Tag Archief: Oxford

Glimmende stroken van chocolade & karamel

Twee weken geleden vroeg ik jullie om mee te raden naar wat er op deze foto stond:

Wat staat er op deze foto?

Rara, wat staat er op deze foto?

De lezers van Weetlogs kwamen voor de dag met sterk uiteenlopende gokken. Hier een klein overzicht van de reacties.

Groot of klein? Sommigen dachten dat de foto door een microscoop genomen was: een schilfertje roos tussen enkele haren, sterk uitvergroot (Hans van Hilst). Anderen zagen het groots en meenden dat ik met mijn helicopter op fotoreportage was gegaan in Azië: een bevuilde waterloop in China (Freddy Quireyns).

Anorganisch of organisch? Een harde kern zocht het bij de gesteenten: lavasteen (Dieter Vanackere), agaat waar een deel normaal gesteente doorheen loopt (Enya Vermeyen), of een dwarsdoorsnede van een mineraalsteen of geode (Samuel Piers). De meest specifieke gok in deze richting was: een doorsnede van red jaspis met in het midden aan ander soort mineraal of kristal (Jens Thyssen). De ruime meerderheid opteerde echter voor een organisch materiaal. Slechts twee mensen gokten op een dier: een rups (Raymond Van Assche) of een gekookte kreeft (Agnes Lauwers), terwijl de anderen het plantenrijk verkenden. De eerste gok ging uit naar een graan- of tarwekorrel (Rudi), maar er waren ook mensen die aan een ui (Pat Rache), of aan bamboe (Sebastiaan van Gelder) dachten.

Al snel kwamen ook bomen in het vizier en dan vooral de schors (Ritchie; Conny Wassink). Specifiekere gokken in deze richting waren: de schors van palmboom (Vera), berkenschors (Dominique Trachet) of berkachtige boom (Dieter Swiers), een roodbruine twijg van een Cornus alba (Gert Nauwelaerts), of een close-up van Betula albosinensis schors (Niels Deboodt). Ook andere vormen van hout kwamen aan bod: een gehavende viool of cello (Peter Wauters), hars van een stuk hout (Alfonsa Gabe-Neyens), een houten binnenwand van een huis, waar de tak van een boom doorgroeit (Maarten Valentin).

Rolletjes parmaham (zonder zoutkristallen).Het idee dat het schimmel zou kunnen zijn (Trui Cantaert), zorgde voor interessante combinaties: een stukje gebarsten paardenzadel met soort schimmel erop (Ginette De Veerman), of fungi groeiend op een mineraal substraat in een geode bestaande uit chalcedoon (Bas). Er werden nog andere combinaties van organische en anorganische componenten voorgesteld: chalcedooon met een fossiel erin (Sarina), of parmaham en zout (Inge De Poorter). Dit laatste was schitterend gevonden: dat ben ik eens met Gert Nauwelaerts, die tevens uitlegde waarom het toch niet kon kloppen: “de schaduw geeft aan dat er kleine uitstulpingen zijn (oa. het zwarte omgekeerd V’tje rechts). Tevens heeft het oppervlak een cilindervormige ronding als je het licht van de flits bekijkt.” De foto is weliswaar niet met flits gemaakt, maar de deductie dat het voorwerp cilindervormig moet zijn is inderdaad juist. Dit laat echter de mogelijk open dat het om een opgerold schijfje parmaham gaat.

Met dit overzicht heb ik jullie geduld genoeg op de proef gesteld; het is tijd voor de oplossing (na de vouw).

(meer…)

Nieuwsflits: Betoging in Oxford

Stakers betogen in Oxford.Mijn woorden, dat dit mijn laatste blogpost was vanop deze locatie, waren nog niet koud of ik kwam in een demonstratie terecht. Dat vraagt natuurlijk om een extra aflevering. :-)

Tijdens een weekend in Gent zag ik aan het Zuidpark (een bescheiden poging tot) Occupy Ghent en zelfs in Bristol hadden de Occupy-ers hun tenten opgeslagen – zo zag ik toen ik daar eerder deze maand passeerde. In Oxford had ik echter nog geen acties gezien (al schijnen die er wel geweest te zijn). Vanochtend stonden er  – eindelijk zou je haast zeggen – een vijftal studenten te demonstreren voor Examination Schools (waar ik op maandag les volgde: zie foto’s onderaan bij Thema 1 van mijn vorige post). Ze riepen iets (“Come out, the 1 percent“?) en zongen (op de melodie van ‘Mary had a little lamb‘):

Education is a right, is a right, is a right.
Education is a right, not a privilege.

Even verderop, bij een straathoek, stonden drie vrouwen met petjes op. Zij riepen of zongen niets, maar bliezen op fluitjes en zwaaiden met vlaggetjes. Ze deden dit heel serieus, alsof als ze maar hard genoeg zouden zwaaien alles goed zou komen met de wereld. (Het Vlaamse woord dat daarbij spontaan bij me opkwam was ‘amechtig‘.) Er stonden ook mensen, gewoon te staan, op plaatsen waar er normaal geen mensen staan. (Zie ook hier voor foto’s van stakersposten.) Helemaal verbaasd was ik hier niet over, want deze sticker met de stakingsaanzegging hing al weken op ooghoogte op mijn weg naar huis:

Aankondiging van de nationale staking.

Aankondiging van de nationale staking.

Er was mij verteld dat het onmogelijk zou zijn vandaag in of uit het land te raken omdat er ook op Heathrow gestaakt zou worden (maar dat lijkt mee te vallen) en dat de scholen vandaag zouden sluiten (dat gebeurde wel). Ook in de ziekenhuizen wordt de staking goed opgevolgd. Waar ik echter geen erg in had, was dat er een betoging door Oxford zou trekken. En toen zag ik dit (rond half drie vanmiddag):

Nationale staking in het Verenigd Koninkrijk op 30 november 2011.

Nationale staking in het Verenigd Koninkrijk op 30 november 2011: demonstratie in Oxford.

Ik heb er ook bewegend beeld van (gefilmd op High Street, tegenover Logic Lane):

Volgens dit bericht schatte de politie het aantal demonstranten op 3000. De BBC sprak blijkbaar met een andere agent, want zij melden een politieschatting van 4000. Om alles in goede banen te leiden waren er alleszins heel wat agenten opgedaagd, waaronder politie te paard:

Politie te paard begeleidde de demonstranten.

Politie te paard begeleidt de demonstranten in Oxford.

In Oxford zijn er twee universiteiten: de oude “Oxford University” (waar ik te gast ben) en de jongere “Oxford Brookes University“. Aan de vlaggen te zien deden er heel wat personeelsleden en studenten mee van die laatste universiteit. Voor zover ik gezien heb deed Oxford University niet mee; zijn zij misschien “the 1%”?! In elk geval is het zo dat Brookes een openbare instelling is, terwijl dit bij Oxford University minder duidelijk is.

De stakers protesteren tegen het verhogen van de pensioenleeftijd en voor een betere sociale zekerheid. Op de spandoeken las ik onder andere: “68 is too late” (uitspreken met het juiste Engelse accent en dan rijmt dat). Veel mensen hadden ook een bordje bij met daarop: “Honk if you support the strike.” Nu ja, buschauffeurs toeteren altijd als er mensen voor hun bus lopen, maar enkel vandaag werden ze daarbij op gejuich onthaald. Ik liep naast een bus en kon net de blik van de chauffeur opvangen. He was not amused. Maar ik wel. :-)

Een terugblik op Oxford: 4 x 4 foto’s

Deze lilligaf was een week later al wit-overschilderd.Het regenseizoen is dan toch aangebroken in Engeland en ondanks al mijn mijmeringen over regenbogen is dat toch niet zo’n pretje. Zelfs de eekhoorns blijven liever in hun warme nestjes liggen. Voor mij wordt het stilaan tijd om mijn koffers te pakken, maar eerst nog een paar foto’s posten die zonder duidelijke reden nog niet tot hier waren geraakt. Om het een beetje overzichtelijk te houden, heb ik ze gerangschikt volgens vier thema’s: vier keer vier foto’s van acht weken in flat acht.

Thema 1 gaat over muren. Dat is ook symbolisch bedoeld natuurlijk, want ik heb gedurende acht weken een kijkje mogen nemen achter de muren van Oxford.

Een blik op en achter de muren van Oxford.

Thema 1: De muren van Oxford. Linksboven: Graffiti heb ik hier weinig gezien, maar iets buiten het historisch centrum zijn er wel winkels met dit soort muurschilderingen. Rechtsboven: Anderzijds is graffiti ook niet nodig bij gebouwen met dit soort karakterkoppen! Onder: Als je de pijl volgt naar de 'South Writing Schools' dan kom je in dit lokaal, waar ik 's maandag les volgde. (Foto's nemen was er eigenlijk verboden, dus dit is een clandestien plaatje met de webcam.)

Thema 2 is Bonfire Night. Het Verenigd Koninkrijk heeft geen officiële feestdag, maar Guy Fawkes Night of Bonfire Night komt aardig in de buurt. Op deze avond leerden we hoe je een fles ontkurkt als je geen kurkentrekker hebt. (Hier staan een paar leuke ideetjes, maar we zijn gewoon bij de buren gaan aankloppen.)

Bonfire Night in Oxford.

Thema 2: Bonfire Night in Oxford. De onmisbare ingrediënten zijn: een middelgrote kermis (linksboven), een groot vuurwerk (rechtsboven) en een gigantisch vreugdevuur (linksonder), dat de dag nadien nog nasmeult (rechtsonder). (En dat allemaal in het park, vlak voor het raam van mijn flat!)

Ik kwam naar hier voor de filosofie, maar ook de wetenschap is overal aanwezig in Oxford, dus dat is Thema 3.

Wetenschap in Oxford.

Thema 3: Wetenschap in Oxford. Linksboven: Het museum voor geschiedenis van de wetenschap. Rechtsboven: Een gedenkplaat voor Robert Boyle en Robert Hooke. Linksonder: Dawkins wordt uitgedaagd voor een debat. (Dit is een parodie op Dawkins eigen reclameaffiches op bussen, met de leuze: 'There probably is no God. Now stop worrying and enjoy your life.') Rechtsonder: Met de taxi naar het Wetenschapspark? Reis dan wel in stijl!

Thema 4 ten slotte: een stad is niets zonder haar inwoners.

Bewoners van Oxford.

Thema 4: Bewoners van Oxford. Boven: Eekhoorns, veel eekhoorns. Linksonder: Studenten die niet sportief genoeg zijn om aan roeiwedstrijden mee te doen, kun altijd nog rustig gaan 'punten'. Rechtsonder: De winter wordt hier vast beregezellig!

Zo, dat waren al mijn achterstallige foto’s. Om af te sluiten nog een stelling die mooi aansluit bij Thema 4:

De eekhoorn is het beste voorbeeld van de golf-beestjes-dualiteit.

Kwantumbiologie van de hoogste plank? Of de hoogste tijd om naar huis te gaan en het allemaal een beetje te laten bezinken…? Ik hou het bij dat laatste. ;-)

Ik kan niet beloven dat ik de komende weken niets meer over mijn verblijf hier zal schrijven, maar dit was wel mijn laatste blogpost vanop deze locatie.

Regenboog bij heldere hemel

Het cliché wil dat het in Engeland altijd regent. Hoewel de meeste mensen dat een somber vooruitzicht zouden vinden, keek ik ernaar uit om hier talloze regenbogen te kunnen waarnemen. Aan de overkant van het park had ik al het plekje uitgezocht waar ik van onder mijn paraplu het perfecte shot zou kunnen maken. Het zou bijna avond zijn en ik zou met mijn rug naar de zon staan, die van laag aan de hemel de regendruppels tegenover me van onderaf zou verlichten. In de druppels zou het licht breken en dan nog eens, waarbij de kleuren uiteen zouden waaieren. Dan zou de regenboog in al zijn kleurenpracht mijn kant uit stralen, in een halve cirkel boven het park, boven het groene gras en de oranje bomen (herfst, weet u wel). Ik zou mijn camera bovenhalen, het diafragma zou zich kortstondig openen en het licht zou – netjes gesorteerd op kleur – op de pixels van mijn CCD-camera invallen. Zo zou ik de regenboog in een doosje vangen om er later de muren van mijn blog mee te behangen.

Alle vooroordelen over het Engelse weer ten spijt, heeft het tot nu toe niet veel geregend terwijl ik in Oxford ben. Net als in België was oktober hier uitzonderlijk warm en zonnig, zodanig zelfs dat de Engelse kranten schreven over “Hotober“. November was iets grijzer en mistiger, maar toch vooral droog en dus bleef mijn blog regenboogloos (op die vlag na dan).

Eén keer echter druppelde het, net toen ik helemaal vooraan boven in een dubbeldekker zat. (Ja, gelukkig zijn er clichés over Engeland die wel nog kloppen!) Vlak voor me zag ik het grootste cliché van een regenboog dat ik ooit zag. Het was niet de regenboog van de fysicus, zoals je erover leest bij mijn held en natuurkundige van ’t vrije veld, Marcel Minnaert: met een dramatisch donkere hemel buiten en een heldere lucht binnen de hemelsbrede boog; met nog een tweede boog eromheen met de kleuren in precies de omgekeerde volgorde. Nee, het was de regenboog van het kind dat – met de punt van de tong iets uit de mond – eerst een perfect blauwe hemel tekent en vervolgens met pastelkleurtjes een stukje van een boog recht naar de wolken laat schieten. Het is het moment juist voor het kind een troetelbeer van de boog laat glijden, of er een gevleugeld paardje tegenaan laat galopperen.

Dat ene perfecte moment, dat was het.

We reden er recht op af. Enkel de druppels op de ruit beletten me om ook het perfecte shot te maken.

De enige regenboog die ik zag tijdens twee maanden in Engeland.

De enige regenboog die ik zag tijdens twee maanden in Engeland.

Tja, de regenboog kan niet altijd gespannen staan. Soms wil hij ook wel eens gewoon lekker in het zonnetje hangen.

Nieuwsflits: Regenboogvlag in Oxford

Uiteindelijk gaat het om diversiteit.Wat wij nu geschiedenis noemen was voor sommige mensen gewoon het heden. Ik heb al vaak gedacht dat de meeste mensen er helemaal geen erg in hadden dat zij erbij waren op een historisch moment. De geschiedenis gebeurt gewoon en zegt niet: “Hé, mensen, er is hier iets bijzonders aan de gang, merk mij op!” Ja, journalisten, die hebben een neus voor dat soort dingen. Ik vreesde al dat ik geen goede journalist zou zijn en nu staat het vast: ik ben langs een primeur gelopen. Ik ben er bij blijven stilstaan en heb er zelfs een foto van gemaakt, maar besefte niet dat het om een nieuwsfeit(je) ging. Ik kan nog geen nieuws ruiken als ik er tot aan mijn middel in sta!

Het was vorige week vrijdag. Ik wandelde naar een lezing over kwantuminformatie op de wetenschapscampus van Oxford. Aan Parks Road, een straat waar ik nog niet eerder was geweest, kwam ik langs een college met een kasteelachtige voorgevel. Boven de kantelen wapperde er een regenboogvlag. Het was een mooi beeld: de goudgele collegemuren, de blauwe lucht en de zeven regenboogkleuren vrolijk wapperend in de wind. Enig puntje van kritiek was dat de rode kant van de regenboog aan de onderkant hing, wat volgens de optica niet helemaal klopt (tenzij het een secundaire boog betreft). Op de terugweg besloot ik toch een foto te maken van de mooie vlag, ook al hing die dus ondersteboven.

De regenboogvlag wappert vrolijk boven Wadham College.

De regenboogvlag wapperde vorige week vrolijk boven Wadham College.

Natuurlijk vroeg ik me ook af of dit college bekend was omwille van zijn grote holebi-gemeenschap, maar dat vermoeden nam af door de volgende gebeurtenis.

Terwijl ik mijn fotoapparaat wegstopte, passeerde er een man die tegen me zei (in het Engels, met een Italiaans accent):
– “Die vlag hoort daar niet thuis!”
Ik keek hem vertwijfeld aan: stoorde het hem dat die vlag daar hing, of vond hij het enkel ongewoon?
– “Ik weet het niet,” zei ik (in het Engels, met een Vlaams accent), “maar ik vind het een prachtig zicht.”
Daarmee liet ik in het midden of ik de kleuren of de betekenis van de vlag bedoelde. (Het was beide.)
– “Het is een grap, snap je,” zei de man en hij lachte.
Maar ik snapte het niet. Was zijn eerste opmerking dan ironisch bedoeld (en stoorde de vlag hem dus niet), of zag hij in de vlag een studentengrap? Ik denk dat de man het allemaal positief bedoelde, want vervolgens haalde ook hij zijn camera uit om er een foto van te maken.

Door deze ontmoeting had ik moeten beseffen dat het verschijnen van een regenboogvlag in het Oxfordse straatbeeld een nieuwsfeit is. Ik was echter onwetend – even onwetend als de gevangenen in de Bastille, toen de bestorming al onderweg was en de Franse Revolutie dus in gang was gezet. Ik besloot de foto niet meteen te plaatsen: ik wil volgende week iets schrijven over mijn eerste waarneming van een regenboog hier in Oxford (ja, een echte!) en daar past deze foto ook prima bij.

Daarnet zocht ik alvast op Google Maps op welk college dit was. ‘Wadham College‘ staat er bij de kaart naast Parks Road. Vervolgens zocht ik naar Wadham College op het internet en leerde zo dat het om een zeventiende-eeuws gebouw gaat én dat er deze maand een holebi-bijeenkomst gehouden wordt in het college. Bovendien blijkt het hier om de allereerste regenboogvlag ooit boven een gebouw van de Universiteit Oxford te gaan. Dit bericht kwam pas vandaag online (eerst hier, toen ook hier), dus ik had de primeur kunnen hebben. Naast mijn gemiste scoop vind ik het natuurlijk ook jammer dat zoiets überhaupt nog nieuws is in Oxford. Voor diversiteit geldt echter “beter laat dan nooit”, dus bij deze: proficiat aan Wadham College. Van harte welkom in de eenentwintigste eeuw. Vermoedelijk gaat het zelfs om het eerste holebi-symbool tout court aan een universiteitsgebouw in Oxford en er wordt hier toch al van in de elfde eeuw les gegeven – van een primeur gesproken!

Van in het begin heb ik beslist om met mijn blog niet het laatste nieuws te proberen volgen en nu weet ik weer precies waarom dat een goede beslissing was: ik deug gewoon niet als verslaggever ter plaatse!

Dit was Sylvia, live vanuit Oxford, terug over naar de studio.

Over fractals, Engelse gotiek en een dwaaltuin

Het paleis van Blenheim is een voorbeeld van de Engelse Gotiek.Fractals zijn figuren waarvan de onderdelen op het geheel lijken. De takken van een boom lijken bijvoorbeeld op een verkleinde kopie van de volledige boom. Bij een wiskundige fractal blijf je steeds structuren vinden die op het geheel lijken, hoe ver je ook inzoemt. Daar houdt de gelijkenis met een boom op: een blad lijkt (vaak) wel op een miniatuurboompje (met het steeltje als stam en het blad zelf als kruin), maar als je verder inzoemt kom je bij cellen, moleculen en uiteindelijk atomen uit, die niet op bomen lijken. Dit belet niet dat het leuk is om in de natuur of in de stad op zoek te gaan naar fractalachtige planten en gebouwen.

Naast twee zich wild vertakkende bomen, heb ik in Oxford ook fractalachtige architectuur gevonden, met dank aan de Engelse gotiek. De foto linksboven is een zicht op All Souls College, gezien vanaf Queen’s Lane. (Dit is dus eigenlijk nog maar de achterkant van het gebouw!)

Het paleis van Blenheim is weliswaar ook een voorbeeld van de Engelse gotiek, maar ik heb er helaas geen overtuigende fractals in kunnen ontdekken. Het paleis staat in Woodstock (nabij Oxford) en werd in 1705 opgericht door Koningin Anna ter ere van John Churchill, beter bekend als de eerste Hertog van Marlborough. Deze hertog had het commando gevoerd in de Slag bij Blenheim en daar een overwinning behaald voor de Engelsen en hun alliantie. In de tuinen van het paleis ligt er tegenwoordig een mooi haagdoolhof: het Marlborough Maze. Een ‘maze‘ is echt een doolhof en geen labyrint, dus je kunt er wel degelijk in verdwalen. Een doolhof is géén fractal en gelukkig maar, want anders zou je er nooit uitgeraken!

Fractals in Oxford

Bovenaan links: de fractalachtige omtreklijn van de achtergevel van het All Souls College komt extra duidelijk uit bij tegenlicht. Bovenaan rechts en onderaan links: sommige bomen vertakken zich als wilde fractals, haast zonder zich iets aan te trekken van de zwaartekracht. Onderaan rechts: gelukkig was dit doolhof géén fractal.

De foto van het haagdoolhof (rechtsonder) is gemaakt vanop één van de twee bruggen, die ook dienst doen als uitkijkposten. Daarop kun je je route vrij efficiënt plannen. Natuurlijk zou je vooraf een satellietfoto van het doolhof kunnen opzoeken om daarop je weg uit te stippelen. Je kunt de route dan zelfs met een computerprogramma uitdokteren: met Mathematica bijvoorbeeld, of een ander programma dat overweg kan met grafen. Op een satellietfoto kun je echter moeilijk de bruggen van een gewoon pad onderscheiden, waardoor je oplossing in realiteit mogelijk niet zal werken.

Vóór het doolhof staat er een grondplan waar ik onderstaande foto van gemaakt heb; de hagen corresponderen met de groene lijnen op het plan. De andere kleuren helpen niet om je weg te vinden – in tegendeel – en dienen enkel om de figuur, die in het grondplan verwerkt zit, duidelijk te maken: een kanon met kogels, twee trompetten en een banier. (Deze heldhaftige symboliek verwijst natuurlijk weer naar de overwinning van de Hertog van Marlborough in de Slag bij Blenheim.) Op de foto heb ik de bruggen aangeduid met gele B’s. Op die posities kun je dus wel van boven naar onder lopen op de kaart, of van links naar rechts, maar niet ‘afslaan’.

Als je een satellietfoto hebt en weet waar de bruggen zijn, dan kun je inderdaad Mathematica gebruiken om de kortste route te vinden. Ik heb deze website maar achteraf gevonden, maar het lijkt goed overeen te komen met de route die we zelf gevolgd hebben. Deze oplossing is dus proefondervindelijk geverifieerd. ;-)

Marlborough Maze.

Foto van het grondplan voor het Marlborough-doolhof. De gele B’s geven de posities van de twee bruggen aan. Bij het gele sterretje staat er wel een groen lijntje, maar op de corresponderende plek in het doolhof is er daar toch een doorgang.

Als je in plaats van een satellietfoto bovenstaand grondplan zou gebruiken om je route vooraf te plannen, heb je alsnog een probleem: hierop staat er namelijk op een cruciale plek een barrière aangegeven, waar er in werkelijkheid geen haag staat; daar heb ik een geel sterretje toegevoegd op de foto. Met deze extra barrière erbij zou het doolhof geen oplossing te hebben.

Conclusie: in een doolhof moet je vooral gewoon zelf ronddwalen en dan maar hopen dat de ontwerper geen fan was fractals.

Aanvulling (24 november 2011):

Ik heb het grondplan op de foto nog eens goed vergeleken met een recente satellietfoto (via Google Maps) en er ontbreken nóg twee hagen. Tja, op die manier wordt het moeilijk om nog echt te verdwalen… Op de afbeelding hieronder heb ik de drie verschilpunten aangeduid met groene sterretjes. Ik vraag me af of er daar nooit haag heeft gestaan, of dat de haag op die plaats pas na verloop van tijd verwijderd is en waarom dan. Danny lanceerde de hypothese van een tuinman die het zat was om altijd om te moeten lopen. Ook lijkt het me leuk om een filmpje te zien van een haagdoolhof in de loop van de tijd: de haag wordt natuurlijk dikker en dunner in de loop van het jaar en lijkt te ‘ademen’, maar ook kan ik me zo voorstellen dat het oorspronkelijk ontwerp geleidelijk verloopt, doordat hoeken anders worden afgerond en dergelijke.

Marlborough Maze.

Satellietfoto van het Marlborough-doolhof: op de plaats van de groene sterretjes staat er geen haag, terwijl er daar wel een versperring wordt aangegeven op de plattegrond. De middelste haag zou weinig verschil maken, maar de twee andere zitten op cruciale plaatsen in het parcours. (Bron: Google Maps.)

En zo is jaren “Zoek de 8 fouten” spelen in de krant (op cartoons van Laplace) toch nog ergens goed voor gebleken. ;-)

Fysica van de staatsschuld

In een thermodynamische economie wordt er betaald met de Boltzmann.In de lezingen over filosofie van de fysica gaat het onder meer over thermodynamica en statistische fysica. Terwijl thermodynamica enkel de macroscopische kant van warmteprocessen beschrijft (denk aan stoommachines), probeert statistische fysica deze macroscopische fenomenen te verklaren vanuit een beschrijving in termen van de individuele deeltjes (stoom bestaat uit watermoleculen in de gasfase). Zoals de naam al aangeeft, geeft statistische fysica een beschrijving in termen van kansverdelingen. Het uitpluizen van de connecties tussen thermodynamica en statistische fysica enerzijds en mijn eigen onderzoek over infinitesimale kansen anderzijds (waarover ik vandaag in Bristol een talk zal geven) staat alvast hoog op mijn verlanglijstje om in de toekomst verder onderzoek naar te doen.

De Tweede Hoofdwet van de thermodynamica wordt meestal geformuleerd in termen van entropie. Er zijn echter ook andere manieren om deze wet te formuleren, zoals deze: twee of meer systemen die met elkaar in contact worden gebracht (terwijl ze van de rest van de wereld geïsoleerd zijn), zullen naar een gezamenlijk evenwicht evolueren, waarbij de druk, temperatuur en chemische potentiaal van de deelsystemen gelijk worden. De Kelvin-Planck formulering van de tweede wet zegt het nog korter: er bestaat geen proces waarbij het enige resultaat is dat warmte volledig wordt omgezet in nuttige arbeid. Als dit wel kon, dan zou je een schip kunnen laten varen op de thermische energie van het oceaanwater! Dit leidt tot een formulering van de tweede wet die nog beknopter (maar ook cryptischer) is: er bestaat geen perpetuum mobile van de tweede soort.

De Eerste Wet van Newton is niet van toepassing op een fietsende Einstein: door wrijving moet hij toch blijven trappen om zijn snelheid te behouden.In de klassieke mechanica heb je vergelijkbare kwesties rond wrijving. De eerste wet van Newton zegt dat als een voorwerp eenmaal in beweging is gezet en het verder niet van buitenaf wordt beïnvloed, het voorwerp zich voor altijd met dezelfde snelheid zal blijven voortbewegen. De wet van behoud van energie zegt dat energie wel kan worden omgezet van de ene naar de andere vorm, maar nooit verloren gaat. Beide principes lijken te falen in het dagelijkse leven: als ik op de fiets een goede vaart heb opgebouwd en dan – op een horizontaal stukje weg – stop met trappen, neemt mijn snelheid af. Hierdoor neemt ook mijn kinetische energie, evenredig met het kwadraat van de snelheid, af.

Dat ik op de fiets toch moet blijven trappen om mijn snelheid te behouden, doet geen afbreuk aan de eerste wet van Newton. Mijn fiets en ik worden wél van buitenaf beïnvloedt: er is fysisch contact met de ondergrond en met de lucht om ons heen. Vanwege deze wrijvingskrachten is de eerste wet is gewoon niet van toepassing op het scenario. (Er is natuurlijk ook de aantrekkingskracht van de aarde, maar die beïnvloedt de snelheid niet zolang de weg horizontaal is.)

Ook de wet van behoud van energie kan voor fietsers gehandhaafd worden door die wrijving nader te bekijken (bijvoorbeeld op fietsica.be): de voorwerpen die de wrijving ondergaan (onder andere de fietsband) warmen hierdoor een beetje op. Een deel van de kinetische energie wordt dus omgezet in thermische energie. Als een materiaal wordt opgewarmd, gaan de moleculen in dat materiaal sneller bewegen. Hoewel thermische energie dus eigenlijk ook een vorm is van kinetische energie, wordt er toch een onderscheid gemaakt. Als we spreken van de kinetische energie van een fietser, dan hebben we het over de energie van het geheel van alle deeltjes, die netto dezelfde kant op gaan. In de mechanica wordt dit ook wel “nuttige energie” genoemd, omdat we daarmee op macroscopische schaal arbeid kunnen verrichten. Als we spreken van thermische energie, bedoelen we dat de deeltjes op moleculaire schaal kriskras door elkaar bewegen. Met deze “laagwaardige energievorm” kunnen we niet zo maar arbeid verrichten (zie bovenstaande uitleg over de tweede wet in de thermodynamica).

Mijn thermodynamische theorie van de economie voorspelt dat kleine portemonnees uiteindelijk wel weer gevuld raken, maar dat een grote staatsschuld onomkeerbaar is.Mijn flatgenote hier in Oxford is een Zwitserse econome. (Ze werkt nu nog voor de universiteit, maar zal volgend jaar een belangrijke functie opnemen aan de Zwitserse nationale bank.) Dit is natuurlijk een mooie kans voor mij om tijdens het avondeten iets bij te leren over economische modellen. Vanwege de aanhoudende problemen in de eurolanden – eerst met Griekenland, nu ook Italië -, komt elk gesprek over economie deze dagen onvermijdelijk op het thema staatsschuld. Ons laatse gesprek hierover was op donderdag en mijn gedachten zaten nog halvelings bij de lezing over de tweede hoofdwet van de thermodynamica. Zo kwam ik op het volgende idee om het probleem van de staatsschuld uit te leggen aan de hand van een analogie met klassieke fysica.

Dit is mijn “fysica van de staatsschuld”:

Individuele mensen en bedrijven hebben een beetje geld; daarmee kunnen ze kleine dingen kopen, zoals een boek kopen, of een treinticket of – na héél lang zwoegen en sparen – misschien een huis. Landen hebben veel geld; daarmee kunnen ze grote dingen kopen, zoals bibliotheken, of een heel spoorwegennet of andere infrastructuur aanleggen.

Individuen en staten kunnen in de loop van de tijd meer of minder geld hebben, doordat ze het aan elkaar doorgeven (iets betalen of een lening aflsuiten). Globaal gezien echter geldt het principe van behoud van geld: er is op een gegeven moment een bepaalde, positieve hoeveelheid geld in omloop. Dus als je al het geld dat in omloop is onder de burgers van alle landen optelt bij de som van alle staatskassen van alle landen ter wereld, zal dit bedrag steeds hoger zijn dan som van alle individuele schulden plus alle staatsschulden.

Als landen een schuld opstapelen die veel groter is dan het individuele budget van haar burgers of bedrijven, ontstaat er een probleem dat lijkt op de tweede wet. Het geld dat onder de individuele spelers rondgaat is versnipperd, gaat kriskras alle richtingen uit en is moeilijk terug te bundelen tot één krachtige impuls. Klein geld is geen nuttig geld. Daarom kun je er geen spoorwegennet mee bouwen, of een land mee redden door zijn staatsschuld af te lossen.

Terwijl het opbouwen van kleine schulden door individuen in principe omkeerbaar is (niets belet dat de lening ooit afgelost zal worden), is de opbouw van een grote staatsschuld een irreversibel proces. Hoewel het voor de burgers van een land wellicht beter is een collecte te houden om het land niet failliet te laten gaan, voorspelt mijn thermodynamica van de economie dat dit niet spontaan zal gebeuren.

Volgens mijn huisgenote is dit idee juist, maar zouden economen het natuurlijk nooit in deze woorden uitdrukken. Zij houden het eerder bij: “Het vertrouwen dat de staat de lening zal kunnen aflossen is weg en daarom zullen privé-instanties geen geld meer geven”. Zo kun je het natuurlijk ook zeggen (en het is nog een pak korter ook).

Overigens zou één van de andere grote problemen van de economie best wel eens kunnen zijn dat er zich om de zoveel tijd een fysicus mee komt bemoeien en met een veel te eenvoudig model alles meent te kunnen verklaren (zie de klassieke xkcd-comic hieronder). Ik had deze post dus misschien beter niet kunnen schrijven… Met mijn excuses aan alle economen!

Niets zo onuitstaanbaar als een fysicus: waarom hebben economen een eigen faculteit nodig?!

Aanvulling (17 november 2011):

De sport (een wetenschappelijke discipline durf ik het niet te noemen) van het zoeken naar analogieën tussen thermodynamica en economie blijkt thermoeconomics te heten. Ook Andrew Gelman heeft zopas een blogpost geschreven met een idee in die richting, terwijl Joseph Wilson op zijn blog Entsophy analyseert waarom dit soort ideeën niet werken.

Eekhoorn schrijft een brief

Deze grijze eekhoorn is een leuke spring-in-'t-veld.De fauna hier in Oxford mag dan vooral uit studenten, professoren en andere boekenwurmen bestaan, er zijn ook andere diersoorten te bespeuren. Mijn kamer kijkt uit over een tuin, die vrijwel naadloos overgaat in een groot park. Het eerste dier dat ik zag toen ik hier aankwam, was een eekhoorn.

Waar een eekhoorn zit, kan de mier niet ver zijn, dacht ik, want ik heb de dierenverhalen van Toon Tellegen gelezen. Toch vond ik geen mier. Wel lieveheersbeestjes, die op de vlucht voor de koude massaal voor onze flat kiezen. Er zitten ook vogels in de tuin: duiven, kraaien, eksters en zelfs een Vlaamse gaai. Op zondagavond zag ik zelfs een vos. Maar geen mier. Toen bedacht ik dat het wel paste dat er hier geen mier in de buurt zit: die is natuurlijk aan het oefenen om de eekhoorn te missen. Zo schreef Toon Tellegen het:

De eekhoorn schrijft een brief aan zijn vriend, de mier.Op een ochtend klopte de mier al vroeg op de deur van de eekhoorn.
‘Gezellig,’ zei de eekhoorn.
‘Maar daar kom ik niet voor,’ zei de mier.
‘Maar je hebt toch wel zin in wat stroop?’
‘Nou ja… een klein beetje dan.’
Met zijn mond vol stroop vertelde de mier waarvoor hij gekomen was.
‘We moeten elkaar een tijdje niet zien,’ zei hij.
‘Waarom niet?’ vroeg de eekhoorn verbaasd. Hij vond het juist heel gezellig als de mier zomaar langskwam. Hij had zijn mond vol pap en keek de mier met grote ogen aan.
‘Om erachter te komen of we elkaar zullen missen,’ zei de mier.
‘Missen?’
‘Missen. Je weet toch wel wat dat is?’
‘Nee,’ zei de eekhoorn.
‘Missen is iets wat je voelt als iets er niet is.’
‘Wat voel je dan?’
‘Ja, daar gaat het nou om.’
‘Dan zullen we elkaar dus missen,’ zei de eekhoorn verdrietig.
‘Nee,’ zei de mier, ‘want we kunnen elkaar ook vergeten.’
‘Vergeten! Jou?!’ riep de eekhoorn.
‘Nou,’ zei de mier. ‘Schreeuw maar niet zo hard.’
De eekhoorn legde zijn hoofd in zijn handen.
‘Ik zal jou nooit vergeten,’ zei hij zacht.

Deze esdoorn is de favoriete chillout-plek voor de hangjongeren onder de eekhoorns.De tuin en het park hier zijn een waar paradijs voor eekhoorns: de bomen staan precies op zo’n afstand van elkaar dat de dieren van de ene naar de andere kruin kunnen springen, zonder ooit langs de grond te moeten – wat ze overigens wel doen, als ze eten zoeken. De eekhoorns hebben niet zo’n roodbruine vacht als de pluimstaartjes bij ons, maar zijn grijs. Als je de grijze eekhoorn enkel kent uit grote steden, zoals Londen, denk je misschien dat deze soort minder schuchter is dan onze inheemse eekhoorn. Zo vreesde mijn moeder in New York even dat een grijze eekhoorn, die ik van dichtbij probeerde te fotograferen, mij ging aanvallen.

In de parken van Oxford zijn de grijze eekhoorns niet op mensen aangewezen voor hun eten; hier zijn de grijze eekhoorns dan ook net zo mensenschuw als de rode eekhoorns bij ons. Als je je een tijdje gedeisd houdt, klimmen ze wel uit de boom en kun je ze van relatief dichtbij observeren. In de tuin zie ik soms twee eekhoorns samen ravotten. Eekhoorns zijn normaal solitaire dieren, maar deze zijn kleiner en speelser dan andere exemplaren die ik al gezien heb, dus ik neem aan dat het jongen zijn uit hetzelfde nest. (Een koppeltje zou natuurlijk ook kunnen, maar het schijnt het seizoen niet te zijn.) Soms zie je eekhoorns ook met elkaar communiceren: dat doen ze met krassende geluiden (zoals een kraai) en door hun staart op-en-af te rollen.

Er is nog een andere aanwijzing dat de schuchterheid van eekhoorns minder afhangt van de precieze soort dan van hun leefomgeving: in Warschau zag ik een rode eekhoorn uit een meisje haar hand eten. Even later liep er een rood exemplaar nagenoeg tegen de lens van mijn camera. Het enige dat ik moest doen om een YouTube-hit te creëren was op het knopje voor ‘opnemen’ drukken. Pas toen de nieuwsgierige eekhoorn al lang weer uit het zicht was verdwenen, drong het tot me door dat ik deze cruciale stap vergeten was.

Dit is een kort filmpje van mijn twee favoriete eekhoorns hier in Oxford, waarbij ze vechten om de grote esdoorn in de tuin. (Het filmpje is drie weken geleden gemaakt, intussen is de kruin van de boom al bijna helemaal kaal.)

De allerleukste actie die ik al gezien heb van dit duo, heb ik helaas niet op film (en dat vind ik nog spijtiger dan die gemiste kans in Warschau). Eén eekhoorn hing ondersteboven tegen de stam van de esdoorn uit bovenstaand filmpje, te doen of hij me niet zag. De andere eekhoorn nam een aanloop van aan de overkant van het gras en klom ook in de esdoorn. Daarna hoorde ik geritsel van bladeren: de eekhoorn rende naar het uiteinde van een tak en liet zich dan pardoes uit de boom vallen, waarna de twee eekhoorns het samen op een lopen zetten. (Ik ben achteraf nog onder die tak doorgewandeld en die hing zeker meer dan twee meter hoog.) Puur herfstplezier!

Doe de eenhoorndans in Osvoorde

In Oxford steekt de os de rivier over.De meeste Nederlandse universiteiten hebben een mooie traditie die we in Vlaanderen niet kennen: bij het afronden van een doctoraat moet de kandidaat er niet enkel een boekje schrijven, maar ook een aantal stellingen uit de hooggeleerde mouw schudden… Leuke stellingen worden verzameld in de online databank van Hora Est. Omdat ik graag stellingen bedenk, maar daarvoor niet nóg een heel doctoraat wil schrijven, verdedig ik vandaag blogsgewijs drie stellingen over Oxford.

Om te beginnen:

  • Stelling I: Oxford is een soort Maastricht.

Een aantal gelijkenissen tussen Oxford en Maastricht springen meteen in het oog: beide steden hebben een compact centrum met een universiteit en mooie, historische gebouwen. Mijn interesse gaat echter vooral uit naar de verwantschap tussen de namen van deze plaatsen: terwijl ‘Maastricht’ zoveel betekent als ‘doorwaadbare plaats in de Maas‘, is ‘Oxford’ een oversteekplaats (‘ford‘ in het Engels) voor ossen (het Engels voor os is ‘ox‘). De oversteekplaats waar Oxford naar vernoemd is, verwijst natuurlijk niet naar de Maas, maar misschien wel naar de plaatselijke rivier, de Thames. In het Nederlands wordt een doorwaadbare plaats aangeduid met de uitgang -tricht, -trecht, -drecht of -voorde (waarbij die laatste optie nog het meest op het Engelse ‘-ford‘ lijkt). Dat brengt ons bij:

  • Stelling II: Als Oxford in Vlaanderen of Nederland had gelegen, dan had het ‘Osvoorde’ geheten.

Ja, een stelling met een tegenfeitelijke voorwaarde erin (zoals in Oswald-zin [C]), probeer die maar eens te weerleggen! ;-)

In het midden van het wapenschild van Oxford staat er zo’n wadende os waar de stad naar vernoemd is. Dat wapenschild brengt ons bij de laatste stelling van vandaag. Eén zwaluw maakt de lente niet en net zo goed geldt:

  • Stelling III: Eén os maakt het wapen niet.

Voor een respectabel wapenschild heb je minstens (a) één stoer fabeldier nodig, of anders (b) een zo vreemd mogelijk assortiment aan dieren. De stad Oxford opteert voor optie (b): links staat er een olifant, in het midden die Thames-doorwadende os, bovenaan een leeuwtje en rechts een dier waarvan ik aanvankelijk dacht dat het een mislukte leeuw was, maar het blijkt een bever te zijn (met veel goede wil te herkennen aan de platte staart). In en rond Oxford liggen er veel groengebieden en op de naamborden van de parken prijkt het wapenschild in al zijn kleuren:

Het wapenschild van Oxford.

Het wapenschild van Oxford met de Latijnse wapenspreuk: "Fortis est veritas" (Waarheid is kracht).

Het wapenschild van het Verenigd Koninkrijk demonstreert optie (a): een kleine leeuw in het midden, een grote leeuw links en rechts het stoere fabeldier, de eenhoorn. Een mooie versie van het schild siert de gevel van Brasenose College op High Street. Ik passeer dit gebouw bijna dagelijks en toch heb ik telkens weer de neiging om mijn fototoestel boven te halen voor nóg een plaatje van de toegangspoort:

Het wapenschild van het Verenigd Koninkrijk.

Het wapenschild van het Verenigd Koninkrijk met de oud-Franse wapenspreuk (niet volledig zichtbaar): "Honi soit qui mal y pence" (Schande over hem die er kwaad over denkt).

Ook op de gevel van de bibliotheek staat het wapen van het Verenigd Koninkrijk gebeeldhouwd. Zo kwam het dus dat ik met eenhoorns in mijn hoofd zat, toen ik die eed moest afleggen om de bibliotheek binnen te mogen. Wat er ook mee te maken kan hebben, is dat ik kort tevoren een affiche had zien hangen waarop ‘filosofie’ en ‘eenhoorndans’ (zoiets als de Chinese drakendans) iets te comfortabel naast elkaar stonden. De combinatie ‘filosofie’ en ‘eenhoorndans’ scoort net zo hoog op de charlatan-schaal als het duo ‘kwantumfysica’ en ‘spiritisme’. Als ik mijn rantsoen van drie stellingen per dag nog niet had opgebruikt, zou ik hierover zeker nog een stelling hebben moeten afkondigen. Nu echter kan ik er mij met deze tegenfeitelijke voorwaarde vanaf maken en verder gewoon schrijven: tot de volgende keer!

Moedig te gaan naar Balliol college

Balliol College heeft naast goede docenten ook een mooie tuin.In het overzicht van lessenreeksen en seminaries waaruit ik kon kiezen hier in Oxford sprong er één titel meteen in het oog: “The hitch-hikers guide to ‘if’“, of “De liftersgids voor ‘als'” – natuurlijk een knipoog naar de sciencefiction-reeks van Douglas Adams. De lezingen worden omschreven als ‘cinematic lectures‘ en zouden onderwijzen in ‘correct revolutionary thinking‘. Dit was meer dan genoeg om mij nieuwsgierig te krijgen, dus op naar Balliol college – één van de oudste colleges van Oxford, gelegen aan Broad Street, dus pal in het centrum.

De lessen gaan over ‘als’, een klein woordje met superkrachten, dat met zijn drie (in het Engels slechts twee) letters toch de macht heeft om voorwaardelijke zinnen in te leiden. Voorwaardelijke zinnen zijn ook interessant vanuit het oogpunt van de filosofie van de kansrekening; met name de vraag of (en zo ja hoe) voorwaardelijke zinnen samenhangen met voorwaardelijke kansen heeft al veel inkt doen vloeien. In de les is het woord ‘waarschijnlijkheid’ nog niet gevallen, maar dat hoeft ook niet: ik zal zelf wel zien hoe ik dat erop kan toepassen. De reeks is een soort training in verbaal logisch denken, vooral gericht op eerstejaars die “nog niet bezoedeld zijn door formele logica”. Er wordt ook elke week een “Fantasy Logic Competition” gehouden, waarin teams van eerstejaars elkaar onder een fantasienaam bekampen met logische argumenten over een opgelegd scenario; ook hierin is het gebruik van symbolische logica taboe: alle argumenten moeten in Engelse volzinnen opgeschreven worden.

De docent, Bob Hargrave, staat niet eens op van zijn stoel, maar weet de studenten van de eerste tot de laatste seconde te boeien. Hij werkt aan de hand van voorbeelden die tot de verbeelding spreken en heeft een uniek soort humor. Alles wordt onderwezen aan de hand van Powerpoint-dia’s, wat al tot menig didactisch dieptepunt heeft geleid, maar niet in de handen van Bob Hargrave, o nee! Als de les begint, gaat het licht uit: het is verboden om notities te nemen – een probleem voor compulsieve notulisten zoals ik. Bob voorziet zijn studenten wel van samenvattingen op zijn website. Het licht gaat enkel aan als er ergens over gestemd moet worden.

President Kennedy werd tijdens een optocht neergeschoten, vermoedelijk door L.H. Oswald.De belangrijkste stemronde tot nu toe ging over de Oswald-zinnen. Om dit uit te leggen, moet je eerst weten dat Lee Harvey Oswald de vermoedelijke moordenaar is van president Kennedy. Er zijn drie voorwaardelijke zinnen die hierop betrekking hebben, onder filosofen bekend als ‘de Oswald-zinnen’:

[A] Als Oswald Kennedy niet heeft vermoord, dan heeft iemand anders het gedaan.
[B] Als Oswald Kennedy niet vermoort, dan zal iemand anders het doen.
[C] Als Oswald Kennedy niet had vermoord, dan zou iemand anders het gedaan hebben.

(En nu hoop ik maar dat ik ze juist vertaald heb, want het zit hem allemaal in de nuance van didn’t, doesn’t en hadn’t.)

De stemronde ging over hoe je deze zinnen zou rubriceren, met name of je zin B eerder bij A of bij C zou indelen. Voor mij was dit zeer verwarrend, aangezien ik A en C samen en B apart zou zetten (puur omdat enkel B gezegd kan worden op een moment dat de moord nog niet gebeurd is). Ik was niet snel genoeg om de rest van de grammatica te doorgronden en onthield me van de stemming, maar de uitslag was helder: slechts twee studenten vonden dat B beter bij A paste, terwijl de rest (toch een veertigtal mensen) B bij C indeelden.

Bob Hargrave was in zijn nopjes: “You are the children of the Revolution!” zei hij. In heel de wereld zijn grammatici en taalfilosofen het erover eens dat B bij A hoort, behalve vier onderzoekers, hier in Oxford. Bob riep de studenten dan ook op om hun revolutie te steunen.

Met een kloek sterrenschip als de Enterprise is het net iets makkelijker om moedig op sterrentoch te gaan.Behalve om over Oswald- en andere voorwaardelijke zinnen te doceren, gebruikt Bob zijn lessen ook om heerlijk door te bomen over andere grammaticale kwesties. Mikpunt van zijn spot is mevrouw Ann Widdecombe – lid van de conservatieve partij -, die een krantencolumn heeft geschreven waarin ze de belabberde kennis van het Engels bij de jeugd aanklaagt. Eén van haar klachten is dat jongeren niet weten dat je de infinitief niet mag splitsen. Bob vindt het juist prachtig dat ze dit niet leren op school, want het Engels heeft helemaal geen infinitief volgens hem en datgene wat ze wellicht bedoelt met een infinitief mag je wel splitsen.

Laten we het werkwoord ‘gaan’ als voorbeeld nemen. Dit is meteen de infinitief, de vorm zoals het werkwoord ook in het woordenboek staat. In het Nederlands is de infinitief altijd één woord, dus daar valt niet veel aan te splitsen. In het Engels wordt dit ‘to go‘, twee woorden dus en volgens sommigen mag er tussen ‘to‘ en ‘go‘ nooit een ander woord geplaatst worden. Op het eerste zicht lijkt dit te kloppen, maar herinner je je de introtekst van Star Trek (The Next Generation) nog? Als Trekkie ken ik het natuurlijk uit mijn hoofd, maar voor wie geen fan is, staat hier de tekst:

Space … the Final Frontier. These are the voyages of the starship Enterprise. Its continuing mission: to explore strange new worlds, to seek out new life and new civilizations, to boldly go where no one has gone before.

Er staat dus ‘to boldly go‘, niet ‘boldly to go‘ of ‘to go boldly‘. De constructie ‘to boldly go‘ in de Star-Trek-intro heeft voor mij nooit eigenaardig geklonken, maar ik kende dit tekstje natuurlijk al vóór ik een beetje Engels begreep, dus ik ben geen goede maatstaf. Bob zei ook dat er tussen de drie formuleringen, met ‘boldly‘ telkens op een andere plaats, subtiele verschillen zijn. Dit lijkt plausibel, maar welke nuances dit dan zijn ontgaat me.

Star Trek's mission: to boldly split infinitives that one one has split before.Om aan te tonen dat het probleem zich niet stelt in het Latijn of Frans en de meeste andere talen, had Bob Hargrave ‘to boldly go‘ in een aantal talen vertaald (inclusief Swahili). In al deze voorbeelden is de infinitief één woord en stelt het probleem zich dus inderdaad niet. Dan kwam hij echter bij het Duits, waarbij het ‘dapfer zu gehen‘ wordt – volgens Bob een infinitief met twee woorden, die inderdaad níet gesplitst kan worden. Dit deed me toch even de wenkbrauwen fronsen, in het Nederlands zou je ‘to boldly go‘ als ‘moedig te gaan’ kunnen vertalen, maar de infinitief is ‘gaan’, niet ‘te gaan’. En geldt hetzelfde niet voor het Duits: het werkwoord is daar toch gewoon ‘gehen‘, niet ‘zu gehen‘? En kun je dan eigenlijk die ‘to‘ in het Engels niet ook als een gewoon voorzetsel interpreteren, en ‘go‘ als infinitief? (Overigens vind ik op het internet als Duitse vertaling eerder ‘mutig dorthin zu gehen‘.)

Ik zat met meer vragen dan antwoorden en besloot dat er maar één uitweg was: ‘to boldy go‘ naar Wikipedia. En wat blijkt: het al dan niet splitsen van de infinitief is één van de grootste controversen in de Engelse grammatica. Wikipedia is ook altijd een goede bron van leuke weetjes, zoals dit: het splitsen van de infinitief, meer specifiek zoals het beroemde gebruik ervan in de intro van Star Trek, vormt de basis van een grap uit Douglas Adams’ Transgalactisch Liftershandboek:

In those days men were real men, women were real women, small furry creatures from Alpha Centauri were real small furry creatures from Alpha Centauri. And all dared to brave unknown terrors, to do mighty deeds, to boldly split infinitives that no man had split before – and thus was the Empire forged.

Hm, ook hier een verwijzing naar ‘to boldly go‘ én naar Douglas Adams, net als in de titel van Bobs lessenreeks. Toeval? Ik dacht het niet; volgens mij heeft Bob Hargrave deze Wikipedia-pagina gewoon zelf geschreven.