Tag Archief: psychologie

Waarom is de zonsondergang niet groen?

ikhebeenvraag.beEr kwam nog eens een originele optica-vraag binnen, dus ik schreef een antwoord.

Pieter vroeg:

“Waarom kleurt de hemel ’s avonds nooit van blauw naar groen en dan pas naar rood?

Ik begrijp het fenomeen van rayleigh scattering. vanuit deze kennis lijkt me het dan ook logisch dat de hemel ’s avonds rood kleurt. Maar toch verklaart dit voor mij dan niet waarom er niet meer overgangskleuren zichtbaar worden naar de avond toe. Als het licht een langere weg door de atmosfeer aflegt, zou wanneer het blauwe licht weggefilterd wordt toch eerst het groene zichtbaar moeten worden. Dit aangezien groen een kortere golflengte heeft als rood en dus sneller rayleigh scattering zou ondergaan.”

Beste Pieter,

Om je vraag volledig te beantwoorden moeten we het hebben over fysica, fysiologie en psychologie.

~

Je vraag veronderstelt dat de hemel ’s avonds nooit van blauw naar groen verkleurt, maar dat klopt niet helemaal.

Als je boven de horizon kijkt richting N of Z (dus niet in de richting van de ondergaande zon in het W) dan zie je daar ’s avonds soms weldegelijk een groene zone. Het is bleekgroen en maar een smalle regio, maar het is er wel. Het is gemakkelijker te zien als er lage wolken hangen (zoals op de foto hieronder): door een deel van de geleidelijke overgang te blokkeren (wat je overigens ook met je handen kan doen als er geen wolken zijn), zie je duidelijker de overgang van blauw naar groen.

In het Nederlandse taalgebied hebben we trouwens toegang tot een ware schatkamer aan dit soort waarnemingen met fysische toelichting (hoewel niet geheel foutloos): deel 1 van “De natuurkunde van ’t vrije veld” van Marcel Minnaert (integraal online). Onder het deel “Licht en kleur van de lucht” bespreekt Minnaert inderdaad de waarneming van groene lucht. Zie deze link en scrol dan naar beneden, naar paragraaf 178: “Wanneer is de lucht in de verte oranje? Wanneer groen?” De kleur ontstaat door een samenspel tussen verstrooiing én absorptie (verzwakking).

Een eerste verklaring voor het schijnbare afwezig zijn van groen in de lucht is dan ook psychologisch: we ‘weten’ dat de hemel blauw is (of oranje-rood bij zonsondergang). Daarom herkennen we dit groen pas als dusdanig als iemand er ons op wijst, of als we er actief naar zoeken.

Groene lucht.

Groene lucht.

~

Dit neemt niet weg dat er inderdaad weinig groen is en dat het groen bovendien geen ‘zuiver’ groen is. Voor alle duidelijkheid geef ik hier nog een toelichting bij.

We beginnen opnieuw met de fysica. Enkel op basis van de informele uitleg over Rayleigh scattering zou je kunnen verwachten dat er een soort piek is in het spectrum dat tot bij ons geraakt en dat die piek geleidelijk van blauw naar rood verschuift naarmate we de zon lager aan de horizon zien (langer optisch pad, dus meer strooiing van telkens langere golflengten). Op basis daarvan zou je verwachten dat de lucht alle kleuren van de regenboog krijgt tussen blauw en rood. Dit is niet wat we zien, vandaar je vraag.

Om te beginnen is het spectrum van invallend zonlicht een breed spectrum. Alle golflengten worden enigszins verstrooid. Als er veel wolken of stof in de lucht hangen, domineert Mie-verstrooiing, die niet golflengte-afhankelijk is en wordt de lucht wit of grijs. Bij een heldere, droge lucht domineert Rayleigh-strooiing en die is weliswaar sterk golflengte-afhankelijk, maar onder geen enkele omstandigheid is het spectrum van het diffuse zonlicht echt scherp gepiekt. Bij een langere lichtweg (als de zon lager aan de horizon staat) verandert niet alleen de bijdrage van de verstrooiing, maar neemt ook de absorptie toe, waardoor het spectrum als geheel lager wordt (minder intensiteit). Het netto-effect is dat groen nauwelijks doorkomt.

Dit alles heeft ook met de werking van onze ogen te maken (fysiologie). We hebben drie types kegelcellen, die elk gevoelig zijn voor een deel van het voor ons zichtbare spectrum. Zie deze figuur voor de overlappende gebieden waarin menselijke fotoreceptoren gevoelig zijn. (De maxima van de pieken zijn in de figuur even hoog aangeduid, maar zo is het in werkelijkheid niet. De cellen zijn niet even gevoelig, maar er zijn er ook niet evenveel van en bovendien worden de signalen in onze hersenen naverwerkt. De gevoeligheid per type cel zegt dus ook niet alles.) We kunnen kleuren zien doordat de verschillende types cellen in een verschillende verhouding vuren.

Hoewel het maximum bij blauw/groen zit, bevat diffuus zonlicht overdag ook kortere golflengten (violet) en langere golflengten (geel/oranje/rood). Wij zien dit spectrum als hemelsblauw. Hiermee heb je ineens ook (een deel van) het antwoord op een aanverwante vraag: waarom zien we lucht overdag niet als violet? :-) Zie ook deze link en deze link, die beide ook inzicht kunnen geven in het “waarom zo weinig groen?” vraagstuk.

Misschien nog iets dat leuk is om te weten: het feit dat we de lucht boven ons tijdens en na zonsondergang nog steeds als blauw zien, komt doordat het licht dan een langere weg aflegt door de ozonlaag, die langere golflengten (rode kant van het spectrum) absorbeert. Het effect hiervan is zeer duidelijk in simulaties.

Als je er nog veel meer van wil weten, uit een bron recenter dan het boek van Marcel Minnaert: zie bijvoorbeeld Atmospheric Optics van Bohren.

Vriendelijke groeten,
Sylvia

Sta jij ook altijd in de langste wachtrij?

Het winkelkarretje is weer vol en nu op zoek naar de kortste rij.Bloggers zijn ook maar mensen, dus doen ze al eens hun beklag over alledaagse gebeurtenissen: i. van “Kerygma” schrijft over 32 minuten aanschuiven aan de kassa – en dat enkel voor een aftrekker en een rol vuiniszakken. Van mijn mama heb ik volgende stelling geleerd: “Het aantal klanten telt, niet hoe vol hun winkelwagens zijn.” (Haar ervaring is dat het afrekenen in verhouding veel langer duurt dan het scannen van een hele band producten.) Deze gouden raad heeft me al veel wachttijd bespaard. Er zijn nog mensen die zo redeneren, want deze tip staat ook tussen de commentaren bij het vorige bericht, waar je nog een hele waslijst aan strategieën vindt om de snelste rij te kiezen.

Heb jij ook het gevoel in de winkel altijd in de langste wachtrij te staan? Dat kan kloppen: het is een eenvoudig gevolg van statistiek. Als je ervan uitgaat dat wachtrijen nu eenmaal niet even snel gaan en dat je evenveel kans hebt om een tragere als om een snellere rij te kiezen, dan zul je na enkele keren winkelen gemiddeld méér tijd in trage rijen hebben doorgebracht – gewoon omdat die ervaring langer duurt dan het staan in snelle rijen. Bovendien ga je je misschien ergeren en heb je tijd om alvast een boos blogstukje te bedenken. Hierdoor heb je dus nóg meer bewuste herinneringen aan de lange rij, dan alleen al te verwachten is op basis van de er doorgebrachte tijd. Als je erover vertelt aan anderen, hebben zij vast ook rampverhalen klaar van extreem lange wachttijden, waarbij ze de keren dat er net voor hun neus een nieuwe kassa open ging en ze als eerste naar buiten wandelden natuurlijk glad vergeten.

Als we onze herinneringen gebruiken om te bepalen of er meer trage of meer snelle wachtrijen zijn, vallen we ten prooi aan een selectiebias (meer bepaald: samplingbias): we hebben meer herinneringen aan trage wachtrijen, zelfs als we al in evenveel snelle rijen hebben gestaan. Hetzelfde effect zorgt ervoor dat we ook denken dat wij met de auto altijd in de langste file staan.

Michael Lugo schreef op zijn blog “God plays dice” recent over enkele voorbeelden van samplingbias. Zijn voorbeeld over de gemiddelde grootte van schoolklassen kan meer licht kan werpen op onze altijd-in-de-langste-wachtrij-illusie. Als je ongelijke schoolklassen herverdeelt zodat ze even groot worden (zonder het aantal klassen te veranderen), doet dit niets aan de gemiddelde klasgrootte, maar wel de gemiddelde klasgrootte die leerlingen ervaren. Dit heeft er opnieuw mee te maken dat er meer leerlingen in de grootste klas zitten, waardoor zij het subjectieve gemiddelde opdrijven. Om het voorbeeld van Michael te volgen: stel dat je 90 leerlingen verdeelt over een klas van 30 leerlingen en een klas van 60 leerlingen. De klassen hebben dan gemiddeld 45 leerlingen. Als je echter aan alle leerlingen vraagt hoe groot hun klas is en daarvan het gemiddelde berekent, krijg je (30×30 + 60×60) / 90 = 50. Het subjectieve gemiddelde van 50 ligt hoger dan het objectieve gemiddelde van 45. De enige manier om dit verschil weg te werken, is door de klasgroottes gelijk te maken aan het objectieve gemiddelde, of dus twee klassen te maken van elk 45 leerlingen.

Als je nog eens lang moet wachten, kun je de tijd misschien doden met een beetje hoofdrekenen. Het lijkt allemaal een kwestie van psychologie (selectief geheugen, confirmatiebias en andere denkfouten), maar toch kun je de grootte van het effect exact voorspellen. Kijk, dat vind ik dan mooi!

Paranormale gave? Koud kunstje!

We willen ze graag geloven en daardoor krijgen waarzeggers telkens opnieuw de kans om ons te bedriegen.Je zou denken dat in de éénentwintigste eeuw voor iedereen duidelijk is wat de voordelen zijn van wetenschappelijke kennis: niet alleen geeft het ons antwoorden op vragen zoals waarom water nat is en hoe lang de zon nog blijft schijnen, maar we plukken er ook dagelijks de technologische vruchten van. Toch weet wetenschap niet alles. Dat is juist het bijzondere eraan: de mogelijkheid dat aannames later fout blijken te zijn, is erin ingebouwd; zodra er zo’n fout aan het licht komt, wordt dit aangepast.

Hoe anders is het gesteld met paranormale zaken, waarin je gewoon maar moet blijven geloven, ook al is al drieëndertig keer aangetoond dat dit wonderzalfje niet werkt en dat die charlatan niet echt met overledenen kan praten. Ik zou denken dat het patroon stilaan duidelijk is en dat de zalen van gebedsgenezers en spiritisten leeg blijven. Maar als je in de put zit, zou je je aan elke strohalm vastklampen om eruit te raken. Mensen hopen nu eenmaal vurig dat iemand hen kan helpen met hun problemen. Enkel zo is het te begrijpen dat ook anno 2012 zelfverklaarde paragnosten er nog steeds in slagen geld te kloppen uit de zakken van goedgelovige of wanhopige mensen.

Helaas blijft het dus nodig om zo nu en dan een bedrieger te ontmaskeren. Het Nederlandse programma ‘RamBam’ was deze week voor het eerst op televisie en heeft wel iets weg van de Vlaamse reeks ‘Basta’: ze treden ook op tegen absurde regels en oplichters, maar dan zonder sketches ertussen. In de eerste aflevering trokken ze naar een show van Derek Ogilvie, een Schotse paragnost en babyfluisteraar. Ondanks de vele aanwezigen lukte het presentatrice Linda Hakeboom om een persoonlijke lezing te krijgen. Helderziend of niet, Ogilvie had niet door dat haar opa nog leefde. Achteraf ging ze dan samen met haar opa op zoek naar Derek Ogilvie. Hij beweerde zich echter niets de herinneren van wat hij allemaal voor onzin had uitgekraamd. (Herbekijk hier het fragment of lees hier een verslag.)

Ik vond het een leuke actie, maar zie er toch een zwak punt in: de meeste mensen hebben twee grootvaders. Het werd niet duidelijk uit de uitzending of de opa’s van de presentatrice nog beiden in leven zijn. Zo niet, kunnen mensen die in communicatie met overledenen (willen) geloven, het nog steeds in het voordeel van het medium uitleggen.

Ook de Vlaamse Gili toonde met zijn show 'Iedereen paranormaal' aan hoe je met cold reading de indruk kunt wekken dat je meer weet dan je eigenlijk weet.Met een beetje kennis van statistiek en psychologie wordt jezelf uitgeven voor paragnost een koud kunstje. Er werd in de uitzending duidelijk uitgelegd hoe cold reading werkt: vertrekken van informatie die op veel mensen van toepassing is en dan op subtiele manier specifiekere informatie lospeuteren. De kans dat er van een jonge, volwassen vrouw minstens één grootvader overleden is, is behoorlijk groot. De tweede stap, het lospeuteren van nadere informatie, lukte bij de presentatrice niet, omdat ze zat te liegen. Mij blijft het een raadsel waarom zoveel mensen geloven dat paragnosten toegang hebben tot buitenzintuiglijke informatie, terwijl die mensen toch vooral veel vragen stellen. Kunnen die geesten of visioenen dan niet wat specifieker zijn? Indien niet, kun je toch ook gewoon met mensen praten om hen te helpen – waarom moet je daar dan over liegen?

In een verslag van Maarten Koller over een show van Ogilvie uit 2009 lezen we soortgelijke observaties:

“Het patroon is steeds ongeveer hetzelfde. Derek begint met wat vage en algemene beweringen die nog op heel veel dingen kunnen slaan. Afhankelijk van de reacties past hij zijn uitspraken wat aan. Hij stelt voortdurend vragen en laat het publiek het meeste zelf invullen, om het daarna nog een keer te herhalen alsof hij het zelf bedacht had. Als iemand niet optimaal meewerkt, stapt hij snel over naar een ander. Een wat aarzelende bevestiging kan hij laten volgen door een groot applaus door met nadruk ‘dankjewel’ te zeggen. Hij heeft daarbij veel baat van het prestige dat hij dankzij de tv-uitzendingen geniet. In deze uitzendingen worden slechts een paar krenten uit de pap getoond.”

Ogilvie viel in 2007 al eens door de mand. Hij ging de mist in bij een experiment in gecontroleerde omstandigheden dat werd uitgevoerd door Chris French, een Britse psychologieprofessor en scepticus. Evenmin lukte het hem de één miljoen dollar binnen te halen die  James Randi, een andere Britse scepticus, met zijn stichting JREF heeft uitgeloofd aan degene die bewijs voor het paranormale kan leveren. (Een verslag van deze eerdere tests vind je hier; je kunt ook de volledige aflevering van ‘The Million Dollar Mind Reader’ terugkijken.) Het lijkt dus duidelijk Derek Ogilvie niet over paranormale gaven beschikt, maar hooguit een goed manipulator is. Hoe vaak moet deze man nog ontmaskerd worden? En hoeveel nieuwe oplichters krijgen er nog een kans voor het doordringt dat al deze types bedriegers zijn (al zijn sommigen ook zelf gaan geloven in hun ‘gave’)?

Als je wil weten hoe je kwakzalverij kan herkennen, raadpleeg dan dit overzicht. In het kort komt het hierop neer: als iets te mooi klinkt om waar te zijn, is het vaak bedrog.

Om dit stukje af te sluiten laat ik het woord aan Dara Ó Briain, een Ierse cabaratier. Hij studeerde wiskunde en theoretische fysica en zo nu en dan komt zijn oude passie voor wetenschap duidelijk tot uiting in zijn shows. Hier een fragment waarin hij van leer trekt tegen homeopathie en andere kwakzalverij:

We onthouden:

“Wetenschap weet niet alles.
Wetenschap wéét dat het niet alles weet, anders was het al gestopt.”

Kansbegoocheling

Wat zie je: de saxofonist of het meisje?Goochelen en psychologie is een mooie combinatie. In één van mijn vorige posts had ik het er al over: goochelaars rekenen erop dat het publiek hun bewegingen als een bepaalde intentie interpreteert en kunnen zo iets anders verborgen houden. In maart van dit jaar heb ik de avondshow ‘Mind Magic‘ van Richard Wiseman bijgewoond op het i-brain&senses festival in Gent. Richard Wiseman is professor in de psychologie, goochelaar en fervent doorprikker van paranormale claims. Hij heeft ook diverse boeken geschreven, waarvan Paranormality het laatste is. In België brengt komisch mentalist Gili met zijn goochelshows als ‘Iedereen Paranormaal’ een soortgelijke mix.

Richard Wisemans avondshow omvatte niet enkel goocheltrucs, maar ook optische illusies. Er zaten oude bekenden bij (zoals de bistabiele afbeelding van een saxofonist/meisjesgezicht), maar ook enkele illusies die ik nog nooit eerder gezien had. Eentje daarvan werd in mei tot beste nieuwe optische illusie van het jaar verkozen. (Op deze website kun je alle genomineerde illusies en eerdere winnaars bekijken.) De winnende zinsbegoocheling hoort bij een wetenschappelijk artikel van twee psychologen uit Cambridge, Jordan Suchow en George Alvarez. (Hier vind je de pdf van hun artikel.) De illusie toont aan dat beweging ons blind kan maken voor veranderingen in kleur, helderheid, grootte en vorm.

Hieronder staat het YouTube-filmpje voor de kleuren-versie van de illusie, zodat je het zelf kunt uitproberen. Lees eerst wat je moet doen: staar naar de witte stip in het midden van de ring. Eerst staat de ring stil en zie je duidelijk dat de bollen van kleur veranderen; zodra de ring begint te bewegen, lijken de bollen veel minder van kleur te veranderen. Bekijk daarna het filmpje opnieuw en kies één van de bollen uit: blijf deze volgen terwijl de ring draait. Zo zul je zien dat de kleur wel degelijk blijft veranderen tijdens de beweging. Ik was echt verbluft hoe goed de illusie werkt en geloofde eerst niet dat Wiseman twee keer hetzelfde filmpje had laten zien! Maar test het vooral zelf eens:

Alle versie van de illusie – dus ook die waarbij helderheid, grootte en vorm variëren – zijn hier te vinden. Nog een tip voor wie van optische illusies houdt: breng eens een bezoekje aan het Illuseum in Gent, ideaal voor druilerige zondagen.

Wiseman had ook een selectie foto’s meegebracht naar Gent die volgens de makers ervan het bestaan van geesten en andere paranormale zaken zouden bewijzen. Stuk voor stuk bleek er een meer banale verklaring te zijn voor de spookverschijningen: optische lenseffecten, sigarettenrook, of… een iPhone-app die ‘Ghost Capture‘ heet! Ook patternicity, het menselijke vermogen om in grillige vormen patronen (vaak gezichten) te ‘herkennen’, zorgt voor leuke illusies, zoals deze vijf voorwerpen met een gezicht, of dit gezicht in een schaduw.

Een optische illusie met dobbelstenen.Op zijn blog post Richard Wiseman elke vrijdag een puzzel, waarvan hij dan op maandag de oplossing plaatst. Als professor in de psychologie moet hij zeker iets van statistiek kennen en toch ging hij de mist in met een eenvoudige vraag over kansrekening (zoals hij ook zelf heeft ingezien). De vraag gaat over een zak met aanvankelijk één steentje erin, dat wit of zwart kan zijn; daar wordt nog één wit steentje bijgedaan. Wat is dan de kans op een wit steentje als je zonder te kijken één steentje uit de zak haalt?

Mijn oplossing staat na de vouw. (meer…)