Tag Archief: Limburg

Vergadertechnieken van de toekomst (anno 2007)

Als ik ooit nostalgisch zou durven worden, dan is er een simple remedie: laat me terugkijken naar dit tenenkrullende fragment “reality TV” (uiteraard volledig gescript). Hierin mocht ik kotgenote Eva rondleiden in een onderzoeksinstituut op het Wetenschapspark. Niet in het Instituut voor MateriaalOnderzoek, waar ik doctoreerde (want daar hadden ze al met een andere student gefilmd), maar wel bij de collega’s aan de overkant: in het Expertisecentrum Digitale Media, waar ik voordien zelf ook nog nooit binnen was geweest.

Filmopnames in een lift, het is niet gemakkelijk. En die “vergadertechnieken van de toekomst” waren zelfs in 2007 al niet om over naar huis te schrijven.

Vroeger was zelfs de toekomst niet beter.

Zomerbeelden (2/2)

Vorige keer beloofde ik meer zomerbeelden, dus hier is het vervolg van de vakantieherinneringen in elf foto’s:

Zomer 2015.

Linksboven: we gingen naar een dorpsfeest. Rechtsboven: Danny maakte confituur van bessen uit de tuin en het lukte om twee gekleurde laagjes te maken. Linksonder: we gingen naar Jurassic World kijken, maar we zagen ook een dino naast de weg. Rechtsonder: we bezochten het tijdelijke labyrint by C-Mine in Winterslag.

Zomer 2015.

Experimenteren met de sluitertijd. Boven: Danny illustreert een omwentelingslichaam en ik zwaai met mijn haar. Onder: de reflectie van de zon op het International Space Station is zichtbaar als een heldere streep aan de hemel (foto uit deze tweet).

Andermaal een onvolledig overzicht:

  • We gingen naar een dorpsfeest.
  • Er was tijd voor enige huisvlijt: ik schilderde een kastje en Danny maakte confituur.
  • We gingen naar Jurassic World kijken in de cinema (verslag door Danny).
  • We bezochten het (tijdelijke) labyrint bij C-Mine.
  • We probeerden zo vaak mogelijk het International Space Station te zien overvliegen ’s avonds. Danny schreef er een blogpost over.
  • Dit betekent ook dat ik eindelijk ontdekte hoe ik de belichtingstijd van mijn half-automatische fotocamera kan instellen. We maakten voor de lol bewogen foto’s van onzelf.
  • We speelden, lazen boekjes, keken filmpjes. Ons zoontje vroeg nochtans vooral om te mogen werken: de tuin in, handschoenen aan en graven maar. :-)
  • We deden een familieuitstap naar Planckendael. Ons zoontje is in de ban van een verhaal over pinguïns, dus hij was erg gefascineerd door de kolonie Humboldtpinguïns, al vroeg hij zich af waar de grote pinguïns dan zaten… De goudkopaapjes konden ook op zijn aandacht rekenen.
  • We gingen een namiddag geochachen. We doen dat heel graag, maar toch slagen we er blijkbaar slechts één keer per jaar in om het ook effectief te gaan doen (zie zomercollage van vorig jaar). We zullen het dan maar een jaarlijkse traditie noemen. :-)
  • We gingen voor het eerst in ons leven naar Trekker-Trek (tractor pulling). Zeer vreemde ervaring. Een organisatie van de Groene Kring en maar uitlaasgassen uitblazen. ;) Zelden zo’n Amerikaans gevoel gehad in een Maaslandse koeienwei!
  • We verbaasden ons geregeld over uitspraken van de kleinste thuis. Je moet dat opschrijven, anders vergeet je het omdat het zo snel evolueert. Hier een tweet van eind juli:

    Werkwoorden v/d kleuter:
    STERK Wat heef jij gedoen? (wat heb je gedaan)
    ONSCHEIDBAAR Je moet pasoppen! (oppassen)
    FREQUENTATIEF Pipperen (?)

Zomer 2015.

Linksboven: ons zoontje maakt kennis met de goudkopaapjes in Planckendael. Rechtsboven: we keken geregeld naar de sterren (en het ISS, zie hoger). Linksonder: Trekker-Trek. Rechtsonder: ondergedompeld in het groen tijdens geocachen.

Kortom, het werd precies de rustige zomer waar ik al maanden naar snakte. Het nieuwe school- en academiejaar komt er op kousenvoetjes aan. Wij zijn er klaar voor!

Als afsluiter deze tweet van vorige week:

Dialoog met zoontje (bijna 3) deze ochtend

– Mag ik iets vasthouden in de auto?

– Tja, wat wil je vasthouden?

– Een lolly.

#GoedGeprobeerd

Ode aan de pisbloem

Juliet: “What’s in a name?
That which we call a rose
By any other name would smell as sweet.
– Shakespeare, Romeo and Juliet (II, ii, 1-2)

Het vorige bericht ging over de paardenbloem. Vandaag sta ik stil bij de naam van deze plant in verschillende talen.

Laat maar waaien.

Paardenbloem? Pissebloem? Leeuwentand? Laat maar waaien!

De wetenschappelijke benaming voor de paardenbloem is Taraxacum officinale (waarbij “officinale” verwijst naar medicinaal gebruik van de plant).

Waarom spreken we in het Nederlands eigenlijk van paardenbloemen? De Nederlandstalige naam werd pas officieel vastgelegd in 1906. Het voorvoegsel “paarden-” (in de oude spelling weliswaar zonder ‘n’) vind je ook in de benaming voor wilde kastanjes: “paardenkastanjes”. Op Wikipedia staat de hypothese dat het voorvoegsel “paarden-” waardeloos zou betekenen, maar dat lijkt me ongeloofwaardig, aangezien het paard traditioneel als een edel dier wordt beschouwd. In het geval van de paardenkastanje verwijst ook de Latijnse botanische naam naar paarden en dit wordt (o.a. in de Oxford English Dictionary) uitgelegd als zou men de vruchten in het Oosten gebruikt hebben om paarden van bepaalde kwalen af te helpen. Voor de paardenbloem is me geen soortgelijk verhaal bekend. In het Duits wordt ondermeer Kuhblume gebruikt, letterlijk dus koeienbloem. (Misschien betekent het niet meer dan dat de plant veel voorkomt in paarden- en koeienweides?)

In ons (Maaslandse) dialect spreken we van “pisblóm” en “pisbloem” blijkt ook algemeen Nederlands te zijn (al is de vorm “pissebloem” couranter). Vermoedelijk komt dit van de Franse benaming “pissenlit“. In het Engels zou ook “pissabed” gebruikt worden. Deze benaming verwijst naar de (vermeende) urineafdrijvende eigenschappen van de plantenwortel. (Ook onze benaming “pissebed” voor de diertjes die zich graag onder stenen ophouden gaat terug op het Franse “pissenlit“, ook zo genoemd om het gebruik ervan als waterafdrijvend middel.)

In het Frans wordt naast “pissenlit” ook “dent-de-lion” gebruikt. Dit gaat terug op het Middeleeuws Latijndens leonis” of leeuwentand, wat vermoedelijk verwees naar de getande bladrand. (Voor alle duidelijkheid: het gaat dan om de groene blaadjes van de plant, niet om de gele bloemblaadjes. Op SoortenBank wordt de bladvorm beschreven als lijnlancetvormig en veerspletig.) Via het Frans werd dit in het Engels “dandelion“. Ook in het Duits wordt “Löwenzahn” gebruikt. Let wel: in het Nederlands duidt “leeuwentand” een iets andere bloemsoort aan (Leondoton), weliswaar verwant aan de gewone paardenbloem.

Pluizenbol.

Deze pluizenbol bestaat uit minder en grotere zaadjes dan die van een gewone paardenbloem. Het gaat hier dus om een verwante soort. (Welke precies weet ik niet, want ik heb de bloei van de bloem niet gezien.)

Tegen de rijpe planten zeg ik “pluizenbol” of “blaasbloem”, maar geen van beide woorden blijken algemeen Nederlands te zijn. In het Duits wordt soms ook “Pusteblume” gebruikt, wat ook zoiets als blaasbloem betekent. In het Engels wordt het “seed head“, “blowball“, “puff” of “clock” genoemd. (Dat is handig om te weten als je via internet naar plaatjes zoekt.)

De Engelstalige Wikipedia-pagina heeft benamingen in nog meer talen, waarvan sommige verwijzen naar spelletjes die kinderen spelen met de plant (meestal maar niet altijd met de rijpe vorm). Dit doet me denken aan de naam van de film (uit 1998) “Blazen tot honderd” (die ik trouwens nooit gezien heb).

Pluizenbol.

In het Engels worden rijpe paardenbloemen “dandelion clocks” genoemd. (Afbeelding uit “The Dream Coach” door Anne en Dillwyn Parrish, 1924 via deze link; zelf ingekleurd.)

Gebruik jij een ander (dialect-)woord voor paardenbloem? Hoe noem jij zo’n pluizenbol? Laat een reactie achter!

Sollicitere(n)? Schrijf maar opnieuw!

FWO, gimme some lovin'.Onderstaand liedje is opgedragen aan al mijn collega’s die aan het zwoegen zijn op hun FWO-aanvraag voor een doctoraats- of postdoc-project. (Als je ook zo iemand kent: geef hem of haar een extra knuffel!) De laatste loodjes wegen ook hierbij het zwaarst: de karakterlimiet van het elektronische aanvraagformulier is onverbiddelijk, dus aan het einde is het wikken en wegen om de beschikbare tekens zo efficiënt mogelijk in te vullen. Er is nauwelijks plaats voor grote ideeën of wetenschappelijke nuance in die kleine vakjes. De deadline is maandag om 17u, maar met wat geluk raakt alles het vanavond af, zodat iedereen een rustig weekend tegemoet gaat.

Het liedje heet “Sollicitere” en het is van de Janse Bagge Bend, een groep uit Susteren (Nederlands Limburg) die carnavalsmuziek veredeld heeft tot ‘dialectpop’. (Dit is de link naar onderstaande video, alsook naar een live-versie uit 2010.) Het nummer was geïnspireerd op het invoeren van de solliciatieplicht in Nederland. In 1982 haalde het de achtste plaats in de Nederlandse top-40 en de 15de plaats in de Vlaamse hitlijst. Hoewel ik het liedje als kind vaak op de radio heb gehoord, dringt de tekst nu pas tot me door en die blijkt bijzonder toepasselijk te zijn – voor de huidige pre- en postdoctorale sollicitanten van het FWO, en bij uitbreiding voor alle postdocs, die quasi permanent moeten solliciteren (zoals ik).

Dit is de originele tekst van deze visionaire song (eerste strofe en refrein):

Hey!
De perspektieve veur de toekoms die zeen nul komma nul
Al höbse noa veul zjweite enne universitaire bul
Al böste ongerwiezer, bankwirker of psycholoog
De komende joare böste waarsjienlik wirkeloos

Doe mos sollicitere, sollicitere!
Höbste al gesjreve?
Viefensevetig breeve!
Höbste al gesjreve?
Viefensevetig breeve!
Höbste al gesjreve?
Den sjrief mer opnuuj!

(meer…)

Verboden te spuwen van Shanghai tot Genk

Lampion.In 2008 ging ik samen met Danny naar China. Ik ging er spreken op het wereldcongres over biosensoren in Shanghai en daarna reisden we door naar Peking. (Twee dagen na aankomst terug in België hield ik trouwens mijn doctoraatsverdeding. Ja, dat is ook manier om te ontsnappen aan collega’s die de dagen ervoor aldoor vragen of je al zenuwachtig wordt. ;-) ) Het was onze eerste (en tot nog toe enige) reis naar Azië, dus uiteraard keken we onze ogen uit en maakten we veel foto’s.

Zo legde ik een kleine fotoverzameling aan van verbodsborden: een pictogram met daaronder Chinese tekens en de Engelse vertaling erbij. De eerste foto in mijn verzameling was het verbod op spuwen (bij de metro van Shangai): zie foto hieronder. Verder zagen we bordjes met “No touching” (niet aanraken), “No littering” (geen afval achterlaten), “No loitering” (niet rondhangen), “No vendors” (geen kraampjes), “No crossing” en “No climbing” (allebei bedoeld als: niet over het hek kruipen) en “Dangerous articles prohibited” (dit zal een zeer beknopte vertaling zijn geweest, want het stond onder een lange reeks Chinese tekens, bij vijf pictogrammen met doodshoofden, pistolen, explosieven en meer van dat fraais).

Verboden te spuwen in Shanghai.

Verboden te spuwen in de gangen van de metro in Shanghai (foto uit 2008).

Daar moet ik aan denken terwijl ik in het station van Genk sta aan te schuiven voor het loket. Want, ja, ook hier hangt er tegenwoordig een bordje dat het spuwen verbiedt.

Verboden te spuwen in Genk.

Verboden te spuwen in de stationshal van Genk.

Ben ik de enige die dit een interessant fenomeen vindt? Ik stel er mij veel vragen bij:

  • Is spuwen dan zo’n groot probleem?
    • Helpt zo’n bordje daar dan tegen, of dient het als stok achter de deur als je er iemand op wil aanspreken?
  • Kun je een GAS-boete krijgen als je spuwt?
    • Krijg je er dan twee als je opmerkt dat speeksel geen gas is maar een vloeistof? :-)
  • Zullen dit soort verbodsborden ooit tot archeologisch materiaal gaan behoren?
    • Welk beeld gaan toekomstige generaties dan krijgen van onze tijd?
  • Wat is het origineelste verbodsbord dat jij ooit zag (in binnen- of buitenland)?

Nieuwsflits: met F-16’s op zoek naar laserpen

Over 't malse korenveld, 't lied des F-16's klinkt.Al twee avonden vraag ik me af waarom er toch zoveel vliegtuigen overvliegen. Lijnvluchten vliegen hoger en daar hoor je hier niets van, dus ik gokte op de F-16’s van de luchtmachtbasis in Kleine-Brogel. Bereiden ze een oorlog voor? Of moet er iemand nog snel zijn vlieguren halen? Ik dacht ook een helikopter te horen – vreemde combinatie. Maandagavond begon het om kwart voor negen ’s avonds, precies toen ons kleintje in zijn oogjes begon te wrijven en wou gaan slapen. Dinsdagavond begon het iets later. Ik probeerde online te zoeken wat er aan de hand was, maar vond geen recente berichten met als trefwoorden: F-16’s, Limburg en Kleine-Brogel. Zelfs geen klachten op Twitter, straf!

Intussen vond ik wel een leuke website, waarop je kunt zien welke passagiersvliegtuigen er momenteel waar in de lucht zijn. (Als je een beetje inzoomt kun je zien hoe snel die dingen vliegen. Zo’n 900 km/u?) Gevechtsvliegtuigen staan daar niet op, maar op het moment dat ik keek zat er recht boven mijn hoofd wel een groot gat in de verdeling van de burgervliegtuigen. Ik neem aan dat dat geen toeval was, want overdag zie ik toch wel eens een vliegtuigstipje overvliegen.

Deze ochtend hoorde ik op het radionieuws dat de politie de voorbije twee nachten op zoek was naar mensen die met laserpennen op vliegtuigen mikken. Er kwamen F-16’s en een politiehelikopter aan te pas. Aha. En vermits ze gisteren iemand hebben opgepakt, kijk ik uit naar een rustige nacht.

Natuurlijk zou je je kunnen afvragen hoeveel dat allemaal heeft gekost en of ze dat geld niet beter zouden investeren in andere zaken in Limburg, zodat jonge mensen hier iets beters te doen hebben dan piloten hinderen met laserpennen. Maar met zo’n mentaliteit zou ik beter een Twitter-account beginnen.

In plaats daarvan sluit ik af met een nostalgische gedachte. Toen ik op de lagere school zat, stonden de ruiten geregeld te daveren nadat er weer eens een gevechtsvliegtuig door de geluidsmuur was geknald. Dat hoor je niet meer; blijkbaar moeten ze nu hoger vliegen? Ik schrok er altijd enorm van, maar net daardoor heb ik een aantal scherpe herinneringen van verder heel gewone dagen in de klas in de jaren ’80.

Aanvulling:

Ze hebben het er ook over bij Hautekiet op Radio 1.

Waar komt het woord ‘fiets’ vandaan?

Halverwege het paard-fiets continuüm kom je vreemde dingen tegen.Soms kan wetenschap een antwoord geven op iets dat je je al lang afvroeg (zoals in mijn vorige bericht). Dan reageer je met: aha! Soms ontdekt een wetenschapper iets dat je je zelfs nog nooit had afgevraagd, maar dat toch leuk is om te weten: wel wel, aha! Dat verhaal deel je dan thuis bij het avondeten, of (als je niet thuis bent zoals ik op dit moment) schrijf je er een stukje over op je blog.

Ik had me eerlijk gezegd nog nooit afgevraagd waar ons woord ‘fiets’ vandaag komt. Het lijkt zo’n gewoon woord: één lettergreep, geen vreemde klanken of tekens. Voor zo ver ik weet, heet een fiets alleen ‘fiets’ in het Nederlands (en in het Afrikaans). In Duitsland noemen ze een fiets ‘Fahrrad‘ of schertsend ‘Drahtesel‘, in Frankrijk ‘vélo‘ of ‘bicyclette‘, in Engeland is het ‘bicycle‘ of kortweg ‘bike‘ en in het Deens  ‘cykel‘ (maar dat spreken ze vast heel anders uit dan je zou verwachten). Dus ja, waar zou het woord ‘fiets’ anders vandaan komen dan uit Vlaanderen of Nederland?!

Toch blijkt de herkomst van dit woord de gemoederen van etymologen al jaren te beroeren. Allemaal hebben ze er wel een theorie over. De ene zegt dat het uit het Limburgs komt, waar ‘vietse‘ hard lopen zou betekenen (nooit gehoord trouwens), de andere beweert dat het een verbastering is van het Franse ‘vélocipède‘. Voor details van deze en nog andere hypothesen kun je bij de etymologiebank terecht. Daar blijkt ook dat het woord fiets voor het eerst werd waargenomen in een kostschool in Apeldoorn rond 1870, terwijl de discussie over de herkomst van het woord niet veel later begon. Gisteren maakte de Universiteit Gent bekend dat twee van haar taalonderzoekers eindelijk ontdekt zouden hebben waar het woord ‘fiets’ echt vandaan komt.

Volgens het persbericht van de UGent vernam professor Gunnar de Boel van Duitse vrienden dat appelwijn in sommige delen van Duitsland ‘Viez‘ (uitgesproken als ‘fiets’) wordt genoemd, een verkorte vorm van ‘vice-vinum‘, waarmee ze erzats- of vervang-wijn bedoelen. Zo ontstond de hypothese dat ons woord ‘fiets’ ook ontstaan is uit het Duitse voorvoegsel ‘vice-‘ in de betekenis van erzats-, maar dan in combinatie met paard. Zoals wij ook schertsend spreken van een stalen ros, zouden Duitser destijds ‘vice-Pferd‘ hebben gezegd tegen de fiets: een grappige variant van ‘Veloziped‘.

Terwijl er voor fiets in heel wat Vlaamse dialecten wordt teruggegrepen naar het Franse ‘vélo‘, heet het in het Limburgs ‘fits‘. Heel wat dialecten zijn continu over de landsgrenzen heen en ook in de naburige deelstaat Noordrijn-Westfalen blijken ze nog steeds ‘Fitz‘ of ‘Fietse‘ te zeggen tegen de fiets, hoewel de rest van Duitsland ‘Fahrrad‘ gebruikt. Dit zijn mogelijk hints dat de oorsprong van het woord inderdaad in het oosten ligt. Een goede reden dus voor taalkundigen om in het vervolg extra goed op te letten in de Limburgse les. ;-)

Halverwege het paard-fiets continuüm kom je vreemde dingen tegen.
De nieuwe hypothese over de herkomst van ‘fiets’ lijkt me aannemelijk omdat er nog talrijke andere linken te vinden zijn tussen het paard en de fiets: net als bij een paard, spreken we ook bij een fiets van een zadel. Een voorloper van de fiets werd ook wel ‘hobby horse‘ of ‘dandy horse‘ genoemd: dit Amerikaanse hobby horse lijkt nog het meest op een fiets met een paardenzadel.

Professor Gunnar de Boel werkte zijn hypothese verder uit en publiceerde de vondst samen met professor Luc de Grauwe. Ook op Wikipedia is het onderdeel over de etymologie van ‘fiets’ al aangepast. Mooi, zo kunnen er binnenkort nog veel meer mensen zeggen: wel wel, aha!

Vlechtwerk

Een wan is een platte mand met twee handvaten.Mijn familienaam, Wenmackers, verwijst naar het beroep wannenmaker. Dit is een typisch oud ambacht uit het Maasland, waar sommige mandenvlechters zich specialiseerden in het vlechten van platte manden waarmee men het kaf van het koren kon scheiden: de wan.

In de Nederlandse Maasgemeente Stein staat er een beeldje van een wannenmaker. Iets verder van huis, in het Parijse Musée d’Orsay, hangt het schilderij “Le vanneur” (of “De wanner”) van Jean-François Millet. Helaas mag je daar geen foto’s maken, maar gelukkig is er het internet voor plaatjes bij praatjes (en zijn sommige mensen minder gezagsgetrouw). Dit is het schilderij:

Le vanneur van Jean-Francois Millet (rond 1848).

Le vanneur. Jean-Francois Millet schilderde deze korenwanner omstreeks 1848. Tegenwoordig hangt het werk in Musée Orsay. Bron van de afbeelding: http://www.flickr.com/photos/havala/3974553755/.

Als filosoof is “Wenmackers” wel een toepasselijke naam: in mijn beroep probeer ik immers ook om hulpmiddelen te maken waarmee je het kaf van het koren kunt scheiden… In plaats van wissen gebruik ik ideeën, maar het vereiste vlechtwerk is gelijkaardig.

Rationaliteit in laagjes

Volgens mijn model van 'gelaagd geloof' worden kansen afgerond bij het nemen van beslissingen, meer of minder naar gelang de context.Vorige week was ik op het congres Decisions, Games & Logic. Zoals je al weet, ging het daar over beslis- en speltheorie en over logica. Leuk toeval: de wiskundemeisjes hebben deze week ook net een column over speltheorie.

Mijn eigen praatje ging over een model voor rationaliteit dat ik ‘stratified belief’ of ‘gelaagd geloof’ noem. Stel dat je naar de andere kant van de stad moet en je hebt keuze tussen met de fiets gaan of met de bus. Stel dat je gedetailleerde informatie hebt over kansen: de kans dat het gaat regenen, de kans dat de bussen staken, de kans dat er file staat, en zo verder. Dan nog moet je een eenvoudige beslissing nemen: met de fiets gaan of niet (en dus met de bus gaan). De vraag is hoe je, uitgaande van precieze kansen, deze beslissing op een rationele manier kunt nemen. Deze beslissing heeft ook met geloof te maken: welk van beide optie geloof je dat de betere is? Je moet op voorhand kiezen, dus zekerheid heb je niet.

Filosofen hebben het volgende voorgesteld: het is rationeel om een bewering te geloven als de kans dat die bewering waar is voldoende dicht is bij 1. Hoewel dit idee niet van Locke zelf afstamt, noemt men het wel de Lockeaanse stelling. Stel dat er enige waarheid zit in deze Lockeaans stelling, hoe moeten we dit “voldoende dicht bij 1” zijn dan begrijpen? Meestal wordt er vanuit gegaan dat er een drempelwaarde bestaat, bijvoorbeeld 90% of 99%. Als de kans dat de bewering waar is minstens gelijk is aan die drempelwaarde, dan is het rationeel om de bewering te bewaren. Mij lijkt dit echter geen natuurlijke aanpak: wat er wel of niet “voldoende dicht bij 1” is, hangt af van de context en zelfs als de context vastligt, blijft het een vage uitdrukking, die geen scherpe grens suggereert. Mijn voorstel is om “voldoende dicht bij 1” te interpreteren als “niet te onderscheiden van 1” (in een gegeven context). Als je dit op een wiskundige manier doet krijg je een vage relatie, die lijkt op het afronden van kleine getallen.

Maar wacht eens even: we zijn op zoek naar een model voor rationaliteit en dan gaan we afronden… Dat is toch fout en zeker niet rationeel? Dat ligt eraan hoe je het bekijkt. Als je er rekening mee houdt dat mensen maar een eindig brein hebben, met eindige cognitieve capaciteiten, en dat ze hun beslissingen in een eindige tijd moeten nemen, vaak zelfs binnen de seconde, dan kan afronden juist wel rationeel zijn. Als er veel op het spel staat, kan het raadzaam zijn om toch iets genuanceerder te zijn en langer na te denken. Vandaar het context-afhankelijke aspect in mijn voorstel. Het staat de persoon toe om als het ware naar een fijner denkniveau over te stappen, waarin de kansen minder sterk afgerond zijn en er dus meer onderscheid gemaakt kan worden. Een kans die op een ruw niveau afgerond wordt naar 1, kan op een fijner niveau toch strikt kleiner blijken. Vandaar de naam ‘gelaagd geloof’.

Vulcans, zoals Spock, proberen hun emoties uit te sluiten en puur rationeel te zijn; toch hebben ze maar een eindig brein.Hoewel mijn model voor rationaliteit uitgaat van een realistisch element (“mensen hebben eindige cognitieve capaciteiten”), maakt dat het model nog niet volledig realistisch. Zo houdt het er geen rekening mee dat ook emoties een rol kunnen spelen bij het nemen van beslissingen, of dat mensen vatbaar zijn voor typische denkfouten als het om kansrekening gaat. Erg hoeft dit niet zijn: het doel van het model is immers niet beschrijven wat echte mensen doen, maar wat ze zouden moeten doen om rationeel te zijn (rekening houdend met bepaalde beperkingen). Wie weet beschrijft mijn model wel perfect de denkwijze van Spock en andere Vulcans…

Ook de informele gesprekken waren erg interessant. Rohit Parikh is een vermaard wiskundige, filosoof en logicus, van Indische afkomst, maar verbonden aan de Universiteit van New York. Hij was aanwezig op de lezingen van vrijdag: hij toonde veel belangstelling voor alle presentaties en zorgde voor amusante interrupties. In een gesprek op café probeerde hij me van het volgende te overtuigen: speltheorie en andere economische beslistheorieën gaan uit van een verkeerd idee. Ze nemen aan dat mensen steeds handelen uit eigenbelang. Maar mensen zijn geëvolueerd als een sociale soort. Samenwerking is de regel en eigenbelang de uitzondering. Jonge kinderen zijn al in staat in te zien dat iemand hulp nodig heeft en reageren coöperatief. Ik was niet meteen overtuigd, maar dit voorbeeld houdt wel steek: Stel dat iemand geld steelt van iemand anders, dan is dat een egoïstische daad, maar de diefstal is enkel mogelijk doordat er een maatschappij is die waarde toekent aan dat geld. Zonder de samenleving, geen dief. Als iedereen enkel egoïstisch zou zijn, zou het hele systeem vierkant draaien en zouden we het niet lang overleven. Toch bestuderen economische theorieën hoofdzakelijk egoïstische spelers, de storingen aan het oppervlak van een veel grotere onderstroom die in essentie coöperatief is.

Een mooie gedachte om aan terug te denken als je weer eens aan de kassa staat en je bankkaart bovenhaalt na een rondje winkelen zonder ook maar één directe vorm van menselijk contact. Zonder andere mensen zouden de rekken leeg zijn, het licht niet branden en de plastic kaart in je hand geen waarde hebben.

Beslissingen, spelletjes en logica

Het nemen van een beslissing onder onzekerheid vereist een rationeel omgaan met kansen.Afgelopen donderdag tot zaterdag werd er aan de Universiteit van Maastricht een congres gehouden: Decisions, Games & Logic (DGL). Het was al de vijfde keer dat deze bijeenkomst over beslis- en speltheorie en logica georganiseerd werd. Voor mij was het tweede keer, want vorig jaar in Parijs was ik er ook bij. Volgend jaar is de afspraak in München.

Het doel van deze interdisciplinaire workshop is het bij elkaar brengen van mensen die met verwante onderzoeksvragen bezig zijn, maar die toch zelden met elkaars werk in contact komen, omdat ze aan verschillende faculteiten verbonden zijn. Beslis- en speltheorie wordt typisch onderzocht binnen de economie en sociale wetenschappen. Logica kan bij het departement wiskunde horen of bij de faculteit filosofie; soms hebben beide een logica-afdeling en werken ze niet samen. De onderwerpen die op de agenda stonden zijn nauw verwant met kansrekening en ik heb dan ook veel interessante presentaties gezien.

Om elkaar beter te leren begrijpen, waren de voormiddagen voorbehouden voor telkens een mini-cursus over één van de drie vakgebieden.

Drie spelers en een aantal financiële interacties.Op donderdag gaf Andrés Perea van de Universiteit Maastricht een inleiding over speltheorie. Speltheorie gaat over situaties waarin er twee of meer spelers een beslissing moeten nemen, wetende dat de uitkomst niet enkel van hun eigen beslissing afhangt, maar ook van die van de andere spelers. (Als je de film “A beautiful mind” hebt gezien, dan weet je wellicht dat John Nash de Nobelprijs heeft gekregen voor zijn bijdragen op het gebied van speltheorie.) Elke speler probeert te redeneren over hoe de andere spelers zullen redeneren, inclusief over hoe zij redeneren over hemzelf, en zo verder… Je zou verwachten dat je al snel een onontwarbaar kluwen hebt, maar Andrés Perea wist het ons helder uit te leggen. Hij heeft net een boek geschreven over het onderwerp van epistemische speltheorie en slaagde er wonderwel in om ons de rode raad niet te doen verliezen.

Op vrijdag gaf Paul Égré van het Institut Nicod in Parijs een mini-cursus over beslissingen. Paul Égré heeft recent vooral gewerkt over vaagheid. Hij had het dan ook over hoe we beslissen bij randgevallen van vage begrippen (zoals ‘groot’ en ‘klein’). De klassieke logica werkt enkel voor scherpe begrippen, zoals “minstens 170 cm lang”, en niet voor vage uitdrukkingen, zoals “klein, maar groot voor een jockey”. Paul Égré legde ons uit hoe je de klassieke logica kunt aanpassen of een alternatieve logica kunt opstellen zodat ze ook op vage woorden toegepast kan worden. In de klassieke logica is iets waar of niet-waar, nooit beide en evenmin geen van beide. Voor een logica voor vaagheid zou je kunnen overwegen dat iets wél waar en niet-waar kan zijn, of geen beide. Ook kun je een derde waarheidswaarde introduceren (‘half waar’), of misschien wel veel meer nieuwe waarheidswaarden introduceren (fuzzy logic). Al deze suggesties moeten natuurlijk in detail worden uitgewerkt en er bestaan interessante verbanden tussen de verschillende logica’s. Van al deze aspecten en meer kregen we een degelijk overzicht.

Op zaterdag was Joseph (Joe) Halpern van de Amerikaanse Cornell University aan de beurt. De verwachtingen waren hooggespannen, want alle aanwezigen kenden zijn werk over logica en redeneren over kennis en onzekerheid: je mag gerust van een legende spreken. Geen computerpresentatie deze keer, maar een oerdegelijke uiteenzetting aan bord. Het begon heel elementair met het onderscheid tussen syntax en semantiek. Syntax is enkel de symbolische notatie zonder betekenis. “Chicken scratches” noemt Joseph Halpern dat; betekenisloze hanenpoten, zeg maar. Semantiek gaat over de betekenis die we toeschrijven aan de symbolen. Klassieke logica kan uitdrukken wat waar is en wat niet. Met behulp van modale logica kun je ook beschrijven wat iemand gelooft, wat iemand zou moeten doen, of hoe zaken veranderen in de tijd.

In de inleiding van Halpern ging het over Kripke semantiek, waarmee je kunt modelleren wat verschillende mensen wel en niet weten. Op dit punt komt de logica dicht bij speltheorie, waar het ook gaat om mensen die over gedeeltelijke informatie beschikken. Logica neemt echter een andere afslag en onderzoekt (onder meer) hoe je het beste kunt modelleren dat iemand iets (niet) weet. Dit wordt voorgesteld als een binaire relatie tussen toestanden (hoe de wereld is): het bestaan van zo’n relatie tussen twee mogelijke toestanden kun je interpreteren als dat de persoon in kwestie deze mogelijke toestanden niet kan onderscheiden. Stel de uitspraak “Het regent nu in Sjanghai” voor door het symbool p. Dan staat niet-p voor de uitspraak “Het regent nu niet in Sjanghai”. Maar ik weet helemaal niet of het nu regent in Shanghai of niet! Dit kun je voorstellen door twee mogelijke toestanden, p en niet-p, verbonden door een lijn met mijn naam erbij: die geeft aan dat ik deze toestanden niet van elkaar kan onderscheiden. Deze relatie kan verschillende wiskundige eigenschappen hebben (zo kan ze symmetrisch zijn, reflexief, transitief, of combinaties van deze). Dit wordt gemodelleerd door axioma’s toe te voegen aan de logica en de resulterende eigenschappen daarvan te onderzoeken. Ik was toch al van plan om iets meer van modale logica te leren deze zomer, dus deze inleiding kwam op een ideaal moment!

(Wordt vervolgd: volgende keer een korte samenvatting van mijn eigen praatje en een inspirerend cafégesprek.)