Tag Archief: muziek

Voor filosofen gaat er niets boven Groningen

Vandaag krijgen jullie een virtuele rondleiding op mijn werk aan de Rijksuniversiteit Groningen (RuG).Hoewel mijn uitvalsbasis Gent is, werk ik voor de Rijksuniversiteit Groningen (RuG). Vermits de RuG voor mij ‘gewoon’ mijn werkgever is, was ik nog niet op het idee gekomen om er hier verslag van te doen. Nochtans post ik van een verblijf in een andere universiteitsstad, hoe kort ook, haast altijd een reisverslag. Tja, het zijn de meest voor de hand liggende dingen die het gemakkelijkst vergeten worden, zeker? Hoog tijd om die vergetelheid recht te zetten.

De slogan van de provincie is “Er gaat niets boven Groningen”, een volledig objectieve vaststelling: bekijk dat maar eens op de kaart van Nederland. ;-) Helaas betekent die toplocatie ook dat naar Groningen afreizen een hele onderneming is: voor mij is het zo’n vijf uur met de trein. Op het laatste stuk is er internetverbinding in de trein, dus dan kan ik wel gewoon werken (of bloggen).

De stad Groningen heeft een compact historisch centrum, waar het nooit ver lopen is om een boekenwinkel of een gezellig restaurantje te vinden. (Kwestie van met mijn basisbehoeften te beginnen.) Ook de Faculteit Wijsbegeerte van de RuG is een aanrader en je kunt nu ook zelf zien hoe die er daar aan toegaat in onderstaand filmpje. De video is eigenlijk bedoeld om toekomstige Master-studenten kennis te laten maken met onze faculteit, maar zo krijgen jullie ook een beeld:

De RuG maakte vorig jaar ook een leuke, collectieve video: een lipdub-filmpje op het lied Mr. Blue Sky. Ja, in Groningen is de lucht altijd blauw – als ik er ben dan toch (ik heb de foto’s om het te bewijzen). De locaties die je ziet in deze video zijn de bibliotheek en het plein voor het Academiegebouw:

Volgende week begint mijn lessenreeks over filosofie van de waarschijnlijkheid, dus dan zal ik weer in Groningen zijn. Als het hier vriest, denken jullie dan ook even aan mij, daar helemaal in het Noorden?

Vage herinneringen aan de jaren tachtig

Twiki, de dwaze robot, moet een schijfvormige computer ronddragen en zegt daarbij voortdurend: Biddi-biddi-biddi... Luister tijdens het lezen van deze post gerust naar ‘Kvraagetaan‘ van De Fixkes, want het gaat vandaag over de “goeien ouwen tijd van rekenen en vlijt”, of zet ‘Acceptable in the 80’s‘ van Calvin Harris op, ‘cause “I’ve got hugs for you if you were born in the eighties”.

Zo nu en dan ga ik op zoek naar de oorsprong van vage herinneringen uit mijn kindertijd. Waar dient het internet anders voor?! Meestal heb ik net iets te weinig gegevens om me op te baseren en dan leiden die verwoede speurtochten tot niets. Soms vind ik het later, op een onverwacht moment, toch terug; dat heet dan ‘geluk’. Rutger Kopland – psychiater en één van mijn favoriete dichters – schreef in “Het mechaniek van de ontroering” iets dat ook op het toevallig terugvinden van oude muziek of televisiefragmenten van toepassing is:

Een op het eerste gezicht onbetekenende sleutel past op een slot waarvan je niet wist dat je dat in je omdroeg. Ik ben al lang nieuwsgierig naar die sleutels en die sloten, dat mechaniek van de klik.

Zo zat ik eens weken aan een stuk met een liedje in mijn hoofd. Het enige dat ik wist, was dat ik het gehoord heb op een mini-playbackshow in de jaren tachtig, dat het gezongen werd door een vrouw in het Engels en dat er een stukje in gestotterd werd. Je zou je kunnen afvragen wat het betekent om een liedje in je hoofd te hebben, als je de melodie, het ritme en de tekst niet weet. Toch zat het daar en moest het eruit. Twee keer stond ik ’s nachts op om op YouTube naar eighties-compilaties te luisteren, maar zonder resultaat.

Verbazend genoeg heb ik het liedje uiteindelijk wel teruggevonden. Eerder toevallig – ik weet zelfs niet meer precies hoe het is gegaan. Belangrijker is dat ik het nog steeds een leuk liedje vind. Er zit een videoclip bij die ik destijds nooit gezien heb, maar die de tand des tijds goed heeft weerstaan. Hoog geëerd publiek, ik presenteer u, opgediept uit het de diepste kerkers van mijn geheugen, maar nog altijd even fris: Paula Abdul met Straigth Up. Het gestotterde stukje dat ik me herinnerde, komt er maar één keer in voor: rond 2min.27, wanneer ze zingt “I’ll just have to say–bye bye bye bye bye bye bye bye bye“.

Nog zo’n vage herinnering, ditmaal van een televisieserie. Als held herinner ik me een man in een bleek turnpak, dus het zal wel sciencefiction geweest zijn. ;-) Er waren ook poortjes die op een vreemde manier werkten, waarschijnlijk krachtvelden. Specifieker herinner ik me een verhaal over een vrouw met gespleten persoonlijkheid en een gevecht in een gang. Dé klassieker in het genre van de meervoudige persoonlijkheid is natuurlijk Dr Jekyll en Mr Hyde, maar in mijn leven was het die televisiereeks waarin ik de mythe van de gespleten persoonlijkheid voor het eerst tegenkwam. De vrouw herinnerde het zich nooit als ze een agressieve episode had gehad. Dat leek me vreselijk: misschien was ik ook wel een misdadiger en wist ik het zelf niet!

Ook naar de oorsprong van deze vage herinnering heb ik gericht proberen zoeken, maar opnieuw vond ik het fragment pas na een toevallige hint terug. Tijdens de kerstvakantie zag ik op Neatorama een link naar een post over Buck Rogers. De acteurs op de bijbehorende foto kwamen me niet meteen bekend voor, maar het robotje wel: dat had ik eerder gezien! Dus op naar het internet en ja hoor: het fragment was snel gevonden. Tijdens haar episodes veranderde de vrouw met de dubbele persoonlijkheid zelfs helemaal van uiterlijk, van blond naar donker haar. Hoog geëerd publiek, ik presenteer u, opgediept uit het de diepste kerkers van mijn geheugen en niet meer zo fris: Buck Rogers In The 25th Century. Meer bepaald aflevering 13 uit het eerste seizoen, met als titel “Cruise Ship to the Stars“.

Bekijk hier een langer fragment op YouTube en beantwoord dan de wedstrijdvraag: hoe bizar is die robot, Twiki, met zijn ellendige “Biddi-biddi-biddi”?! O_o En moest je het je afvragen: die klok zonder wijzers heet Dr. Theopolis; dat is het brein van het gezelschap, kun je nagaan. Geen wonder dat ik meteen verkocht was bij Star Trek TNG, als de toekomst voordien zo weinig om het lijf had.

Twee beelden uit Buck-Rogers-aflevering Space Ship to the Stars.

In “Space Ship to the Stars” komt Buck Rogers een vrouw tegen met een extreme vorm van gespleten persoonlijkheid: links haar boosaardige kant, rechts haar onschuldige kant.

Met Niki uit Heroes hebben ze het verhaal van de vrouw met de vriendelijke en de agressieve kant nog eens dunnetjes overgedaan. Als het op vrouwelijke personages met meervoudige persoonlijkheden aankomt, gaat de prijs echter naar United States of Tara. Van deze Amerikaanse serie zag ik vorig jaar twee afleveringen in het vliegtuig naar New York. Alleen al het intro-filmpje is mooi om te zien en de afleveringen zijn behoorlijk gestoord, maar wel grappig, met ook ontroerende momenten. De naam ‘Tara’ komt  trouwens ook voor in Buck-Rogers-aflevering “Cruise Ship to the Stars” en één van de nevenpersoonlijkheden van Tara heet ‘Buck’, maar ik neem aan dat dat toeval is.

Er is ook nog iets uit de jaren tachtig dat ik nog niet heb kunnen terugvinden: mijn neef had een stuk speelgoed waar we niet vaak mee hebben gespeeld, waarschijnlijk omdat het maar voor één speler was. Het was een bakje dat je verticaal moest houden en waarbij je een knikker een bepaalde weg moest laten afleggen. Op de achtergrond was een bos afgebeeld en de bewegende onderdelen waren dieren, onder andere een konijn, een eekhoorn en een uil. Er zaten verschillende knoppen op, die dan bijvoorbeeld de arm van de eekhoorn bewogen: zo moest je de knikker naar de volgende halte mikken. Ik was in die tijd ook gefascineerd door flipperkasten, maar dit spel was volledig mechanisch. (Dit knikkerspel-met-bosmotief is ouder en minder interactief dan het spel dat ik zoek; Haunted House is dan weer te geavanceerd en ook te groot, maar zoiets zou ik ook leuk gevonden hebben!) Laat het me zeker weten als je dit speelgoed ook gehad hebt, of het misschien zelfs nog hebt liggen… :-)

Ik ben nu al benieuwd waar ik over twintig jaar nog eens aan terug zal denken en of ik dan nog steeds ’s nachts zal opstaan om het terug te vinden. En wanneer robots kunnen praten, natuurlijk. Biddi-biddi-biddi…

Mogen sterren een wens doen als ze een vallende mens zien?

Kinderen stellen veel vragen.Wat hebben grote wetenschappers en filosofen met kleine kinderen gemeen? Ze zijn dol op vragen stellen!

Kinderlijke verwondering en nieuwsgierigheid zijn goede eigenschappen voor onderzoekers. Terwijl wetenschappers vooral naar antwoorden zoeken, gaan filosofen juist op zoek naar nieuwe vragen. Het verschil is niet zwart-wit, want er zijn ook filosofische wetenschappers en wetenschappelijke filosofen, maar in grote lijnen klopt deze indeling wel. Wetenschappers onderzoeken een bepaald type vragen. Vaak roepen hun bevindingen weer nieuwe vragen op, dat is waar. Dat houdt hun winkeltje aan het draaien, ook dat is waar. Maar deze nieuwe vragen zijn voor wetenschappers geen eindproduct. Enkel voor filosofen is het vinden van een nieuwe vraag – of beter nog: een geheel nieuwe soort van vragen – een resultaat.

Sommige vragen zijn eigenlijk grapjes met een vraagteken erachter. Je zou het lichtvoetige taalfilosofie kunnen noemen. Hier een paar voorbeelden:

  • Als olijfolie van olijven gemaakt wordt, waar is babyolie dan van gemaakt?
  • Als een boekentas dient om boeken in te dragen, waar dient een handtas dan voor?
  • Waarom wordt fonetisch niet gespeld zoals je het zegt?
  • Wat voelen vlinders in hun buik als ze verliefd zijn?

Wat is er beter dan filosofie van de fysica? Filosofie van de fysica met een dinosaurus erbij!Ook op internet zijn dit soort vragen erg populair. Soms zie je ze afgebeeld met een peinzende velociraptor erbij: deze filosofische dinosaurus heet – heel toepasselijk – Philosoraptor. Nog niet bekend met deze internetmeme? Bekijk dan zeker deze collectie van twintig wijze Philosoraptor-erupties. Ze zijn al meer dan een jaar oud, maar er zitten leuke tussen.

Om de eerste blogpost van het nieuwe jaar vrolijk af te sluiten, hier een filmpje van Chris Schultz die een popliedje heeft gemaakt op basis van Philosoraptor-vragen. Hij deed dit al tijdens de zomer, maar besloot drie dagen geleden pas om het ook op internet te zetten:

En nu we het toch over al iets oudere internetmemes hebben: ook de Nyan-kat is 2011 ontvlucht en heeft intussen 2012 bereikt. Je bent dus gewaarschuwd!

Let’s get metaphysical

Alle songteksten van The 21st Century Monads gaan over filosofie.Welkom bij een nieuwe aflevering, waarin Sylvia haar angst voor metafysica overwint. Om in de gepaste sfeer te komen voor dit bericht kun je zachtjes “Let’s get metaphysical” meeneuriën op de tonen van Olivia Newton-Johns “Let’s get physical”. Als alternatief kun je ook “We Can’t Stop Doing Metaphysics” van The 21st Century Monads als achtergrondmuziek opzetten.

Als fysicus boezemt het idee om over metafysica na te denken – laat staan om er publiekelijk over te praten of over te schrijven – me een zekere angst in. Rubriceer het gerust onder angst voor het onbekende, want het is me niet duidelijk wat dat precies is, metafysica. Enerzijds zweemt het naar speculaties en onwetenschappelijk gezwets, iets waar ik als wetenschapper niet mee geassocieerd wil worden. Anderzijds echter is het een klassieke tak van de wijsbegeerte, iets waar ik als wetenschapsfilosoof maar wat graag een mondje over wil kunnen meepraten. Gemengde gevoelens dus.

Hoewel ik nu al bijna twee jaar aan een filosofische faculteit werk, bleef ik toch mooi binnen een domein dat ook voor de meeste natuurwetenschappers aanvaardbaar is. Fysica behelst meten, rekenen en kritisch nadenken. Welnu, ik ben na mijn overstap van de fysica naar de filosofie weliswaar gestopt met meten, maar ik bleef kritisch denken en daarbij ook wiskunde gebruiken. Binnen de grondslagen van de kansrekening en de epistemologie voelde ik me veilig.

Toch moest het er op een dag van komen dat ik naar een congres over metafysica zou gaan. Vorige week woensdag en donderdag was het zo ver: ik trok naar de Blandijn in Gent voor twee dagen vol lezingen over fysica en metafysica in de negentiende eeuw. Bij de behandeling van een fobie wordt er meestal in kleine stapjes gewerkt. In het kader van mijn systematische desensitisatie voor metafysica ging ik dus niet meteen zelf aan de slag met metafysische argumenten. Zoals de arachnofoob eerst de confrontatie met een plastic spin moet aangaan, koos ik een congres met historische invalshoek uit als verzachtende omstandigheid: de sprekers verdedigen er niet hun eigen metafysische theorieën, maar proberen enkel die van een historische wetenschapper en/of wetenschapsfilosoof uit de doeken te doen.

Deze houtsnede uit 1888, van de Fransman Flammarion, wordt vaak gebruikt om het begrip metafysica te illustreren: de zoektocht naar de werkelijkheid achter de wereld.

Nadenken over wat filosofie eigenlijk is, vormt een integraal onderdeel van de filosofie. Het hoeft dan ook niet te verbazen dat ook de sprekers op het congres geen pasklaar antwoord hadden op de vraag “Wat is metafysica?” – ondermeer omdat de term zo veel betekenissen heeft. Deze betekenis is in de loop der tijd veranderd, maar lijkt bovendien van persoon tot persoon te variëren. Aangezien ik niet van gedichten over poëzie hou, ga ik hier ook niet aan meta-metafysische haarkloverij doen. Liever geef ik een benaderende definitie van het begrip.

Metafysica betekent letterlijk ‘voorbij de fysica’. Het woord werd oorspronkelijk gebruikt om die werken van Aristoteles aan te duiden, die na zijn hoofdstukken over fysica komen. In de filosofie bedoelt men er nu theorieën mee die verder gaan dan de fysica, die iets zeggen over de werkelijkheid achter de fysische wereld. Hoewel deze theorieën dus haast per definitie onwetenschappelijk zijn, hoeven ze niet onzinning te zijn. In tegendeel, het doen van wetenschap veronderstelt dat wij de wereld kunnen leren kennen en begrijpen – op zich een buiten-wetenschappelijke aanname.

Fysica en metafysica zijn nauwer met elkaar verwant dan veel natuurkundigen (willen) beseffen. Zo wordt er in een cursus over fysica vaak gesproken over causaliteit, zonder dat dit begrip zelf ter discussie staat. De aanname dat de wet van oorzaak en gevolg opgaat in de fysische wereld is oorspronkelijk metafysisch van aard, hoewel er in het kader van de moderne fysica wel experimenten gedaan kunnen worden die hier iets over zeggen. Als voorbeeld denk ik daarbij aan het experimenteel weerleggen van de Bell-ongelijkheden in de kwantumfysica; dergelijke experimenten zijn (terecht) van doorslaggevend belang in de natuurwetenschap, maar ze zeggen niet alles. Er blijft dus ruimte voor filosofie.

Eerder dit jaar verklaarde Stephen Hawking niet te geloven in een leven na dood en ja, als hij dat zegt, dan komt dat in de krant. Minder aandacht hadden de media voor het feit dat Hawking samen met religie ook de filosofie afwimpelde; in deze analyse op BBC hoor je er een fragment van. Filosofen reageerden not amused, maar voor mij kwam Hawkings opvatting niet als een verrassing: heel wat natuurwetenschappers zijn immers van mening dat je je niet moet bezighouden met filosofie. De standaardinterpretatie van de kwantummechanica is hier een voorbeeld van: zij zegt hoe je het formalisme moet gebruiken, maar uitdrukkelijk niet wat de theorie betekent. (De standaardinterpetatie wordt ook wel de Kopenhaagse interpretatie genoemd, vanwege het belang van Niels Bohr die in Kopenhagen werkte.) De wetenschappers wrijven in hun handen: “Zo, die discussie is van de baan en nu terug naar het labo.” (Het kan ook “het krijtbord” of “de computer” zijn.) Filosofen echter zullen opmerken dat deze puur instrumentalistische houding ten aanzien van wetenschappelijke theorieën ook een filosofie is. In de metafysica geldt: niet kiezen is ook kiezen.

Sommige fysici doen wel een poging om mee te filosoferen, maar ook zij krijgen een veeg uit de pan van de filosofen. Eén misstap in het metafysische moeras en je geloofwaardigheid als fysicus is voorgoed verloren. Maar een misstap in de andere richting en je geloofwaardigheid als filosoof is eraan… Ik hou mijn hart vast en hoop deze valkuilen hier te ontwijken.

Portret van J.J. Thomson, de ontdekker van het elektron.Op het congres passeerden bekende wetenschappers uit de negentiende eeuw de revue. Zo sprak Erik Banks over Mach (in een cursus over relativiteit hebben we ooit zijn kritiek op Newtons gedachte-experiment met de draaiende emmer water besproken), Jordi Cat over Maxwell (ja, die van de vier vergelijkingen voor het elektromagnetisme) en Jaume Navarro over J.J. Thomson (de ontdekker van het elektron, waarover zo dadelijk meer).

De presentatie van Daniel Mitchell was ook heel boeiend: hij onderzoekt hoe en wanneer klassieke fysica het label “klassiek” heeft meegekregen. Daarbij kwam ondermeer de ether-theorie ter sprake. Tot het einde van de negentiende, begin twintigste eeuw werd gedacht dat elektromagnetische golven, zoals licht, een medium nodig hebben, net zoals geluidsgolven zich enkel kunnen voortplanten door een medium (een gas, vloeistof, of vaste stof); dit hypothetische medium voor licht werd “ether” genoemd. Hoewel de ether-hypothese intussen verworpen is, wordt het woord nog steeds gebruikt in de context van radiogolven. (Voor alle duidelijkheid: radiogolven zijn de elektromagnetische golven die van de zender naar de antenne van je radio gezonden worden, dus niet de geluidsgolven die uit de luidsprekers komen).

In 1887 voerden Michelson en Morley een experiment uit (op basis van interferentie van licht) waarmee ze het bestaan van ether wilden aantonen, maar hun experiment weerlegde juist de ether-hypothese. Althans, dat is de korte versie, zoals je die in de fysicales te horen krijgt. De geschiedenis blijkt iets subtieler: Michelson staakte zijn pogingen om het bestaan van ether te bewijzen inderdaad kort na dit experiment, maar Morley ging er nog mee door tot in de jaren 1950! Het was pas met het latere werk van Albert Einstein dat het ether-idee volledig verlaten werd. (Anderzijds was het geloof in het bestaan van ether ook voor het Michelson-Morley-experiment nooit algemeen verspreid.)

In het atoommodel van Thomson zitten de negatief geladen elektronen als krenten in het positief geladen deeg. Met deze achtergrond hoeft het ons niet te verbazen dat ook J.J. Thomson minstens tot in 1924 in ether geloofde, hoewel zijn ontdekking – het elektron – veel beter bij de kwantumtheorie lijkt te passen. Thomson stelde een eigen atoommodel voor: het krentenbolmodel (dat beter bekend is onder zijn Engelse naam: plum pudding model). In dit model zitten de negatief geladen elektronen verspreid over de positieve achtergrond van het atoom, als krenten in het deeg van een krentenbol. (In het latere atoommodel van Rutherford – Ernest Rutherford was een student van J.J. Thomson in Cambridge – zitten de positieve ladingen samengebald in de kern van het atoom en zweven de negatieve elektronen rond de kern.) Maar wat was dit positieve ‘deeg’ dan volgens Thomson? Een lage dichtheid van ether-massa! Ook de elektronen legde hij uit in termen van ether. De ontdekking van het elektron betekende dus geenzins de doodsteek voor de metafysische ether-theorie.

Minstens tot in 1924 heeft J.J. Thomson zich in het Engelse Cambridge weten te verschuilen voor de kwantumtheorie die in de rest van Europa dan al tot volle bloei was gekomen. Getuige hiervan is het artikel “A suggestion as to the Structure of Light” van Thomson dat in 1924 verscheen in Philosophical Magazine.  In zijn artikel probeert Thomson licht te verklaren aan de hand van structuren in… de ether. Hoewel het uitgangspunt fout is, vind ik het toch een heel mooie theorie (die me vaag aan supersnaren en zeker ook aan Feynmandiagrammen doet denken).

Thomsons model voor het uitzenden van licht door een H-atoom.

Thomsons model voor het uitzenden van licht door een H-atoom. Dit model is gebaseerd op ether, niet op kwantummechanica; ja, in 1924 nog!

Thomson vertrekt van een waterstof-atoom, dat hij voorstelt als een soort vezel (een Faraday tube) in de ether. Deze vezel heeft een positief uiteinde (“P”, het proton in de waterstof-kern) en een negatief uiteinde (“E”, het elektron van het waterstof-atoom). Dan maakt Thomson volgende redenering: als deze vezels fysisch echt bestaat, dan is er een limiet aan hoever ze kunnen plooien. Hij stelt zich voor dat de vezel tot een lus gebogen kan worden, maar als de spanning dan nog verder toeneemt, splitst er zich een gesloten lus van de oorspronkelijke vezel af. Deze afgesplitste, lusvormige vezel heeft geen vrije uiteindes en draagt dus geen lading: dit stelt een foton voor. Het proces, voorgesteld in de figuur hierboven, was Thomsons voorstelling van het uitzenden van licht; het omgekeerde proces, waarbij een gesloten lus op een vezel botst en erdoor opgenomen wordt, stelt absorptie van licht voor. (De figuur is overgenomen uit de presentatie van Jaume Navarro onderaan deze pagina.)

Uiteindelijk heeft het ethermodel voor licht de strijd verloren tegen de kwantumtheorie, die veel veelzijdiger bleek. Thomsons bezwaar tegen de kwantummechanica was dat zij ons geen  inzicht verschaft in de aard van haar belangrijkste concepten. Zo had de constante van Planck, h, geen fysisch model; “waar komt dit vandaan?” wou Thomson weten. Met zijn nadruk op wat de fysische basis was voor de gebruikte concepten stelde J.J. Thomson dus eigenlijk een metafysische vraag, maar daarop wilden de instrumentalistisch ingestelde kwantumpioniers niet antwoorden.

Hun stilzwijgen galmt nog altijd na in de fysica, maar als de wind goed zit kun je soms de geest van Thomson horen neuriën “Let’s get metaphysical“.

Gelukkige tau-dag!

Een volledige cirkel komt overeen met een hoek van twee keer pi of een keer tau.Gelukkige tau-dag! Nee, ik heb het niet over de Oosterse Weg van het tauïsme maar over een getal. De constante tau (\tau) drukt namelijk de verhouding uit tussen de omtrek, C, en de straal, R, van een cirkel:

\tau = C/R = 6,283185\ldots

Maar wacht eens even: de verhouding tussen omtrek en straal van een cirkel… Hadden we daar pi (\pi) al niet voor? Bijna: pi is de verhouding tussen de omtrek en de diameter (twee keer de straal) van een cirkel en dus precies de helft van tau. Tau lijkt een elegantere keuze te zijn (een cirkel is bijvoorbeeld tau radiaal, in plaats van twee pi radiaal), maar omdat pi zoveel eerder in gebruik kwam zullen we van dat mormel wel nooit meer afkomen.

Het idee dat pi fout is en de suggestie om het dubbele van pi als de meer fundamentele constante te zien, werd tien jaar geleden gelanceerd door wiskundige Bob Palais. (Klik hier voor zijn pagina met een link naar het originele artikel.) Vorig jaar stelde fysicus Michael Hartl voor om \tau als symbool te gebruiken voor de nieuwe constante en om 28 juni als tau-feestdag in te stellen. In de Amerikaanse datumnotatie is 28 juni immers 6.28, of tau afgerond.

Vandaag is er zelfs een heuse Tau Day Party in Caltech. Alleen jammer dat dat voor ons zo ver is: Caltech ligt in Pasadena, Californië. Leuk weetje voor de fans van The Big Bang Theory: Caltech is ook het onderzoeksinstituut waar Leonard en Sheldon werken. Ik zie Sheldon al helemaal uit zijn dak gaan op de Tau Day Party! Of zou hij het meer voor pi hebben? Pi-dag wordt al jaren gevierd op 14 maart (3.14). Voor wie overtuigd is door de argumenten van Hartls tau-manifest is pi-dag natuurlijk een heidens feest, maar niet iedereen is overtuigd van de superioriteit van tau: op weetlogs zijn ze nog niet om en ons anders zo harmonieuze huishouden blijkt verdeeld over de kwestie.

Dit is een mogelijk argument tegen tau: als je een cirkel moet opmeten, is het gemakkelijker om de diameter te achterhalen dan de straal; dan lijkt de definitie van pi meer voor de hand te liggen. Als je de cirkel zelf moet construeren, of als je de wiskundige definitie ervan opschrijft, gebruik je echter de straal – en die gebruik je ook in de definitie van tau. Zo wordt het tau-versus-pi debat een welles-nietes spelletje: is pi nu de helft van tau, of is tau het dubbele van pi? Een goed onderwerp voor een zen-meditatie misschien… en zo zijn we alsnog in de Oosterse sfeer beland.

Natuurlijk is het onzin om een irrationaal getal op een bepaalde dag van het jaar te vieren. We baseren ons op amper drie cijfers en doen daarmee zwaar tekort aan de heerlijke oneindigheid van de decimale notatie van deze getallen. Bovendien is ons hele kalender-systeem discriminerend voor sommige getallen: we hebben maanden met maximaal 31 dagen, dus getallen waarvan de tweede en derde decimaal hoger zijn dan dit, moeten nog verder worden afgerond om een feestdag te kunnen krijgen. Laten we vandaag toch ook even denken aan deze arme stumperds (waaronder klassiekers als de gulden snede).

Net als de schijnbare nonsens van zen-raadsels (Wat is het geluid van één klappende hand?), volgt ook deze onzin zijn eigen logica. Onzin kan trouwens heel leuk zijn en tot creatieve vondsten leiden. Als je vindt dat er geen muziek zit in dat hele tau-verhaal, luister hier dan maar eens naar:

Eén ding waar iedereen het wel over eens lijkt, is dat het vandaag 6.28 een perfecte dag is. Zes en achtentwintig zijn namelijk de kleinste perfecte getallen. Een perfecte dag: doe er iets moois mee!

Aanvulling: Er staat nu ook een stuk over tau-dag op Kennislink; daar zie je dat veel formules korter (en mooier) worden door het gebruik van tau.