Tag Archief: leven

Klaagzang van een postdoc (voor een betere wereld)

Woord vooraf: ik besef maar al te goed dat ik geen reden tot klagen heb. Als ik mijn eigen situatie eens evalueer – lieve familie, zinvol werk, elke dag te eten, warm huis, stromend water en zelfs WiFi op de trein – en die vergelijk met de levensomstandigheden van de meeste wereldburgers, dan heb ik een luxebestaan. Mijn eventuele klachten kunnen dus enkel first-world-problems zijn. Toch houdt dit mondiale perspectief me voor één keer niet tegen om te klagen – niet eens omdat dit een menselijke basisbehoefte zou zijn, maar wel omdat mijn eigen ongemakken symptomen zijn van een groter probleem. Bovendien zijn het precies die toch al minder bevoorrechte medemensen die hier nogmaals de dupe van dreigen te worden!

Postdoc.

‘Postdoc’ is een raar woord voor een onderzoeker die al een doctoraat op zak heeft, maar verder niet zo veel… (Bron afbeelding.)

Onderzoeker zijn is heerlijk, maar helaas zijn er voor postdocs (postdoctorale onderzoekers, zoals ik) enkel korte contracten. Gevolg: je bent nog maar net met een nieuw project begonnen, of je moet al opnieuw uitkijken naar vacatures – liefst voor een tenure-track-baan. In principe word ik betaald om voltijds onderzoek te doen, maar in de praktijk steek ik veel tijd en energie in solliciteren. Op dit moment bevind ik me trouwens in een post-sollicitatie-limbo (zie ook het laatste puntje in het vorige bericht): het wachten op de reactie van diverse beoordelingscommissies. (Nee, ik hou niet van wachten! Gelukkig heb ik genoeg projecten om me mee af te leiden.)

Wij hebben hier thuis vier doctoraten: mijn lief en ik elk twee. We zijn allebei drieëndertig en hebben nog steeds geen vast werk. Mijn schoonvader vraagt soms aan mijn lief wanneer hij nu (echt) werk gaat zoeken. En toch zijn wij de “toponderzoekers” die onze samenleving naar nieuwe hoogten zouden moeten tillen. Is dat niet gek?

Postdoc.

Postdoc zijn is heerlijk – voor zo lang het duurt. In de praktijk ben je toch een groot deel van je tijd bezig met solliciteren. (Bron afbeelding.)

Let wel: ik ben nog steeds zeer enthousiast over mijn werk. Alleen verbaast het me soms zelf dat ik dit blijf doen, want kiezen voor zo’n onzeker bestaan past niet bij mijn persoonlijkheid. Ik zou mijn leven heel anders ervaren als ik ergens vast in dienst was, zelfs als ik daarbij wel ontslagen kon worden. Dan had ik immers “werk, tenzij er iets vervelends gebeurt”, zoals veel andere mensen buiten de universiteit. Nu heb ik al heel mijn loopbaan lang “binnenkort geen werk, tenzij er op het laatste moment iets uit de bus komt”. Dit aspect is slopend, en beangstigend, zeker sinds we een kindje hebben.

Gelukkig ben ik nooit werkloos geweest: alle korte contracten hebben zich tot nu toe mooi opgevolgd. Achteraf gezien was er dus geen reden voor al die ongerustheid, maar dat neemt niet weg dat het telkens opnieuw spannend blijft. Bovendien ben je als postdoc ook voortdurend in competitie met je collega’s voor schaarse banen, wat haaks staat op mijn ideaal van wereldwijde samenwerking tussen onderzoekers.

Samenkomst van postdocs.

Sommige postdocs slagen er zelfs in om een sociaal leven te hebben: optrekken met andere postdocs. (Bron afbeelding.)

Wat ik zelf meemaak zijn kleine zorgen, zoals iedereen er wel een paar heeft, maar doordat ze voortspruiten uit een groot systeem – namelijk het huidige financieringsmodel van wetenschappelijk onderzoek via persoonlijke beurzen en projecten – vormen ze wel aanleiding om over een breder probleem na te denken.

Waarom aanvaarden we het als samenleving dat we al onze postdocs aan die extra spanningen blootstellen? Tenslotte gaat het hier óók over de mensen waarvan we straks een nieuwe remedie tegen kanker verwachten, de mensen die geacht worden ons van alternatieve energiebronnen te voorzien en de mensen die manieren moeten vinden waarop we iedereen op deze planeet kunnen voeden. Willen we echt dat die mensen zich naast hun onderzoek – dat toch al complex genoeg is – ook nog continu zorgen moeten maken over de vraag of ze over twee jaar hun eigen kroost nog eten kunnen geven?

Postdoc fallacy.

De denkfout van de postdoc. (Bron afbeelding.)

Natuurlijk is er ook veel waardevol werk te doen buiten de universiteit (zoals ook Vlaams Innovatieminister Lieten benadrukte in het interview dat ze vorig jaar aan Eos gaf), maar hoe langer je in het onderzoek meedraait, hoe minder evident het wordt om nog van stiel te veranderen. Verder blijven er ook mensen in het academische traject nodig. Daar heerst nu een soort “last man standing“-sfeer en dan rijst de vraag: willen we dat soort mensen wel aan de top? (Willen we dat soort mensen om een nieuwe generatie studenten te motiveren? Willen we zo’n chirurg in een UZ aan ons hart laten prutsen?) En hoe gaan de publicatiedruk en de fraudeprikkel ooit afnemen in zo’n klimaat? (Ik ben trouwens niet de enige die hierover piekert!)

Soms vraag ik me af of een numerus clausus voor onderzoekers niet efficiënter én humaner zou zijn: “Proficiat met je doctoraat. Hier, trek maar een lootje, dan kijken we of jij in aanmerking komt om ooit professor te worden…”

Postdoc-klachtenboek.

Postdocs hebben veel klachten. (Bron afbeelding.)

Jaaroverzicht 2013

Evaluatie.Volgende week ben ik aan de beurt voor mijn jaarlijkse “Resultaat- en Ontwikkelingsgesprek”: een evaluatie van mijn publicaties, presentaties en andere academische activiteiten in 2013. Er kruipt best wat tijd in om alles op te lijsten, maar het is toch leuk als je het eens samen ziet. (Blijkbaar is 2013 niet alleen hectisch, maar ook productief geweest, besefte ik.)

Hierbij een alternatieve versie van mijn jaarverslag, met minder details over de academische kant en iets meer aandacht voor ‘nevenactiviteiten’ (je weet wel, een gezinsleven).

In 2013:

Terwijl Dagobert Duck zijn goudstukken telt, tellen wetenschappers hun publicaties van het voorbije jaar.In 2013 verschenen er vier artikels van mij in vaktijdschriften (enkel het tweede artikel is voor iedereen vrij te raadplegen; als je interesse hebt, maar geen toegang via een universiteitsbibliotheek, stuur me dan gerust een e-mail):

In de figuur hieronder zie je een overzicht van al mijn academische publicaties tot aan het einde van 2013. (Het aantal citaties heb ik eens gecheckt in september, maar die getallen zijn vooral voor de recente artikels intussen weer iets hoger.)

Mijn publicaties tot 2013.

Overzicht van mijn publicaties tot 2013. (Voor details: zie mijn CV.)

Deze dingen deed ik in 2013 voor het eerst:

  • Zelf chocomousse maken.
  • Een column schrijven. (Ik schreef drie columns voor Eos: over het belang van een goede onderzoeksvraag, over ex-wetenschappers in de politiek en over wiskunde als taal.)
  • Een referee-opdracht weigeren.
  • Een uitnodiging om “overzees” te gaan spreken weigeren.
  • Een blog-stokje krijgen en invullen, maar niet voor eerst na te denken over dit fenomeen.
  • Huilen voor ik op congres vertrok (omdat ik mijn zoontje toen moest achterlaten, nochtans in goede handen).
  • In het openbaar zeggen dat ik professor wil worden en ook effectief voor een tenure-track-positie solliciteren. (Hou je vingers maar gekruist, want de uitslag is nog niet bekend.)

(Vorig jaar maakte ik het jaaroverzicht van 2012.)

Het universum: fijn geregeld, of niet?

Internetmeme wetenschapspopularisator.Volgens sommige mensen is het universum precies afgestemd op het ontstaan en het onderhouden van leven. Want – zo gaat de redenering – als één van de fundamentele natuurconstanten maar een tikkeltje anders zou zijn, dan zou het leven (zoals we dat nu kennen) onmogelijk worden. Er zouden bijvoorbeeld geen sterren zijn, of geen koolstofchemie – in elk geval zou er niet voldaan zijn aan minstens één noodzakelijke voorwaarde voor het ontstaan van leven. Ons universum is precies goed voor ons bestaan. Je zou voor minder een schepper vermoeden.

Is de fijnregeling van het universum inderdaad een onbetwistbaar argument voor intelligent design (of ‘intelligent ontwerp‘), hetgeen dus een ontwerper veronderstelt, of kun je het ook anders zien?

Vrouwen weten al langer dat onze lichamen niet meteen blijk geven van intelligent design, maar hoe zit dat met het ontwerp van het universum als geheel? In onderstaande tirade over ‘stupid design‘ (link filmpje) gaat de Amerikaanse astrofysicus en wetenschapspopularisator Neil deGrasse Tyson stevig in tegen een al te rooskleurig beeld van het universum als een menslievende omgeving. (Dit is een fragment uit deze lezing die Neil deGrasse Tyson gaf op een conferentie over wetenschap en religie in 2011.)

Een andere vraag die zowel wetenschappers als niet-wetenschappers boeit, is of er nog (meercellig) leven in het universum is buiten dat op de Aarde. Is het feit dat we nog geen buitenaards leven gevonden hebben, een signaal dat het er gewoon niet is? Neil deGrasse Tyson lijkt te denken van niet, zoals blijkt uit onderstaand citaat. Het heelal is zo groot en we hebben er nog maar zo weinig van geëxploreerd.

Citaat van Neil deGrasse Tyson over leven (elders) in het universum.

Citaat van Neil deGrasse Tyson over leven in het universum: “Er bestaat nergens leven behalve op Aarde? Dat is alsof je een beker water uit de oceaan schept en daaruit concludeert dat er geen walvissen in de oceaan zwemmen.”

Leven met een éénjarige

We hebben hier een kindje in huis, een heel lief kindje, dat vorige week één jaar werd. We gingen eerder deze maand ook een boom planten in het geboortebos van Gent in de Gentbrugse Meersen.

Op weg naar het geboortebos.

Alle kinderen die vorig jaar in Gent geboren zijn, werden met hun ouders uitgenodigd om op zondag 20 oktober een boompje te gaan planten in het geboortebos. Omdat ons kindje in oktober geboren is, viel dit ongeveer samen met zijn eerste verjaardag, wat het voor ons extra bijzonder maakte. Het was bovendien een heel zonnige herfstdag. Deze foto maakten we op weg naar de plantzone, waar we een zoete kers geplant hebben.

Het is fijn om van dichtbij mee te maken hoe hij van het leven geniet en vandaag laat ik jullie hiervan meegenieten. Hoewel de meeste eigenschappen typisch zijn voor éénjarige, blijkt uit bepaalde dingen toch al duidelijk zijn eigen persoonlijkheid.

(meer…)

Menselijke wrijving in de stad

Zicht op Gent vanop Sint-Michielshelling.Ik ben inmiddels verhuisd, maar over het leven in de stad ben ik nog niet helemaal uitverteld.

De stelling bij dit stukje is: “Beter een goede buur bij de hand dan tien Facebook-vrienden in de lucht.

Twee maand geleden las ik dit artikel uit de Smithsonian, waarin staat dat leven in de stad inventiever zou maken. Die claim nam ik met een korrel zout: in de stad wonen meer mensen per oppervlak, dus kan ook verwacht worden dat het aantal uitvindingen per oppervlak er hoger ligt. Het dunkt mij dat er hier verder niets te verklaren valt.

Wat ik zeker eens ben met het artikel is dat innovatie zelden in plotse grote stappen komt, maar eerder ontstaat uit kleine variaties op een thema en dus beter gezien kan worden als een proces. (Zie ook de video-reeks Everything is a Remix van Kirby Ferguson, waar ik eerder over berichtte.)

Toch is een bepaald aspect van de verklaring uit het artikel (voor de hogere graad aan innovatie in de stad) me bijgebleven en daar wil ik iets verder op ingaan:

[I]nvention is the result of human friction, of people with different backgrounds and skills and ideas bumping into one another, sparking fresh thoughts and collaborative visions.”

(“Innovatie is het resultaat van menselijke wrijving, van mensen met verschillende achtergronden en vaardigheden die mekaar tegen het lijf lopen, hetgeen frisse ideeën en samenwerkende visies.”)

Een noodzakelijke voorwaarde daarbij is wel dat de stad over goed publiek transport moet beschikken:

If people can’t get around, can’t have those serendipitous interactions, a city’s density has less impact.”

(“Als mensen zich niet kunnen verplaatsen, dan zijn die interacties – die dienen als voedingsbodem voor serendipiteit – er ook niet en heeft de bevolkingsdichtheid van de stad minder impact.”)

Eerst dacht ik dat dit niet klopte: ik heb helemaal niet zo veel connecties (collega’s, vrienden, …) die ik niet zou hebben als ik elders zou wonen. De term ‘wrijving’ in combinatie met ‘transport’ deed me ook denken aan volgepropte bussen, overvolle winkelstraten tijdens de koopjes en mensenstromen tijdens de Gentse Feesten, maar leidt de wrijving met zoveel onbekenden daar niet eerder tot wrevel dan tot creatieve uitspattingen?

Maar toen dacht ik aan de vele mensen waar ik regelmatig een praatje mee maak (in de bakkerij, de groentenwinkel, de broodjeszaak, …) en vooral ook aan de toevallige ontmoetingen: een rugzaktoerist op zoek naar de jeugdherberg (even meewandelen naar het stadsplan), een nieuwe student die de weg vraagt naar de Kattenberg (even op weg zetten, thuiskomen en beseffen dat hij waarschijnlijk de hogeschool zocht aan de andere kant van de Kattenberg – oeps), de steeds wisselende mensen in de speeltuin in het park (horen hoe een meisje aan een ander meisje vraagt: “Wil jij met mij spelen?” en ze daarna een heel gesprek zien voeren), …

Creatieve jamsessies zijn er nooit van gekomen, maar het is wél prettig natuurlijk. :-)

De buren luisteren naar goede muziek.Waar mensen dicht bij elkaar leven, ontstaat er natuurlijk wel eens wrijving in negatieve zin. Soms leidt dit echter tot positieve contacten. We leerden onze onderburen kennen door al eens te gaan vragen hun muziek iets zachter te zetten (wat ze altijd meteen deden). Niet meteen een flitstende start, maar hierdoor herkenden we elkaar wel in de broodjeszaak en dan kon er al eens een ander gesprekje ontstaan.

Zo heeft tegenslag ook soms mooie kanten. Onze bovenburen – een Bulgaars koppel met een kindje dat iets ouder is dan het onze – leerden we kennen door een verzekeringskwestie waar we als huurders allebei weinig mee te maken hadden. Ons eerste gesprek was achteraf gezien hilarisch. Andere mensen in het gebouw hadden ons gezegd dat de bovenburen geen Nederlands spraken; geen probleem, wij spreken Engels. Dus wij stonden daar ons verhaal te doen, maar kregen steeds meer de indruk dat onze buurman toch wel een zwaar Gents accent had in zijn Engels… Sindsdien maakten we altijd een praatje – gewoon in het Vlaams – in de hal en hield de buurman de deur voor me open als hij me toevallig zag aankomen met de baby.

Het is me nog steeds niet duidelijk hoe dit tot innovatie zou leiden, maar ook in de stad geldt: beter een goede buur dan een verre vriend (zie stelling van de dag).

Er brandt nog licht bij de overburen.Daarnaast ben ik van mening dat het leuk is om in elkaars living te kunnen binnenkijken. Bij ons hingen er geen glasgordijnen (althans niet aan de woonkamer). Voor zo ver je niet in gelijkvloers woont, zijn de enige mensen die je appartement binnen kunnen kijken de mensen aan de overkant, die in hetzelfde schuitje zitten. Door de gordijnen open te laten maak je elkaars leefruimte virtueel groter. Ik vind het gewoon gezellig om te kunnen zien: “Ah, de buren zijn thuis. Kijk, ze gaan ook juist koken.”

Als er ‘sensatie’ was op straat (brandweer die een dak beklimt, botsing, politie die een paar mensen meeneemt in de combi, zwaar transport, …) keek ik altijd ostentatief aan het raam. Het leuke daarbij vond ik dat die éne overbuur dan ook altijd op zijn balkonnetje stond – al is die nieuwsgierge betrokkenheid wellicht eerder een dorps fenomeen. Door onze overgordijnen ’s avonds wat langer open te laten, hoopte ik dat hij zich ook een beetje welkom voelde in ons leven.

Besluit

Is er meer innovatie in de stad dan elders? Vast wel.

Is dit verwonderlijk? Vast niet.

In de stad is alles dichterbij, dus je kunt er meer doen in minder tijd. Er is een groot cultureel aanbod en veel soorten keukens op wandelafstand. Dit is aantrekkelijk voor veel mensen, zeker ook voor innovatieve types.

Zaak gesloten. :-)

Laatste-schooldag-gevoel

Wij muizen ervandoor.Ik heb al heel de dag het gevoel dat iemand in mijn maag heeft gestompt. Melancholie, omdat we gaan verhuizen en ik vandaag allerlei dingen voor het laatst doe, hier, in onze vertrouwde omgeving.

Precies zo voelde ik me altijd op de laatste schooldag. Er was toen nog geen internet, dus wist ik niet dat er zoiets was als Last Day of School Sadness. Ik begreep nauwelijks waarom er een steen op mijn hart drukte: een vaag gevoel van spijt dat het voorbij was en het gevoel dat ik er niet genoeg van had genoten. Mijn laatste laatste-schooldag-blues is zo lang geleden! Door deze herhinnering versterkt de melancholie van vandaag zich nog.

Zo is het vandaag de laatste dag dat ons kindje naar deze opvang gaat, vanaf maandag gaat hij ergens anders. Ik twijfel er niet aan dat hij daar ook goed verzorgd gaat worden (anders brachten we hem daar niet, uiteraard). En toch is er dat knagende besef dat er iets wordt afgesloten: het was zo gewoon met de verzorgsters zijn dag te overlopen, kleine gesprekken te hebben met andere ouders, dezelfde kindjes te zien, … Gelukkig is ons kindje nog te klein om te beseffen dat hij voor het laatst in deze opvang is. Hopelijk voelt hij dan ook geen steen van melancholie in de maag, maar is het voor hem vooral een heel gewone dag – de dagelijkse routine van eten en slapen, spelen en ontdekken tussen de inmiddels zo vertrouwde gezichten.

Ik heb iets geknutseld om uit te delen als afscheidscadeautje: voor iedereen een muis (omdat we ervandoor muizen) met een wafeltje erin. Het idee komt van deze webpagina, maar omdat onze printer de verhuis niet goed doorstaan heeft, heb ik een eigen variant van het ontwerp gemaakt, met passer en lineaal op ruitjespapier. Ja, een passer – nog zoiets dat ik de voorbije tien jaar niet heb nodig gehad. Het voordeel was dat ik het ontwerp heb kunnen optimaliseren om zoveel mogelijk te kunnen gebruiken van mijn gekleurd karton, dat net iets groter was en andere verhoudingen had dan A4-formaat.

Om de half-cirkelvormige oortjes mooi op het lijfje te laten aansluiten, moet je de vaste punt van de passer in de bissectrice van de betreffende kant van het lijfje plaatsen (en het Wikipedia-artikel toont hoe je dat met passer en lineaal kunt doen). De details in de afwerking zijn ook zo veel mogelijk met cirkels gedaan:

  • twee halve cirkels voor de oortjes,
  • één halve cirkel voor de neus (lijkt kleiner op de foto omdat het gevouwen is)
  • en kwartcirkels voor de ogen.

Geometrisch gezien passen er zes muizen in een cirkel als ze met de neuzen naar elkaar staan, maar omdat ik maar vijf verschillende kleuren had, poseren ze hier met vijf. Om ze te vervoeren kun je ze in elkaar schuiven (met het wafeltje er al in); leg ze dan best op een zijkant in een doos.

Melancholie en meetkunde grijpen wonderwel in elkaar, maar deze congruentie kende Albrecht Dürer al (en dat was in de zestiende eeuw).

Een muis met een wafeltje erin, om het afscheid te verzachten.

Nog zo’n laatste: fruit kopen bij het winkeltje in onze straat in Gent. De man doet me aan mijn moeder denken: altijd opgewekt en bereid tot een praatje. Ik vertelde hem vandaag over onze verhuis en bleef iets langer babbelen dan gewoonlijk. Hij vertelde dat hij enkele jaren geleden een appartement heeft gekocht, maar dat hij geen schotelantenne mag plaatsen van de syndicus. Hij komt uit Pakistan en zou natuurlijk graag het nieuws uit zijn thuisland ontvangen. Er wonen ook Turkse mensen in het gebouw. Volgens de syndicus mogen ze wel één grote antenne zetten en vandaaruit draden trekken naar de verschillende appartementen. Maar de richting om Pakistaanse zenders te ontvangen is anders dan voor Belgische of voor Turkse zenders. Grr, syndicuskantoren

Het leven te slim af: geluk in een klein appartementje

Zicht op Gent vanop Sint-Michielshelling.Toen we in Gent kwamen wonen zochten we een appartement. We hadden iets met twee kamers nodig: een kleine slaapkamer en een iets ruimere kamer die als bureau kon dienen. We gingen langs bij verschillende immobiliënkantoren en huiverden. Hier een lijstje met wat we bijleerden:

  • Oppervlaktes zijn in werkelijkheid altijd kleiner dan het kantoor opgeeft. Dit is de nulde wet.
  • Als een appartement op de vierde verdieping ligt, dan ga je er wellicht van uit dat er een lift is. FOUT! Als er niet bij staat dat er een lift is, dan is er geen. Dit is de eerste wet.
  • Als een appartement parketvloer heeft (En hebben ze dat niet allemaal?), dan is die smerig. Dit is de tweede wet.
  • Hoe meer poespas er in de beschrijving staat (verwijzingen naar “prachtige lichtinval”, “mooie levensmomenten”, “op wandelafstand van sfeervol pleintje”), hoe slechter het pand. Dit is de derde wet.
  • Het kan uiteraard gebeuren dat er in het appartement een gang is die de kamers met elkaar verbindt, maar het kan ook gebeuren dat die gang de grootste ruimte is in het hele appartement. Echt waar!

Ik fluisterde tegen Danny dat we een appartement moesten zien te vinden waar gewoon een handgeschreven bordje “Te huur” aan de deur hing. Dat vonden we en we hebben er graag gewoond.

Plus- en minpunten aan ons appartement:

  • PLUS: Het is klein – ideaal voor een koppel. Ik las eens een lijstje met kenmerken van een kleine woning (waar weet ik niet meer; het was waarschijnlijk in het Engels). Een kenmerk is me bijgebleven: je hebt maar één stopcontact nodig om overal bij te kunnen met de stofzuiger. Bij ons is dat zo, dus ja, het is klein, maar dat is dus wel gemakkelijk om te kuisen!
  • MIN: Het is klein – althans te klein voor een klein gezinnetje. Daarom gaan we verhuizen. Toch wel jammer dat je zo’n appartement niet gaandeweg wat kunt uitbreiden.
  • PLUS: Ons appartement heeft de vorm van een groot stuk taart (een kwart cirkel dus). De ramen zitten aan de ronde kant en door de – inderdaad – práchtige lichtinval krijg je hierbinnen toch nooit een opgesloten gevoel.
  • MIN: De parketvloer is smerig (zie tweede wet), ondanks onze goede zorgen (en de retro-Hoover-boenmachine van de huisbaas). Als er bijvoorbeeld een natte handdoek op de grond valt, laat dat sporen na (bleke vlek op de vloer en bruine vlek op de handdoek).

Tips om het meeste te halen uit het leven in een klein stadsappartement:

  • Laat je niet wijsmaken dat je er romantische tête-à-têtes zult beleven, maar een balkon is verdomd handig om vuilniszakken te bewaren tot de volgende ophaalronde.
  • Een keldertje is heel handig om eten in voorraad te houden, kerstversiering te stockeren, enz. Tel de kelder dus zeker mee bij de totale oppervlakte van een appartement als je wil vergelijken. Of nog beter: koop een paar houten rekken en tel het kelderoppervlak twee keer mee. We ♥ dat keldertje!
  • Leer ermee leven dat er geen auto in de garage past; koop een fiets, of ga te voet of met de tram: alles is vlakbij!
  • Onze hal doet tevens dienst als dressing. Het is misschien niet mooi dat er twee kleerkasten in de hal staan, maar handig is het wel.
  • Bij gebrek aan een betere plek, bewaren we onze reiskoffers bovenop de kleerkasten.
  • Bij gebrek aan een wasdraad laten wij onze was drogen op kapstokken. (Dat scheelt trouwens een hoop strijkwerk.) Hierbij komen die reiskoffers perfect van pas: je kunt het handvat van de koffers op de kast uittrekken en daar kun je een heel regiment kleren aan hangen. Het is een zicht waar je aan went, en is zelfs best schattig, zeker als er babykleertjes te drogen hangen. :-)

Dit leerden we bij door in ons appartementje te wonen:

  • Als je aan de vorige bewoners vraagt hoeveel de vaste kosten zijn, doe dit bedrag dan maal twee; maal drie als het studenten zijn die de rekeningen niet zelf betalen. ;-)
  • Syndicuskantoren zijn nog erger dan immobiliënkantoren, maar tegenwoordig helaas verplicht. :-(
  • Als de zekeringen niet sterk genoeg zijn om meer dan één kookplaat tegelijk aan te zetten, dan ga je natuurlijk niet zomaar zwaardere zekeringen steken, want als de rest van de bedrading niet dik genoeg is, kan er brand ontstaan. Je laat dus een elektricien komen, die – je raadt het al – gewoon zwaardere zekeringen steekt. (Na meer dan drie jaar nog geen problemen mee gehad.)
  • Deze wijze les heeft ons een paar honderd euro gekost, dus doe hier je voordeel mee! Vraag aan je huisbaas om nieuwe siliconen afkitting aan te brengen rond het bad als je dat gebruikt om in te douchen. Als je het niet doet en de siliconen blijken te lekken (zonder dat je dit kunt zien) met waterschade aan het plafond onder je tot gevolg dan heb je de franchise van je brandverzekering aan je been. Zodra je de huisbaas inlicht ben jij niet langer aansprakelijk.

Ik weet nog dat de studente die hier voor ons woonde bij ons eerste bezoekje zei: “Ik heb hier altijd graag gewoond.” Daar sluit ik me graag bij aan – al had ze van de kosten dus echt géén idee, hè. ;-)

Leven in de stad

Zicht op Gent vanop Sint-Michielshelling.Ik groeide op in een dorp en was soms bang er nooit uit weg te raken. Inmiddels woon ik al jaren en met veel plezier in de stad Gent. Toch ga ik binnenkort weer in een dorpje wonen. Ons kindje wordt steeds mobieler, dus waren we in elk geval op zoek naar iets met een extra kamer. Als we dan toch moeten verhuizen, dan liefst naar een huis met een tuin. En zo zijn we plots deel van een fenomeen: jonge gezinnen die de stad ontvluchten. Naar het schijnt is er op het platteland ook internet, tegenwoordig, dus zo erg kan het er niet zijn. :-)

Vandaag schrijf ik een ode aan de stad, voor ik vergeet hoe leuk het hier was!

Als we uit het raam kijken is er altijd iets te zien. Dat is trouwens wel een troef als je jonge kinderen hebt: je kunt gewoon op de vensterbank gaan zitten met de baby op schoot en dat kleintje heeft altijd wat te zien!

Met altijd wat te zien, bedoel ik:

  • transportmiddelen: wandelaars, fietsers, auto’s, vrachtwagens, bussen en skateboarders;
  • kinderen: schoolklasjes in fluohesjes (door de week) en als cowboys en indianen verklede scouts (op zondag);
  • omgangsvormen: mensen die ruzie maken of elkaar kussen;
  • kunstzinnige types die foto’s trekken van een rekker (zwarte elastiek voor over het bagagerek van de fiets).
Een rekkertrekker.

Een rekkertrekker, gezien vanuit het raam. Enkel mogelijk in de stad.

We kunnen te voet naar de bakker, de groetewinkel en de buurtsupermarkt. Idem voor huisarts en apotheker – en er is zelfs een tandarts gevestigd in ons appartementsgebouw. Er is sinds vorig jaar een ijssalon op minder dan vijf minuten wandelen (maar we combineren het meestal met een iets langere stadswandeling). We hebben keuze uit meerdere nachtwinkels (al maken we daar geen gebruik van, maar het is toch een geruststelling dat we ook ’s nachts een ijsje zouden kunnen gaan kopen). En we wonen kort aan een tramhalte, waar je ook met een kinderwagen of buggy gemakkelijk op kunt.

Nachtwinkel.Over de nachtwinkels schreef ik twee jaar geleden een tekstje, dat ik toen vergeten ben te posten. Dit stukje lijkt me een goede gelegenheid om dat alsnog te doen:

Stadsimpressie

In de vervallen nachtwinkel van de oude Indiër
halen afgeleefde rokers en doorzopen koppen hun dosis voor de nacht.
Een koppel, dat toch niet van de liefde blijkt te kunnen leven,
koopt op zondag een te duur pakje kaas.
En zelfs dat is vervallen.

Maar veel erger is de nieuwe nachtwinkel
aan de overkant van de straat.
Een jonge Indiër staat er tussen nieuwe rekken.
Alles is perfect.
Het licht is helder wit.
De vloer brandschoon.
Hier is niets vervallen.

De nieuwe Indiër inspecteert zijn rekken.
Hij legt een scheef gezakt zakje chips recht.
Elke keer als ik passeer,
staat hij daar weer, alleen tussen de rekken.
Alles is perfect, denkt hij,
waarom koopt niemand iets bij mij?