Tag Archief: studeren

Vergadertechnieken van de toekomst (anno 2007)

Als ik ooit nostalgisch zou durven worden, dan is er een simple remedie: laat me terugkijken naar dit tenenkrullende fragment “reality TV” (uiteraard volledig gescript). Hierin mocht ik kotgenote Eva rondleiden in een onderzoeksinstituut op het Wetenschapspark. Niet in het Instituut voor MateriaalOnderzoek, waar ik doctoreerde (want daar hadden ze al met een andere student gefilmd), maar wel bij de collega’s aan de overkant: in het Expertisecentrum Digitale Media, waar ik voordien zelf ook nog nooit binnen was geweest.

Filmopnames in een lift, het is niet gemakkelijk. En die “vergadertechnieken van de toekomst” waren zelfs in 2007 al niet om over naar huis te schrijven.

Vroeger was zelfs de toekomst niet beter.

Over kantlijnvragen en zonnebloemen

Zonnebloem.Terwijl de meeste studenten nu druk aan het blokken zijn voor hun examens denk ik terug aan mijn eigen studie van de theoretische fysica. Hoewel het zeker geen gemakkelijke richting is, biedt ze wel een groot voordeel: je moet weinig uit het hoofd leren.

Je krijgt als fysicastudent dikke cursussen vol wiskundige uitdrukkingen te verwerken, dat is waar. Maar als je de samenhang ervan begrijpt, hoef je slechts enkele formules van buiten te kennen. De andere formules kan je hier zo uit afleiden. Dit gebeurt via rigoureuze stappen (bijvoorbeeld: haakjes uitwerken), maar minstens even vaak via ‘slimme’ benaderingen (bijvoorbeeld: voor kleine hoeken is de sinus van een hoek ongeveer gelijk aan de hoek zelf). Hierbij zet ik ‘slimme’ even tussen aanhalingstekens, omdat wiskundigen deze benaderingsstappen doorgaans te kort door de bocht vinden: “Hoezo, ‘ongeveer’?!” Zij  schudden het hoofd meewarig bij het argument dat het hier om ‘fysische intuïtie’ zou gaan.

Tussen al die formele krachtpatserij komen er ook prachtige verhalen en briljante ideeën voorbij. Vaak zijn dit precies de ideeën waar ook populariserende boeken vol van staan. Het gekke is dat die verhalen en ideeën niet altijd even naadloos bij de formele theorie aansluiten. Ik heb het zo ervaren: de professor vermeldt even een wild idee, steevast afkomstig van een intussen wereldvermaarde wetenschapper, waardoor vervolgens het hele formele apparaat op een nieuw spoor terechtkomt. De trein vertrekt en komt nooit terug bij het station waar het allemaal begon.

Maar terwijl de trein verder denderde, bleef ik achter op dat perron met een tas vol vragen. Vaak had ik het gevoel dat er iets niet klopte: het initiële idee leek me niet in overeenstemming met de theorie die er uiteindelijk uit ontsproot. Omdat ik in mijn studententijd nogal verlegen was, durfde ik niet vragen hoe het precies zat. Hooguit schreef ik mijn vraag in potlood in de kantlijn van de cursus.

We zijn intussen meer dan tien jaar verder, maar mijn vragen zijn gebleven. Het is natuurlijk niet voor niets dat ik wetenschapsfilosoof ben geworden. Nu ben ik best trots op mijn marginalia van destijds: heel wat van mijn kantlijnvragen blijken nog steeds open problemen in het grondslagenonderzoek! Met andere woorden: als ik mijn vragen destijds wél had durven stellen, dan had de professor het vast ook niet geweten. Of erger: dan had hij misschien wel iets geantwoord en me met een kluitje in het riet gestuurd, waardoor ik niet verder had gezocht.

Radicale relativisten stellen dat er in de loop van de geschiedenis steeds verhalen bijkomen, terwijl er nooit iets wordt uitgeveegd. Zij gooien wetenschappelijke verhalen op dezelfde hoop als sprookjes en andere vertellingen.

Zo ver wil ik niet gaan, maar ik ben er wel van overtuigd dat menselijke verhaalstructuren de wetenschap sturen. De verbeelding stimuleert ons om nieuwe dingen te ontdekken en grenzen te verleggen, maar zelfs op onze fantasie zitten er beperkingen. We kunnen niet eender wat denken: onze verhalen hebben een bepaalde mate van complexiteit, die niet onbeperkt kan groeien. Eén van de functies van wetenschap is om onszelf een coherent verhaal te vertellen over de wereld waarin we leven. En zo’n verhaal heeft alleen maar zin als het voor ons begrijpelijk blijft.

Zonnebloempit.Wiskundige theorieën over de natuur zijn prachtig, maar ze ontstaan niet uit het niets. Eerst moeten we een informeel idee hebben, vaak in de vorm van een verhaaltje of korte redenering, voor we het formeel kunnen gaan uitwerken. In gunstige omstandigheden groeit het idee uit van een zonnebloempit (het informele idee) tot een zonnebloem (de formele theorie). Tijdens dit proces verandert het idee wezenlijk. Als de zonnebloem er eenmaal is, is de pit nergens meer te vinden. (Daarom ook kwam de trein nooit meer aan het eerdere station voorbij…) En vervolgens kunnen er uit die ene bloem zeer veel nieuwe pitten ontstaan.

Misschien werkt de wetenschap zo: in cycli van formele en informele groei, met zomers vol zonnebloemen en winters waarin de vogels zonnebloempitten wegpikken – maar gelukkig niet allemaal.

Of is dit maar een verhaal dat ik mezelf wijsmaak?

Tien tips: minder zenuwachtig bij presentaties

Het is jouw beurt, het publiek wacht.Vorige week raakte ik met een collega aan de praat over presentatietechnieken. Spreken voor publiek is voor veel mensen een grote angst. Toch ben ik over het algemeen niet erg zenuwachtig als ik een presentatie moet geven.

Vermoedelijk zit podiumervaring er voor iets tussen: als kind was ik bij een dansgroep en ik heb ook jaren toneel gespeeld. Bij het dansen gold: wat er ook gebeurt, blijven lachen! Bij toneel gold: wat er ook gebeurt, niet de slappe lach krijgen! In beide gevallen was het duidelijk dat je veel langer moet oefenen, dan de eigenlijke voorstelling duurt. Danspassen worden gedrild tot ze een automatisme zijn en bij toneel moet je oefenen tot je je tekst achterstevoren kunt opzeggen terwijl je ondersteboven in een achtbaan hangt.

Je eigen werk presenteren is nog iets anders natuurlijk: je speelt geen rol, maar staat er als jezelf. Je stelt jezelf kwetsbaar op en aan het einde kun je openlijke kritiek verwachten. In de loop van de jaren heb ik verschillende strategieën ontwikkeld om met de spanning om te gaan. Er is geen geheim recept dat voor iedereen werkt, maar misschien kun je er toch iets uit leren.

Daarom formuleer ik tien tips:

(1) Aanvaard dat het normaal is om zenuwachtig te zijn.

Het is normaal om zenuwachtig te zijn! Voel je daar dus niet slecht om. (Anders heb je twee problemen: dat je nerveus bent en dat je je daar slecht om voelt.) Iedereen is het (enkel de mate waarin verschilt) en die adrenalinestoot kan je juist helpen om je beter te concentreren en het extra goed te doen. Na verloop van tijd leer je ook wat er met je lichaam gebeurt als je zenuwachtig wordt en hierop te anticiperen. Een voorbeeld: als je handen gemakkelijk gaan trillen, ga dan niet met een laserpointer staan mikken (lukt toch niet) en zorg ervoor dat je je glas met twee handen vasthoudt als je even een slok water neemt.

(2) Oefening baart kunst.

Oefening baart kunst.Situaties waar je weinig ervaring mee hebt, zijn automatisch enger. Er zijn voorbeelden genoeg: een eerste school- of werkdag, de eerste keer alleen met de auto rijden, enzovoort. Dus ligt de remedie voor de hand: grijp elke kans om voor een groep een aankondiging te doen, of iets te presenteren.

Je kunt enkele medestudenten of collega’s vragen om eens te luisteren naar een oefenpresentatie. Dit kan ook eng zijn om te doen, maar het is beter om constructieve feedback te vragen aan een kleine groep mensen die je goed kent, dan af te gaan voor een volle  zaal, niet?

(meer…)

Woordenwolk over wetenschap

Aan de Rijksuniversiteit Groningen ging een filosofietraject van start voor Honoursstudenten.Gisteren is er aan de Rijksuniversiteit Groningen een nieuw programma gestart binnen het Honours College, namelijk het traject Philosophy. Hiervoor werden zesentwintig Bachelor-studenten geselecteerd vanuit alle faculteiten (behalve Filosofie zelf) en zij kwamen gisteravond voor het eerst samen. Vóór de les was er een Italiaans buffet in het torentje van het Academiegebouw. Bij deze gelegenheid hoorde natuurlijk een welkomstwoord van onze – ook al gloednieuwe – decaan Lodi Nauta en van de coördinator van het traject, Arnold Veenkamp.

Daarna verhuisden we naar de Zernikezaal (vernoemd naar Frits Zernike, uitvinder van de fasecontrastmicroscoop) en daar was het woord aan mij, want ik mocht de spits afbijten met het vak “Philosophy of Science“. Het Honours-traject staat ook open voor buitenlandse studenten, vandaar dat het hele programma in het Engels gedoceerd wordt.

Als opwarmingsoefening vroeg ik aan mijn studenten om tien woorden op te schrijven die ze associeerden met “science” (“wetenschap”). Doe de oefening gerust zelf thuis mee op een papiertje. Na de vouw vind je de woordenwolk die gebaseerd is op de antwoorden van mijn studenten.

(meer…)

Plagiaatscanner

Aan de Rijksuniversiteit Groningen wordt een plagiaatscanner gebruikt.Over enkele uren – klokslag middernacht – verstrijkt voor mijn studenten van het vak “Philosophy of Probabilityde deadline voor hun vierde en laatste essayopdracht. Ik ben elke keer nieuwsgierig naar wat ze inleveren. Het zijn allemaal Master-studenten, maar sommigen hebben filosofie gestudeerd, terwijl anderen een achtergrond hebben in de wiskunde (met name kunstmatige intelligentie). Dit levert zeer gevarieerde onderwerpkeuzes op, wat het voor mij natuurlijk des te aangenamer maakt om alles na te lezen.

Aan de Rijksuniversiteit Groningen wordt Nestor als elektronisch leerplatform gebruikt. (Nestor draait op de software van Blackboard, die aan veel universiteiten gebruikt wordt.) Voor mijn cursus gebruik ik het e-platform vooral om presentaties en handouts te archiveren, zodat de studenten mijn dia’s rustig kunnen herbekijken. Ook beschikken de deelnemers die helemaal niet aanwezig kunnen zijn bij een les zo toch over al het gebruikte materiaal.

Sinds dit jaar vraag ik mijn studenten om hun schrijfopdrachten via Nestor in te leveren. Dit betekent onder andere dat mijn mailbox nu niet langer overspoeld raakt bij elke deadline. Enkel dringende vragen komen nog in mijn inbox terecht, zoals wanneer een student twijfelt of een bepaald onderwerp wel voldoende aansluit bij de huidige schrijfopdracht. Intussen staan de al ingeleverde taken rustig op een rij te wachten om door mij beoordeeld te worden.

Via dit systeem gaan de ingestuurde teksten bovendien door een plagiaatscanner (van Ephorus), waarvan ik dan automatisch een rapport te zien krijg. De plagiaatscanner wordt vooral gebruikt als preventieve maatregel: plagiaat ontmoedigen door studenten het gevoel te geven van een grote pakkans. Dat neemt echter niet weg dat de scanner het prima doet, want hij pikt citaten en referenties, die uiteraard ook in andere bronnen voorkomen maar geen plagiaat zijn, er feilloos uit. Gelukkig heb ik tot nu toe nog niemand op echt plagiaat kunnen betrappen.

Wat preventieve maatregelen betreft, doet de universiteit van Bergen het ook niet slecht. Zij lanceerde (in 2010 al) onderstaand filmpje “Et Plagieringseventyr“: “Een plagiaatavontuur”, een kerstvertelling in de stijl van Dickens met Engelstalige ondertitels.

Vannacht zwengel ik de plagiaatscanner dus nog één keer aan. Laat ons hopen dat ik daarna niet wordt bezocht door de geesten uit bovenstaand filmpje.

Stereotypen over onderzoekers

Er zijn heel wat vooroordelen over studenten in het algemeen en over specifieke richtingen in het bijzonder. Deze stereotypen zijn het onderwerp van een nieuwe internetmeme: “Wat anderen denken dat ik doe versus wat ik echt doe“.

Voor mij zijn of waren er minstens zes voorbeelden van deze meme van toepassing:

(1) Wetenschapsstudent
Feit: Wetenschapsstudenten spenderen meer tijd aan hun bureau dan in het labo.

(2) Doctoraatsstudent in de fysica
Feit: Doctoraatsstudenten weten het ook vaak niet.

(3) Experimenteel fysicus
Feit: Experimentele fysici hebben veel geduld nodig.

(4) Student in de filosofie
Feit: Filosofiestudenten zitten niet altijd op café (maar wel vaak).

(5) Wiskundige
Feit: Veel wiskundigen kunnen niet goed tellen.

(6) Statisticus
Feit: Statistici vallen, gemiddeld genomen, wel te vertrouwen.

Mijn link met bovenstaande categorieën: eerst was ik een wetenschapsstudent (1), dan een doctoraatsstudent in de fysica (2) en zo werd ik een volleerd experimenteel fysicus (3); daarna werd ik een (doctoraats-)student in de filosofie (4) en sindsdien doe ik met geavanceerde wiskunde (5) onderzoek over kansrekening en statistiek (6).

Dankzij deze ongebruikelijke mix heb ik welsiwaar extra veel last van beroepsmisvorming (zie bijvoorbeeld hier en hier), maar anderzijds hoop ik me aan bovenstaande stereotypen te kunnen onttrekken.

Hier vind je een heel uitgebreide verzameling met andere voorbeelden. Zijn er voor jou voorbeelden van deze meme van toepassing? En zit er wel wat in of slaat het nergens op? (Behalve natuurlijk op een dood paardtoelichting.)

10 Tips voor nieuwe universiteitsstudenten

Samen studeren aan de UGent in de Therminal.In Gent is er altijd iets te beleven, maar als ik deze dagen uit mijn raam kijk, is er toch net iets meer beweging te zien dan anders. Het komt niet enkel door het prachtige nazomerweer: als ik naar het station wandel, is het drummen op de stoep. En het lijkt wel of er daar nog meer fietsen staan dan anders. (Ik zou daar toch mee beginnen opletten, hoor! Voor je het weet klapt die hele fietsenstalling in elkaar onder haar eigen massa en ontstaat er, poef, een zwart gat achter het station.) Ja hoor, het academiejaar is weer begonnen aan de universiteit van Gent.

Eén van de wiskundeblogs die ik graag lees is Division by Zero van de Amerikaanse professor David Richeson, die leuke vakken geeft zoals “Science or nonsense?“. In dit bericht geeft hij advies voor nieuwe studenten en dit vond ik zo’n goed idee dat ik hier mijn eigen versie ga geven: dingen die ik niet wist toen ik aan mijn opleiding begon, maar graag had willen weten.

1. De mensen die oefenzittingen en practica begeleiden, zijn je assistenten. Spreek hen aan met ‘meneer’ of ‘mevrouw’, of met hun voornaam als ze dat zelf aangeven. De meeste assistenten spenderen slechts een klein deel van hun tijd aan onderwijs; voor de rest doen ze aan onderzoek, waarover ze wetenschappelijke artikels schrijven en presentaties geven op conferenties. De meerderheid van de assistenten zijn doctoraatsstudenten: zij hebben een Master-diploma op zak, maar moeten nog bewijzen dat ze zelfstandig aan onderzoek kunnen doen. Na enkele jaren bundelen ze hun resultaten tot een scriptie, die ze openbaar voor een jury verdedigen. Zodra de verdediging succesvol hebben afgerond, mogen ze ‘dr.’ (doctor) voor hun naam zetten. Een minderheid van de assistenten is al gedoctoreerd; zij worden postdocs genoemd. Vraag op een rustig moment gerust eens aan je assistent naar zijn of haar onderzoek. Doorgaans zal dit een enthousiast verhaal opleveren en voor jou als student is het een interessante manier om insider informatie te krijgen over je toekomstige vakgebied.

2. De mensen die het hoorcollege geven, zijn (doorgaans) professor. Spreek hen aan met ‘professor’. Hoewel de meesten het je niet kwalijk nemen als je ‘meneer’ of ‘mevrouw’ zegt, is ‘professor’ zeggen wel een teken van respect: besef dat slechts een minderheid van de postdocs ooit professor wordt. Wees in elk geval vriendelijk, want proffen zijn ook mensen – en ze onthouden gezichten. ;-) Professoren doen niet enkel aan onderwijs en onderzoek, maar zijn ook groepsleider: ze sturen doctoraatsstudenten en postdocs aan in een bepaald onderzoeksdomein, ze schrijven nieuwe onderzoeksvoorstellen om financiering te voorzien en zitten meestal in diverse bestuursraden. Ook deze mensen kun je op een rustig moment (dus niet tijdens de les) eens vragen naar hun huidige onderzoeksgroep of op welk onderwerp ze zijn gedoctoreerd.

3. Ga naar de les en kom op tijd. Ja, er zijn vakken waarvoor je kunt slagen door enkel de gedrukte cursus te studeren, maar dit weet je niet op voorhand… Ga dus naar de les en maak notities: sommige professoren vragen bij voorkeur wat er niet in de gedrukte cursus staat. (Meestal laten ze dit duidelijk genoeg merken, dus je moet nu ook weer niet gaan vrezen dat ze een bijzin van een bijzin gaan vragen op het examen.) Als je door overmacht lessen heb gemist, vraag dan notities aan medestudenten. Val de prof of assistent hier niet mee lastig, tenzij je natuurlijk een onderdeel met verplichte aanwezigheid gemist hebt (zoals een practicum): stuur dan (indien mogelijk) een e-mail op de dag zelf en lever achteraf een ziekenbriefje in bij het secretariaat.

4. Lees je e-mails – ook die van je universiteitsadres – en check geregeld het online leerplatform (Blackboard, Minerva, of hoe het ook heet aan jouw instelling), maar niet tijdens de les. Zet het geluid van je gsm af tijdens de les en neem geen gsm mee naar een examen.

5. Als je een assistent of professor moet e-mailen, doe dit dan op een correcte manier, d.w.z. alsof het een brief is. Begin met “Beste Mijnheer/Mevrouw/Professor <Familienaam>,” en eindig met “Vriendelijke groeten, <Voornaam Familienaam>”. Je zet er ook best je richting, jaar en groepsnummer bij. Gebruik ouderwets Nederlands, in volledige zinnen zonder afkortingen, geen sms-taal. Besef dat in het beantwoorden van e-mails veel tijd kruipt: voor vragen over de leerstof kun je meestal ook tijdens of na de les terecht bij de prof, of tijdens de oefeningen bij een assistent. Ook hebben veel vakken tegenwoordig een online forum waar je ook vragen kunt stellen. Als je veel vragen hebt, kun je ook aan medestudenten vragen om het je uit te leggen, of om een afspraak vragen bij een assistent. Besef dat je op de universiteit zelf om hulp moet vragen indien je die nodig hebt! Besef ook dat de avond voor een examen te laat is om nog met vragen af te komen over de leerstof, dus begin op tijd.

6. Probeer niet bij een kliekje te horen. Anders gezegd: probeer bij zoveel mogelijk kliekjes te horen. Je studietijd is een prima kans om nieuwe mensen te leren kennen. Je kent vast nog enkele mensen van in de middelbare school: dat is leuk, maar klamp je niet te sterk vast aan oude bekenden. Je begeeft je nu onder zoveel mensen, probeer dus overal open te staan om nieuwe vrienden te maken: in de aula, onder kotgenoten, in de studentenvereniging, op de trein of in de bus, … Probeer mensen te vinden die een goed evenwicht houden tussen plezier maken en studeren. Als je op kot mensen vindt met wie je kunt afspreken ‘tot een bepaald uur studeren en dan nog even de stad in’, dan zit je gebeiteld. (Hint: als uitgaan eerst komt, komt er van studeren daarna ook niets meer.)

7. Drank is den duvel. Student-zijn wordt geassocieerd met veel drinken, maar om plezier te maken hoef je niet noodzakelijk (veel) te drinken. Als je toch een avond stevig wilt drinken, zorg dan dat je minstens evenveel water binnenkrijgt als bier. Je laveloos drinken tot je moet overgeven of naar huis gedragen moet worden is niet stoer. Let ook op welke foto’s van jezelf er online circuleren. Als je niet wilt dat je ouders, je prof, of je toekomstige werkgever bepaalde foto’s van een dronken feestje te zien krijgen, zorg dan dat die foto’s niet gemaakt worden en als ze toch gemaakt zijn, dat ze zeker niet op Facebook staan.

8. Als je dringend een taak moet voorbereiden, of voor een examen studeren, blijf dan van het internet. Kabeltje uittrekken of de draadloze netwerkadapter uitzetten: je zult verbaasd zijn hoeveel je in een uur gedaan kunt krijgen! :-) Misschien studeer je beter in de bibliotheek, of ergens anders tussen medestudenten? Ik studeerde altijd met de radio aan (Als je dit gewoon bent, heeft dit het voordeel dat je minder last hebt van ander achtergrondgeluid.), maar het komt erop aan te ontdekken wat voor jou het beste werkt.

9. Als een resultaat tegenvalt, vraag om je verbeterde verslag of examen te mogen inkijken. Als er iets niet duidelijk is, vraag om uitleg. Probeer hieruit te leren, niet om extra punten te krijgen. (Moest er toch een fout gebeurd zijn in het quoteren, zal de assistent of prof dit zelf wel inzien en rechtzetten.)

10. Neem ook wat tijd om de stad te verkennen (dus niet enkel de Overpoort), uit te gaan eten (mijn suggestie: probeer eens Thaïs), of aan sport te doen (voor mij was zwemmen de ultieme ontspanning). Geniet ervan!

Tot slot nog een persoonlijke oproep aan studenten en andere fietsers: niet spookfietsen in een stad waar er ook trams rijden. Een jaar geleden kwam ik, door voor een spookfietsende tegenligger uit te wijken, met mijn achterwiel in het tramspoor terecht. Gelukkig kwam er op dat moment geen tram aan, maar met het been dat onder mijn pedaal belandde, kan ik nog steeds het weer voorspellen… De spookfietsende studente stapte na mijn valpartij trouwens wel netjes af om te vragen of het ging, waarvoor dank. Vandaag kwam ik weer spookfietsers tegen. Aan hen dit advies: steek over of stap gewoon even af – als het maar voor een kort stukje is, kun je toch net zo goed te voet gaan? Mijn been dankt u. En het voorspelt nog een paar dagen héél mooi weer. :-)

Heb je zelf een gouden tip voor de verse lading studenten? Laat maar weten in de commentaren.