Tag Archief: taal

Taal van de wetenschap

Wereldwijd is het Engels de taal van de wetenschap. In de Middeleeuwen was dit nog het Latijn. Maar als het aan Simon Stevin had gelegen, had het Nederlands vandaag de dag net zo goed een wetenschapstaal kunnen zijn!

De wetenschappelijke revolutie kende hoogdagen bij het begin van de zeventiende eeuw, waarin onder andere Galileo door zijn telescoop keek en Newton de universele zwaartekracht ontdekte. Niet toevallig werden er in die periode ook heel wat nieuwe woorden aan de taal toegevoegd en nam het gebruik van Latijn als wetenschappelijke lingua franca af.

De Open University maakte een reeks over de geschiedenis van de Engelse taal in tien animatiefilmpjes van elk één minuut. Het vijfde filmpje, dat je hieronder kunt bekijken, gaat over wetenschappelijk Engels. (Als je van deze stijl houdt en meer wil weten over de geschiedenis van het Engels, bekijk dan alle episodes, of – nog gemakkelijker – kijk naar de compilatieversie van alle tien de hoofdstukken in één filmpje.)

In de zeventiende eeuw werden er ook heel wat wetenschapsgerelateerde woorden toegevoegd aan het Nederlands. De in Brugge geboren Simon Stevin vond dat het Nederlands een wetenschappelijke taal kon en moest zijn. Hij weigerde bijvoorbeeld om in het Latijn te doceren. Stevin benoemde zelfs hele wetenschapstakken: hij populariseerde het woord “wiskunde” (althans de toenmalige vorm: “wisconst“). Naar analogie daarmee spreken we in het Nederlands ook van “natuurkunde” en van “scheikunde” (destijds: “stofscheyding“). In tegenstelling tot de ons omringende talen, die veelvuldig bij elkaar gingen lenen, beschikt het Nederlands dankzij de invloed van Stevin dus over vrijwel unieke woordvormen voor deze begrippen.

Je parate kennis over Stevin kan je hier opfrissen en enkele details over zijn woordsmeederij vind je hier. (Als je zelf een betere webpagina kent met informatie over de woorden die door Stevin zijn ingevoerd, lees ik dat graag in de commentaren!)

Is wiskunde een taal?

Dit stukje is in licht gewijzigde vorm als een column verschenen in Eos.
(Jaargang 30, nummer 10, rubriek “Scherp gesteld”.)

De zoektocht naar de werkelijkheid achter de wereld.Het idee dat wiskunde een taal is, gaat terug op Galileo Galilei, die zei dat het boek van de natuur geschreven is in de taal van de wiskunde. In zijn werk “Il saggiatore” (“De proefnemer”) uit 1623 beschreef hij het universum als een boek dat permanent open voor onze ogen ligt, maar waarvan we eerst de gebruikte taal en haar symbolen moeten leren begrijpen. Hij verduidelijkte dat het boek geschreven is in de wiskundige taal en dat de symbolen in kwestie geometrische figuren zijn. Zonder begrip van deze taal dwalen we tevergeefs rond in een duister labyrint, aldus Galileo.

Wiskunde wordt dus de taal van de natuur genoemd. Maakt dat van wiskunde een natuurlijke taal? Nee, want er zijn geen mensengroepen – ook niet op een exotisch Wisland – die spontaan louter in formules met elkaar praten. Studenten fysica kunnen het getuigen: wiskunde leren vergt inspanning. Het zou misleidend zijn om te veronderstellen dat ze tijdens die studies een taalbad krijgen, waarna ze het universum kunnen lezen als een open boek.

In Nederland is “wiskundetaal ontwikkelen” een kerndoel in de lagere jaren van het middelbaar onderwijs. Is wiskunde dan een kunstmatige taal, zoals Esperanto? Welnee, want met wiskunde kun je niet eens hallo zeggen of vloeken – toch de eerste dingen die je leert in een nieuwe taal.

Wiskunde wordt niet alleen een taal genoemd, maar een uiterst precieze en elegante taal. Is wiskunde misschien een formele taal? Toch niet, het is precies andersom: wiskunde en logica kun je gebruiken om formele talen te beschrijven; wiskunde zelf kun je echter niet bedrijven zonder gebruik te maken van een gewone taal, zoals het Nederlands. Sla er gerust een wiskundeboek op na: er staan weliswaar veel formules in, maar die worden met elkaar verbonden door zinnen in het Nederlands, Engels, of Russisch, of in welke taal het boek ook is opgesteld.

Meetkundig bewijs met Chinese tekens.Een Chinese wiskundeprofessor zal in een Nederlandstalig handboek over zijn of haar vakgebied de belangrijkste stellingen vast herkennen, louter aan de gebruikte symbolen, maar een Vlaamse wiskundestudent heeft niets aan een Chinees handboek, omdat hij of zij de uitleg tussen de formules weldegelijk nodig heeft om het vak te leren. De zinnen tussen de formules zijn meer dan bindtekst, want ook binnen bewijzen staan er belangrijke toelichtingen.

Sommige stellingen worden met behulp van computers bewezen (waarbij de term ‘formele taal’ nu wel van toepassing is). Een voorbeeld is de vierkleurenstelling, die zegt dat je slechts vier kleurpotloden nodig hebt om eender welke landkaart zo in te vullen dat aangrenzende landen een verschillende kleur hebben. Een computerbewijs lijkt een woordenloze aaneenschakeling van symbolen. Toch vergt het heel wat ondersteuning door woorden: hoe werkt het algoritme en wat betekenen de symbolen? Zonder deze toelichting is het bewijs in feite onvolledig.

Kortom, wiskunde is volgens mij geen taal. Het is veeleer een toevoeging bij onze natuurlijke taal, net zoals een arts anatomische termen leert. In het geval van medisch Latijn is het duidelijk dat het geen op zichzelf staande taal is, maar slechts een uitbreiding ervan.

Ambiguïteit: wat gebeurt in Vaagheid blijft in Vaagheid.Natuurlijke talen zijn notoir ambigu: hetzelfde woord kan meerdere betekenissen hebben. Neem het woord ‘monster’: in een sprookjesboek verwijst het naar een draak of hellehond, maar in het laboratorium verwijst het naar een specimen. Voor de triviafans is het leuk om te weten dat beide betekenissen aan elkaar verwant zijn: beide gaan terug op ‘monstrare’, het Latijn voor (aan-)tonen. Terwijl het wetenschappelijke monster gebruikt wordt om moeizaam één of andere eigenschap aan te tonen, toont het sprookjesmonster zijn kwaadaardige natuur meteen, want in sprookjes geldt: ‘lelijk = slecht’.

Het voordeel van een vaktaal is dat de context meteen duidelijk is, maar het nadeel is dat de betekenis voor niet-ingewijden niet meer transparant is. Dat is hoe ik wiskunde zie: een uitbouw aan onze taal, die troebel lijkt van buitenaf, maar die helder wordt als een kristallen paleis zodra je er naar binnen durft. Een sprookje dat maar één wet volgt, namelijk: ‘mooi = goed’.

~

Aanvulling (januari 2016):

Zo kan je vloeken in wiskunde! :-)

Is eentje ooit geentje?*

Calimero.Eentje is geentje, zeggen ze. En toch maken veel kleintjes één groot.

Eén korreltje van een grote hoop zand is verwaarloosbaar. En toch bestaat die grote hoop uit niets anders dan zulke kleine korreltjes. (Filosofen herkennen hierin de paradox van de hoop, of de soritesparadox).

Infinitesimalen zijn oneindig klein. En toch zijn het net groepsdieren: samen sterk.

Eerste voorbeeld: de zwerfvuilparadox. Vorige maand startte in Vlaanderen een nieuwe campagne tegen zwerfvuil (hier aangekondigd). Wellicht heb je de affiches langs de weg toen gezien, of een reclamespotje gehoord.

Een citaat van de website:

Inderdaad, iedereen denkt wel eens “ach, wat is nu 1 kauwgom of 1 blikje?” Maar al die kleintjes zorgen er samen wel voor dat onze straten, parken en bermen vuil ogen. Door hier niet aan deel te nemen, kunt u het verschil maken.

2 miljoen achtergelaten blikjes.

De zwerfvuilcampagne laat het verhaal van twee kanten zien. Enerzijds is er de redenering van het individu dat één blikje de zaak niet kan maken en anderzijds is er de collectieve impact van deze houding: twee miljoen blikjes is een groot verlies aan recycleerbare grondstoffen.

Ik vind dat de campagne klopt, maar betwijfel of ze ook werkt. Iemand die iets langs de weg gooit, krijgt nog steeds niet het gevoel dat die ene kauwgom of dat ene peukje het probleem is: in onze beleving zijn het die mensen die al die andere troep achterlaten… Om Calimero te parafraseren: “Zij zijn met veel en ik is alleen en dat is niet eerlijk!”

Je zou kunnen zeggen dat we de splinter in andermans oog wel zien, maar niet de balk in het eigen. Maar ik vind het toepasselijker om op te merken dat die balk ook maar uit splinters bestaat, waardoor we de bomen in het bos niet meer zien. Of snijdt dat geen hout? Enfin, genoeg gezaagd, terug naar ons zwerfvuil.

De onderliggende paradox zit ook in ons taalgebruik ingebakken: net zoals we één zandkorreltje geen hoop noemen, noemen we één blikje geen zwerfvuil. Dit houdt de “eentje is geentje”-illusie in stand.

Misschien is het belangrijkste doel van dergelijke campagnes om mensen aan het denken te zetten en dat is alleszins gelukt: bij mij wekte de campagne een acute aanval van beroepsmisvorming op en daarvan is deze blogpost het (vertraagde) gevolg: een lijstje met soortgelijke redeneringen. (Laat zeker een reactie achter als je nog een voorbeeld weet!)

Tweede voorbeeld: de paradox van het stemhokje. “Mijn stem maakt toch het verschil niet” denken veel mensen en toch maken ze (samen) een groot verschil!

Derde voorbeeld: een reclamespot waarin vermeld wordt dat iets maar één euro kost, met daarbij de uitspraak “dat is bijna géén euro”. Als al hun potentiële klanten inderdaad zo denken, zijn ze binnenkort rijk.

Vierde voorbeeld: de loterijparadox (van Kyburg), waarover ik eerder al schreef. Kansen zijn soms net zandkorrels: ze hopen zich op. Als je één lotje hebt in een grote loterij waarin precies één lotje als winnaar wordt getrokken, kun je denken “ach, mijn lotje gaat toch niet winnen”. Iedereen kan zo denken en toch komt er (in dit scenario) met zekerheid een winnaar uit de bus.

* Antwoord op de vraag in de titel van dit blogbericht: nee.

Stelling: De redenering dat eentje geentje is, houdt geen steek (tenzij je zeker bent dat het er écht maar eentje is, maar dat ben je nooit).

Aanvulling (19 augustus 2013):

Deze PhD-comic is ook toepasselijk.

Muzikale opvoeding

Raymond van het Groenewoud.Sinds mijn zoontje geboren is, heb ik al meer gezongen dan in het hele jaar daarvoor. Hij wordt daar rustig van. Eindelijk iemand die mijn muzikaliteit naar waarde schat! :-) (Hopelijk heb ik zijn muzikaal gevoel nog niet te erg verbrod.)

In het begin hield ik het bij het neuriën van kinderliedjes, maar we experimenteren ook met andere soorten muziek. Vóór zijn geboorte ging hij enthousiast trappelen bij het horen van oude klassiekers van Raymond van het Groenewoud. Daar kwamen we achter toen de studenten die onder ons wonen ’s avonds hun muziek wat harder hadden gezet. We waren dus benieuwd hoe hij nu, ná zijn geboorte, op “Meisjes” zou reageren. Ik kan u melden: het was een succes. Hij stopte ogenblikkelijk met huilen. Mijn gok is dat hij vooral het ritme apprecieert. Dus nu zing ik ook liedjes van Raymond om de baby te troosten: “Meisjes“, “Liefde voor muziek“, “Cha cha cha” en als hij al rustig is soms ook “Twee meisjes op het strand” (maar dat laatste nooit vlak voor het slapengaan, want daarvoor heeft dat liedje een te duistere onderstroom).

Tussendoor zing ik ook Engelstalige liedjes, zoals “Puff, the magic dragon“, maar aangezien we overdag meestal de radio op hebben staan, hoort hij al meer dan genoeg Engels. Dus als iemand nog een goede tip heeft voor een vrolijk Nederlandstalig nummer met een leuk ritme, dan hoor ik het graag!

Verder probeer ik mijn repertoire aan traditionele wiegeliedjes uit te breiden. Maar, hoe vreemd zijn toch die oude kinderliedjes!* Waarom leren we die nog steeds aan kinderen? Misschien zijn de melodieën bijzonder eenvoudig en daarom zeer waardevol, maar daar toch een hedendaagse tekst op gemaakt worden? Wat doen die leerkrachten op al die pedagogische studiedagen?!

“Ozewiezewoze, wiezewalla kristalla.”

  • Waar slaat het op?

“Boer, wat zeg je van mijn kippen?”

  • Het is een boer, die heeft vast ook kippen op zijn erf, dus wat verwacht je dat hij zegt?!

“Marijke, Marijke, wat je kost er je groene thee?”

  • Dan antwoordt dat wicht (“Ik heb er van zes, van acht, van tien, van twaalf kan ik je laten zien.”), maar dan wordt opnieuw gevraagd: “Marijke, Marijke, wat je kost er je groene thee?” Dat is toch niet beleefd?! Oké, ze had er misschien de munteenheid bij moeten vermelden, maar vraag dat dan, idioot.

“Daar was laatst een meisje loos” en “Het loze vissertje”.

  • Tja, het lijkt me duidelijk dat er iets aan de hand is tussen die twee.

“Mieke, hou je vast aan de takken van de bomen. Mieke, hou je vast aan de takken van de mast.”

  • Eerst hangt Mieke in een boom, dan is ze plots op een schip. Of groeit er een boom op dat schip? Of vaart het schip door een kanaal en hangt Mieke in een boom naast het kanaal? En wat hangt Mieke daar te doen? Is zij net als dat andere meisje loos? Wazige situatie. Ik stel voor om in het vervolg eerst meer zicht te krijgen op een situatie en er dan pas een liedje over te schrijven.

*: Tijdens het schrijven van dit stukje moest ik zowel aan Toon Hermans denken (zijn klacht over sinterklaasliedjes) als aan Annie M. G. Schmidt (haar stuk over de sprookjes van Grimm).

Midzomervertellingen

Gisteren vond in het Citadelpark de zesde editie van Midzomervertellingen plaats.

Wij gingen vorig jaar al luisteren naar het avondprogramma. We nestelden ons toen op de kunstrotsen rond het voormalige van Bastion 5, onder de honingboom. Daar waanden we ons in een ver verleden zonder televisie, waarin mensen elkaar straffe verhalen vertellen om de lange zomeravonden aangenaam door te brengen. Er hoorden ook een wijntje of fruitsap van Oxfam bij, een kaasje en wat olijven. (Wonderlijk genereus voor een gratis evenement!) Ik herinner me een jaar later nog steeds het prachtige verhaal over de zoon van een herder die elders zijn geluk zocht en de mythische vertelling over waar kinderen vandaan komen.

Midzomervertellingen in het Citadelpark, editie 2011.

Midzomervertellingen in het Citadelpark, editie 2011

Dit jaar waren we weer van de partij, deze keer aan de voet van de rotspartij. Er waren nu ook tenten voorzien, wat geen overbodige luxe bleek vanwege de regen tijdens het namiddagprogramma. ’s Avonds klaarde het echter op en zo konden we in openlucht – onder het dak zonder pannen – luisteren naar de Grimm-sprookjes voor volwassenen. Het gras was natuurlijk nog nat, maar iedereen kon droog zitten op het plastic zeil, op de roze picknickbanken, of op zelf meegebrachte klapstoeltjes. Er waren ook weer drankjes en hapjes voorzien. Ideale omstandigheden dus om te luisteren naar drie vertellers – Frank Degruyter, Hilde Rogge en Don Fabulist -, die elk twee verhalen brachten.

Voor de pauze hoorden we over Griet en Hansje (in een soort Neder-Duits), over de ongelukkige zoon van de koning en over enkele xenotransplantaties… Na de pauze luisterden we naar het verhaal van de gans van Hans (een soort zwaan-kleef-aan met extra tongbrekers voor West-Vlamingen), Blauwkapje en de vegetarische wolf, het sprookje van de drie wensen en het lied van de gehangene in het Bargoens. Als afsluiter kregen we van Frank nog een levendige vertolking van Roodkapje in de versie van Roald Dahl, intussen zelf een terechte klassieker.

Midzomervertellingen in het Citadelpark, editie 2012.

Midzomervertellingen in het Citadelpark, editie 2012

Het was een zeer mooie avond en we hopen dan ook dat de Midzomervertellingen nog vele zomers mogen doorgaan.

P.S.: Vandaag voegde ik ook foto’s toe bij twee eerdere blogberichten (van de lezing in Amsterdam en het interview in Hilversum).

Er zit een liedje in mijn hoofd

Het was een zomers liedje.Ineens zat er een liedje in mijn hoofd. Het was een zomers liedje. Dat liedje was de Lambada (ja, van eind de jaren tachtig) en ik begon het te zingen. Ik heb geen gevoel voor ritme, kan geen toon houden en ken geen Portugees. Kortom, het klonk prachtig. ;-)

Gelukkig is er YouTube om het origineel van Kaoma nog eens te beluisteren en is ook de tekst eenvoudig op internet te vinden. Intussen ken ik het eerste couplet uit mijn hoofd. Sterker nog: mensen voor wie ik het heb gezongen, hebben de Lambada erin herkend. (Meestal zijn de reacties eerder: “En als je het nu eens probeert te zíngen?” en dan “Nee, dat lijkt er niet op. Echt niet.” waarbij er enige wanhoop doorklinkt in de stem.)

Ook leuk om te weten: het is eigenlijk een heel melancholische tekst. Neem nu het laatste couplet:

Chorando estará ao lembrar de um amor

Que um dia não soube cuidar

Canção, riso e dor, melodia de amor

Um momento que fica no ar

Zoals ik al zei, ken ik geen Portugees, maar dit is mijn Nederlandse vertaling van een Engelse versie:

Hij zal huilen als hij zich een liefde herinnert,

die hij niet wist te koesteren.

Een lied, gelach en pijn, een melodie van liefde,

een moment dat nooit meer terugkomt.

En jij, heb jij ook wel eens een liedje in je hoofd? En is dat dan ook zo’n zomers muziekje?

Kunst met kleuren die niet bestaan

Een lichtrode panter is hetzelfde als een min groene luipaard.Roze” is een synoniem voor lichtrood. Het feit dat we daar een speciaal woord voor hebben, suggereert dat lichtrood zelf iets bijzonders zou zijn. Pakweg lichtblauw en lichtgroen krijgen geen speciale naam, dus lichtrood is naast zijn schoenen gaan lopen.

Roze is niet alleen snobistisch, maar ook een ambigu begrip. Het wordt voor flets rood gebruikt, maar ook om een verzadigde kleur aan te duiden, namelijk magenta (fuchsia voor de vrienden). Minute Physics brengt korte YouTube-filmpjes over fysica – een beetje zoals ViHart doet over wiskunde. In één van hun filmpjes leggen ze uit dat roze (in de betekenis van magenta) niet voorkomt in de regenboog. In deze context kun je roze net zo goed “min groen” noemen, omdat het wit licht is waaruit het groen is weggefilterd.

Ze zeggen in het filmpje niet dat roze niet bestaat (al staat dit wel in de beschrijving onder het filmpje), enkel dat het geen spectrale kleur is. Er zijn nog een heleboel andere “extraspectrale kleuren” zoals bruin en mauve. Toch maken sommige bloggers zich al een beetje zorgen dat roze niet echt bestaat en vinden anderen het nodig om te argumenteren dat roze wél een echte kleur is.

Net als “roze” is ook “kleur” een woord met meerdere betekenissen. In feite wordt hier het misverstand tussen Newton en Goethe, die elk hun eigen kleurenleer hadden, nog een dunnetjes overgedaan. Kleur wordt in de fysica gebruikt om specifieke golflengten aan te duiden (Newtons optica), maar kleur wordt ook gebruikt om een aspect van de menselijke waarneming te vatten (Goethes kleurenleer). In dat tweede geval gaat het zelden om één specifieke golflengte, tenzij je een regenboog ziet, of als je in een laser kijkt – wat sowieso geen goed idee is! Er is wel een link tussen fysische spectra enerzijds en menselijke kleurwaarneming anderzijds, maar dit verband is alles behalve eenvoudig uit te leggen. (Al wil ik dat in een volgend stukje wel graag eens proberen.)

Met deze bril lukt het vast om imaginaire kleuren te zien. Als je toch eens een kleur wilt zien die echt niet bestaat  (en dat zonder hallucinoge middelen), dan heb ik drie methodes voor je.

Ten eerste kun je dit proberen: zeer lang naar een vlak van verzadigd groen kijken en dan naar een rood voorwerp kijken. De groengevoelige kegeltjes zijn door het intense groen tijdelijk verblind en hierdoor zou je een tint rood ervaren, die intenser is dan spectraal rood.

Ten tweede kun je een minuut naar de bovenste helft van het prentje bij deze link staren en daarna naar de onderste helft, voor een soortgelijk effect.

Ten derde kun je ook naar het museum gaan. Dit soort waarnemingsexperimenten zijn immers een bron van inspiratie voor kunstenaars, zeker voor makers van minal art. Mijn eerste bewuste kennismaking met minal art was toen ik samen met Machteld naar een tentoonstelling ging in Duitsland. Er lagen enkele stenen op wat zand, er stonden woorden op de muur in meerdere talen, er waren grote en kleine oranje kubussen met een glad oppervlak en er was een grote spiraal waar je in mocht wandelen: smalle gangen van hoge witte muren zijn altijd goed voor een beetje zintuiglijke deprivatie. Er waren ook instructies om gekleurde lijntjes op de muur te zetten, waardoor de illusie ontstond van andere kleuren, al is dat laatste weinig vernieuwend voor een publiek dat vertrouwd is met de rasterdruk van kranten. Het leukste vond ik een installatie (mogelijk was het de Green Light Corridor van Bruce Nauman) waarbij je traag door een smalle gang moest wandelen die helgroen verlicht was. Als je uit de gang kwam en om je heen keek, leek bijna alles roze – al lijkt “min groen” hier echt de perfecte omschrijving. Helaas heb ik toen niet geprobeerd om specifiek naar een helrood voorwerp te kijken, dus die kans om imaginair rood te zien heb ik aan me voorbij laten gaan.

Dit viooltje is paars, de kleur van tovenaars.Nog een leuk weetje van het Engelstalige Wikipedia-artikel over paars: “Like orange and silver, purple has no true word that rhymes with it.” In het Nederlands hebben we wel voor de hand liggende rijmwoorden op ‘paars’ (maar daarmee ga ik deze post niet afsluiten). Trouwens, ‘mauve’ rijmt op ‘filosoof’. :-)

 

Als slot lijkt deze stelling me wel toepasselijk:

“Over kleur valt weldegelijk te twisten.”

Waar komt het woord ‘fiets’ vandaan?

Halverwege het paard-fiets continuüm kom je vreemde dingen tegen.Soms kan wetenschap een antwoord geven op iets dat je je al lang afvroeg (zoals in mijn vorige bericht). Dan reageer je met: aha! Soms ontdekt een wetenschapper iets dat je je zelfs nog nooit had afgevraagd, maar dat toch leuk is om te weten: wel wel, aha! Dat verhaal deel je dan thuis bij het avondeten, of (als je niet thuis bent zoals ik op dit moment) schrijf je er een stukje over op je blog.

Ik had me eerlijk gezegd nog nooit afgevraagd waar ons woord ‘fiets’ vandaag komt. Het lijkt zo’n gewoon woord: één lettergreep, geen vreemde klanken of tekens. Voor zo ver ik weet, heet een fiets alleen ‘fiets’ in het Nederlands (en in het Afrikaans). In Duitsland noemen ze een fiets ‘Fahrrad‘ of schertsend ‘Drahtesel‘, in Frankrijk ‘vélo‘ of ‘bicyclette‘, in Engeland is het ‘bicycle‘ of kortweg ‘bike‘ en in het Deens  ‘cykel‘ (maar dat spreken ze vast heel anders uit dan je zou verwachten). Dus ja, waar zou het woord ‘fiets’ anders vandaan komen dan uit Vlaanderen of Nederland?!

Toch blijkt de herkomst van dit woord de gemoederen van etymologen al jaren te beroeren. Allemaal hebben ze er wel een theorie over. De ene zegt dat het uit het Limburgs komt, waar ‘vietse‘ hard lopen zou betekenen (nooit gehoord trouwens), de andere beweert dat het een verbastering is van het Franse ‘vélocipède‘. Voor details van deze en nog andere hypothesen kun je bij de etymologiebank terecht. Daar blijkt ook dat het woord fiets voor het eerst werd waargenomen in een kostschool in Apeldoorn rond 1870, terwijl de discussie over de herkomst van het woord niet veel later begon. Gisteren maakte de Universiteit Gent bekend dat twee van haar taalonderzoekers eindelijk ontdekt zouden hebben waar het woord ‘fiets’ echt vandaan komt.

Volgens het persbericht van de UGent vernam professor Gunnar de Boel van Duitse vrienden dat appelwijn in sommige delen van Duitsland ‘Viez‘ (uitgesproken als ‘fiets’) wordt genoemd, een verkorte vorm van ‘vice-vinum‘, waarmee ze erzats- of vervang-wijn bedoelen. Zo ontstond de hypothese dat ons woord ‘fiets’ ook ontstaan is uit het Duitse voorvoegsel ‘vice-‘ in de betekenis van erzats-, maar dan in combinatie met paard. Zoals wij ook schertsend spreken van een stalen ros, zouden Duitser destijds ‘vice-Pferd‘ hebben gezegd tegen de fiets: een grappige variant van ‘Veloziped‘.

Terwijl er voor fiets in heel wat Vlaamse dialecten wordt teruggegrepen naar het Franse ‘vélo‘, heet het in het Limburgs ‘fits‘. Heel wat dialecten zijn continu over de landsgrenzen heen en ook in de naburige deelstaat Noordrijn-Westfalen blijken ze nog steeds ‘Fitz‘ of ‘Fietse‘ te zeggen tegen de fiets, hoewel de rest van Duitsland ‘Fahrrad‘ gebruikt. Dit zijn mogelijk hints dat de oorsprong van het woord inderdaad in het oosten ligt. Een goede reden dus voor taalkundigen om in het vervolg extra goed op te letten in de Limburgse les. ;-)

Halverwege het paard-fiets continuüm kom je vreemde dingen tegen.
De nieuwe hypothese over de herkomst van ‘fiets’ lijkt me aannemelijk omdat er nog talrijke andere linken te vinden zijn tussen het paard en de fiets: net als bij een paard, spreken we ook bij een fiets van een zadel. Een voorloper van de fiets werd ook wel ‘hobby horse‘ of ‘dandy horse‘ genoemd: dit Amerikaanse hobby horse lijkt nog het meest op een fiets met een paardenzadel.

Professor Gunnar de Boel werkte zijn hypothese verder uit en publiceerde de vondst samen met professor Luc de Grauwe. Ook op Wikipedia is het onderdeel over de etymologie van ‘fiets’ al aangepast. Mooi, zo kunnen er binnenkort nog veel meer mensen zeggen: wel wel, aha!

Een woordenboek vol dobbelstenen

In het woordenboek vertellen gewone woorden hun bijzondere geschiedenis. Ondanks mijn recente bericht dat het tegendeel doet vermoeden, had ik helemaal niet in wereld willen wonen waar geen woorden bestaan. Woorden zijn namelijk veel te leuk: je kunt er niet alleen blogs mee vol schrijven, het zijn ook tijdscapsules die elk hun eigen geschiedenis hebben. Neem nu onze woorden die te maken hebben met kansen, toeval en willekeur. Zij zijn van verschillende hoeken van de aarde samengezwermd in ons woordenboek en belichten samen diverse aspecten van het begrip waarschijnlijkheid.

Het woord ‘lot’ gebruiken we in twee betekenissen: het noodlot en een lootje uit de loterij. Deze termen blijken etymologisch uit tegengestelde windstreken afkomstig. Geloof in het noodlot komt uit Zuid-Europa: in de Griekse en Romeinse cultuur stonden zelfs de goden niet boven deze macht. Het lot als loterijbiljet komt uit Noord-Europa: van het Oudnoorse woord ‘hlutr‘.

Met deze dobbelsteen kun je hoge ogen gooien. (Bron: http://create.boomerang.nl/profiel/jor-id/werk/hoge-ogen-gooien)Dat kansen van oudsher verbonden zijn met dobbelstenen zal geen verbazing wekken: dobbelen behoort tot de oudste kansspelen. In de taal heeft deze diepe verwantschap sporen nagelaten. Om te beginnen hebben we de uitdrukking “hoge ogen gooien” voor iemand die goed voor de dag komt en een goede kans maakt. Het Latijn voor dobbelsteen is ‘alea‘, bekend van de uitdrukking “alea iacta est“: de teerling is geworpen. Dit verklaard ook de betekenis van ‘aleatorisch‘, weliswaar een weinig gebruikt woord in het Nederlands, voor iets dat toevalselementen bevat. Kans verwees oorspronkelijk naar een gelukkige worp bij het dobbelen en komt van het Picarische ‘cance’, wat dan weer afkomstig is van het Latijn voor vallen (van dobbelstenen): ‘cadere’. Ook toeval bevat een link met vallen (hoe de omstandigheden uitvallen), net als ‘coïncidentie’ dat afkomstig is van het Latijn voor samenvallen, ‘coincidentia‘. (Of dit toe- en samenvallen zelf ook weer verwijst naar het vallen van dobbelstenen heb ik niet kunnen achterhalen.)

Er staan ook leuke citaten bij het woord ‘toeval’:

“Het woord toeval bestaat alleen omdat onze hersens te klein zijn om alle samenhangen te begrijpen.” (D. Hillenius)

en

“Je noemt iets ‘toevallig’, niet omdat het onwaarschijnlijk is dat ’t gebeurt, maar omdat je het niet verwacht.” (G. Krol)

‘Waarschijnlijkheid’ heeft dan weer niets te maken met het vallen van de dobbelstenen, maar met hoe geloofwaardig ons iets toeschijnt. In andere talen vinden we gelijkaardige samenstelling van waar/echt en schijnen/lijken: ‘vraisemblable‘ in het Frans, ‘veri similis‘ in het Latijn; in het Engels is er ook nog het woord ‘likely‘ voor waarschijnlijk. Verwant hieraan is ook de term ‘probabiliteit’, die overgenomen is van het Franse ‘probabilité‘ (wat in het Engels natuurlijk ‘probability‘ werd). Het Franse woord gaat terug op het Latijn ‘probabilitas‘ voor waarschijnlijkheid, dat zelf is afgeleid van het werkwoord voor testen of goedkeuren ‘probare‘ en het adjectief voor wat bewezen kan worden ‘probabilis‘.

Hoewel we ‘kans’ en ‘waarschijnlijkheid’ in de wiskunde als synoniemen kunnen gebruiken, hebben deze woorden toch een erg verschillende oorsprong. Ze geven een andere dimensie weer van hetzelfde begrip: de kans- of waarschijnlijkheidsrekening is ontstaan uit vragen over kansspelen en uit vragen rond de waarde van bewijsmateriaal en getuigenissen (bijvoorbeeld in de rechtzaal).

Er zijn nog mooie contrasten te vinden in de oorsprong van woorden die met kansrekening te maken hebben. Zo gaat het woord ‘stochastisch’ terug op het Grieks voor mikken op een bepaalde richting, terwijl ‘random’ gerelateerd is aan het Oudfranse ‘randir‘ voor snel lopen of galopperen, waarvan het afgeleide ‘randon‘ gebrek aan richting aanduidt.

Bronvermelding: voor dit bericht raadpleegde ik de online edities van de Dikke Van Dale en de Oxford English Dictionary.

De terugkeer

Hebben jouw tranen evenveel betekenis als de pit van een vrucht?Poëzie wordt meestal geassocieerd met een wat ouder publiek, maar er zijn minderjarigen die elke week een gedicht uit het hoofd leren – niet eens als straf, maar als hobby. Je kunt ze gemakkelijk herkennen: het zijn diegenen die tussen de koffers met violen en dwarsfluiten zonder instrument de muziekschool in weten te glippen. Terwijl de muziekleerlingen noten leren lezen, proberen zij het fonetisch schrift onder de knie te krijgen. In plaats van met toonladders beginnen ze de les met opwarmingsoefeningen voor stem en gezichtsspieren: gekke bekken trekken voor gevorderden.

In 1998 deed ik eindexamen voordracht samen met Hanne, Koen en Marijke. Hanne bracht onder andere “De terugkeer” – een mysterieuze tekst die we niet zo goed begrepen, maar die me tot op heden is bijgebleven. Zo herinner ik me de volgende raadselachtige frasen: “ik had in een wereld willen wonen waar geen woorden bestaan”, “avondgloed”, “de pit van een vrucht” en “wereldschemer”.

Ik zocht en vond een kopietje van het gedicht terug. Hier is de volledige tekst:

De terugkeer

Ik had eigenlijk geen woorden moeten leren.
Ik had in een wereld willen wonen
waar geen woorden bestaan,
waar betekenis geen betekenis heeft.

Dat jij gewroken werd door mooie woorden
heeft niets met mij te maken;
dat jij in stille betekenissen bloed vergoot
heeft evenmin met mij van doen.

Tranen in jouw ogen,
pijn afkomstig van jouw zwijgende tong:
als er geen woorden hadden bestaan in deze wereld,
had ik er alleen maar naar hoeven te kijken
en dan weer weggaan.

Hebben jouw tranen evenveel betekenis
als de pit van een vrucht?
Zit in een druppel van jouw bloed
de avondgloed der wereldschemer, alsof het trilt?

Ik had geen woorden moeten leren kennen.
Maar omdat ik Japans en wat vreemde talen
heb geleerd,
sta ik stil in jouw tranen,
keer ik terug in jouw bloed –
alleen in mijzelf.

Een auteur of andere bronvermelding stond er niet bij op de kopie, enkel dit: “Vertaling Noriko en Pim de Vroomen”. Op internet vond ik de Nederlandse versie van de tekst niet terug, maar wel een verwijzing naar de bundel “Oktober is mijn keizerrijk, Zeven moderne Japanse dichters” van Noriko en Pim de Vroomen. Door verder te zoeken naar het werk van die zeven auteurs in het Engels, heb ik uiteindelijk kunnen achterhalen dat “De terugkeer” een gedicht is van Tamura Ryuuichi. Op deze pagina vind je de oorspronkelijke Japanse tekst en een Engelse vertaling van Takako Lento uit 2007; een eerdere vertaling van Samuel Grolmes en Tsumura Yumiko uit 2000 vind je hier.

Tamura Ryuuichi was toonaangevend in de moderne poëzie in het Japan van na de Tweede Wereldoorlog, zo blijkt (bronnen: 1, 2 en 3). Bovenstaand gedicht stond in zijn eerste bundel uit 1956: “De vierduizend dagen en nachten”. De publicatie van zijn tweede bundel in 1962, “Kotoba no nai sekai” (“De wereld zonder woorden”), bevestigde hem als één van de grote dichters uit die tijd. Tamura Ryuuichi stierf in de zomer van 1998 – kort nadat zijn tekst nog had weerklonken op het eindexamen voordracht van vier Belgische (bijna-)achttienjarigen.

Zit in een druppel van jouw bloed de avondgloed der wereldschemer, alsof het trilt?Ook nu ik veertien jaar later terugkeer naar die oude map en de teksten herlees, begrijp ik dit gedicht niet helemaal, maar dat geeft niet. De dichtregels spreken me nog steeds aan en vullen mijn hoofd met beelden en kleuren. Als ik één kleur aan het gedicht moet koppelen, is het beslist het oranje-rood van bloedappelsienen en granaatappels. Hoewel het een vertaling is, blijft de tekst haar vreemde karakter behouden. Zo klinkt “omdat ik Japans en wat vreemde talen heb geleerd” erg apart in de oren van een Nederlandstalige (nonchalant, alsof Japans niet al een érg vreemde taal is). Het blijft moeilijk de beeldspraak te doorgronden, al houdt een lezing in termen van bloedvergieten in de oorlog zeker steek. Verder jeuken mijn handen om in de regel “waar betekenis geen betekenis heeft” aanhalingstekens te zetten rond het tweede woord. Dat komt omdat ik teveel filosofen heb gelezen die onderscheid maken tussen het woord en de betekenis ervan, maar dat zou deze dichtregel de das omdoen.

Juist doordat de betekenis achter de woorden voor ons niet meteen duidelijk is, kan deze leeservaring ons een glimp laten zien van de wereld zonder woorden. Een wereld die we ons onmogelijk kunnen voorstellen, maar waar we toch nieuwsgierig naar zijn.

Ook wetenschappers en filosofen vragen zich af op welke manier woorden beïnvloeden hoe we de wereld zien. Uit onderzoek blijkt dat mensen die een verschillende taal spreken, de wereld anders zien. Dat mag je letterlijk nemen: afhankelijk van de kleurtermen in zijn taal, kan iemand bepaalde tinten beter of slechter van elkaar onderscheiden. De oude Sapir-Whorfhypothese over taalkundige relativiteit van ervaringen, lijkt hiermee bevestigd voor het specifieke aspect van kleuren. In heel wat talen is er bijvoorbeeld slechts één woord voor blauw en groen. Talen evolueren van een beperkt aantal kleurtermen (donker/koel versus helder/warm), naar een uitgebreider palet meer specifieke woorden voor kleuren (ook in onze taal zijn paars, oranje en roze zijn relatief jonge woorden). Mensen van de Himba in Noord-Namibië delen kleuren in minder categorieën op dan wij. Sommige kleuren die voor ons overduidelijk verschillen, kunnen zij niet van elkaar onderscheiden. Het omgekeerde geldt ook: sommige tinten die voor ons hetzelfde lijken, vallen voor hen in een andere kleurencategorie en zien ze daardoor juist wel probleemloos als verschillend. Om dit te testen, maken onderzoekers gebruik van een bestaande reactietijdtest.

Hieronder een fragment over de Himba en hun kleurperceptie uit een reportage van het BBC-programma Horizon (uit 2011):

Tot slot een kijktip: vanavond om 20u55 op Nederland 2 gaat het in Labyrint over hoe taal onze zintuiglijke waarneming beïnvloedt.  Misschien roept het gedicht ‘De terugkeer’ andere kleurassociaties op bij mensen die het kunnen lezen in het oorspronkelijke Japans; misschien zouden we veel meer zien als we juist helemaal geen taal hadden verworven. Wie weet komen we ook dat vanavond aan de weet.

PS: Morgen is het Gedichtendag.