchers would suspect that the outcomes are unpredictable.”

He started playing the “or” game, in which we entertain alternative hypotheses just for the fun of it. I gladly play along.

“Or,” I say, “some of them would start believing in parallel worlds. They would start speculating about other worlds, with similar statistics as their own, but different patterns in individual outcomes.”

”Or,” he says, “if they believed that all possible outcomes are realized in some world, they would realize that there are also many worlds with slightly different statistics, and some in which the statistics are way off, and then two in which there appears to be no unpredictability at all.” He pauses and waves his hand as if he is seeing a ghost. “They would have no way to contact us, of course.”

As he speaks these words, I feel a chill along my spine. He continues.

“At least they would imagine us to be possible, whereas all the physicists in this world deem them impossible.”

“We are being exceptionally silly tonight, right, grandpa?”

He starts laughing: a contagious belly laugh. My favorite sound in this Universe, and possibly beyond.

He nods, but I notice a sparkle in his eyes – a new sense of hope.

Elkaar eerlijk houden

Dit stukje is een reflectie over slodderwetenschap en de vraag of er iets aan te doen is. Hierbij komt een contrast tussen twee types van doelen naar voren. Even overwoog ik om stoute onderzoekers in de hoek te zetten, maar uiteindelijk komt mijn voorstel hierop neer: wetenschappers kunnen in teamverband helpen om “elkaar eerlijk te houden”.

~

Ariely over oneerlijkheid

Dit is natuurlijk een thema waar ik al eerder over geschreven heb (zie “Opgebrande wetenschap“), maar de directe aanleiding voor dit stukje is tweevoudig:

  • Recent had ik een gesprek met enkele collega’s over het thema slodderwetenschap. Hierin kwamen thema’s aan bod gebaseerd op deze lezing door Gerrit Storms (1 uur) over fraude in de wetenschap.
  • Kort daarna zag ik toevallig een filmpje (11 minuten) waarin Dan Ariely aan het woord is over een algemener verschijnsel, dat van oneerlijkheid.

Uit het tweede filmpje onthou ik deze vier punten:

(i) Blijkbaar zijn er in alle domeinen pathologische leugenaars zijn. In de wetenschap moeten we daar uiteraard ook waakzaam voor zijn (en klokkenluiders beschermen etc.), maar aangezien het collectieve effect van kleinere foutjes doorgaans groter is, moeten we vooral daar kijken hoe we die grote aantallen kunnen verminderen.

(ii) De afstand vergroten tussen gedrag en de impact ervan maakt oneerlijkheid gemakkelijker. Ook in de wetenschappen hebben er zich heel wat lagen administratie opgestapeld. Zo wordt het effect van een slordig uitgevoerd experiment of zelfs een frauduleus rapport op “de wetenschap” subjectief als steeds indirecter ervaren.

(iii) Mensen rationaliseren wat ze doen (en ik speculeer dat academici daar bovengemiddeld goed in zijn) en eens ze daarin slagen kunnen ze dezelfde fouten blijven maken en erin doorschieten.

Dit leidt tot het volgende punt: (iv) de nood om een soort reset-optie in te bouwen. In andere domeinen zijn er strategieën om mensen een nieuwe start maken (zoals in de katholieke traditie het biechten).

Vooral over punt (iv) wil ik in dit stukje graag wat verder doordenken.

~

Stoute wetenschappers in de hoek?

Bij Ariely’s voorbeeld van de biecht moest ik denken aan een seculiere variant, namelijk de procedure om een kind in de hoek zetten: (meer…)