Tag Archief: universiteit

Opgebrande wetenschap

Op 25 maart nam ik deel aan een debatavond over wetenschappelijke integriteit “De wetenschap(per) liegt niet” op de KU Leuven campus in Heverlee. Kort daarna besloot ik een Eos-column te schrijven over het verband tussen wetenschapsfinanciering en slodderwetenschap.

Dit stukje is in licht gewijzigde vorm als column verschenen in Eos.
(Jaargang 32, nummer 5.)

Brand bibliotheek Alexandrië.De grote brand in de bibliotheek van Alexandrië behoort tot ons mythische geheugen. We kunnen speculeren over welke schatten aan kennis daar in de vlammen zijn opgegaan. In werkelijkheid ging het wellicht over meerdere branden en een geleidelijk proces van verval. Vandaag is er geen uitslaande brand in de wetenschap, maar er smeult weldegelijk iets. Het onderzoek brandt haar meest vurige beoefenaars op en dreigt zo zichzelf in de as te leggen. Wetenschap is een menselijke activiteit, maar wel eentje die haar beoefenaars kopzorgen bezorgt. Een wetenschappelijke studie heeft aangetoond dat stress – althans bij muizen – de aanmaak van nieuwe hersencellen vermindert. Als dat ook voor de wetenschappers zelf geldt, voorspelt het weinig goeds.

De wetenschap ondergaat momenteel een wereldwijd experiment: laten we eens een groep intelligente en ambitieuze mensen wedijveren om te weinig plaatsen. Wie de Hunger Games kent, weet dat dit geen onschuldige stoelendans wordt, maar een spel op leven en dood. En als er te veel druk wordt gelegd op wetenschappers, is het eerste slachtoffer dat valt de wetenschap zelf.

Cartoon.

Deze cartoon stond in 2009 in The New Yorker. Het winnende bijschrift was: “OK, laten we traag de fondsgelden verlagen”. (Bron afbeelding.)

De Oostenrijkse techniekfilosoof Ivan Illich had een theorie over technische ontwikkeling in termen van twee keerpunten. Bij het eerste keerpunt wordt alles veel efficiënter: de ontwikkeling van de ontploffingsmotor gaf een grote impuls aan onze mobiliteit en het centraliseren van gezondheidszorg in ziekenhuizen kwam de volksgezondheid ten goede. Bij het tweede keerpunt echter dreigt het systeem onder haar eigen bijwerkingen te bezwijken: de mobiliteit neemt af in de file en resistente ziekenhuisbacteriën rukken op.

Het lijkt erop dat we een soortgelijke analyse kunnen maken over hoe onderzoek georganiseerd wordt. Lange tijd was wetenschap enkel weggelegd voor rijke mensen: ze beoefenden het als hobby of sponsorden armoedzaaiers met meer talent op dit vlak. Bij het eerste keerpunt – zo rond de achttiende eeuw – ontstond er een systeem van door de overheid uitgereikte studiebeurzen en door de universteit bezoldigde posities voor onderzoeksprofessoren. Wetenschap werd een carrière, ook bereikbaar voor mensen van bescheiden komaf. Aanvankelijk had dit een gunstig effect en het kwam zowel het onderzoek als de (potentiële) onderzoekers ten goede. Er konden inderdaad meer mensen bijdragen aan fundamentele kennis, die uiteindelijk ook tot technologische en medische vooruitgang leidde.

In de loop der eeuwen werd de wetenschap verder geprofessionaliseerd, maar stilaan lijkt het erop dat we het tweede keerpunt hebben bereikt. Door de nadruk op excellentie neemt de druk op de onderzoekers steeds verder toe. Solliciatiedossiers en beursaanvragen worden steeds langer en uitgebreider. Dat is niet efficiënt: niet voor de mensen die de aanvraag indienen, maar evenmin voor de collega-onderzoekers die dit allemaal moeten lezen en beoordelen. Bovendien is het eigen aan onderzoek dat je niet op voorhand weet met welk resultaat je dit doet. Toch lijkt deze evidentie ergens verloren te zijn gegaan, want het huidige model vereist van wetenschappers gedetailleerde vijfjarenplannen en een gestage uitstroom van publicaties.

Vooralsnog hebben wetenschappers nog geen geldboom kunnen kweken.Bij jonge onderzoekers staan hierbij niet enkel verdere fondsen op het spel voor meetapparatuur of reagentia, maar ook de eigen baan. Dat is zuur. Hoewel het gelukkig slechts enkelingen zijn die flagrante fraude plegen, is slodderwetenschap wel schering en inslag. Beter een in der haast geschreven artikel over slordig uitgevoerde experimenten dan geen artikel – dat is althans de logica binnen het huidige financieringsmodel. Wat de cumulatieve schade hiervan is op de wetenschap als geheel valt niet te overzien.

Inmiddels lijkt deze aanpak haar doel zo zeer voorbij te schieten dat er stemmen opgaan om de factor geluk terug een centralere plaats te geven. Willem Trommel bijvoorbeeld, professor in de bestuurskunde aan de Vrije Universiteit Amsterdam, schreef eind vorig jaar een opiniestuk in de Volkskrant. Waar vroeger de afkomst iemands lot in de wetenschap grotendeels bezegelde, is zijn voorstel om na een ruwe schifting van onderzoeksvoorstellen alsnog te loten. Cru maar wel eerlijk en efficiënt. (En helemaal in lijn met mijn eerdere gedachten hierover.)

Op den duur betalen we wetenschappers om voltijds papieren in te vullen. Dan zal de wetenschap definitief zijn opgebrand. Moeten we hopen dat rijke hobbyisten ondertussen de waakvlam van het vrije onderzoek brandende houden, of zijn er andere oplossingen? Hopelijk slaagt de wetenschap erin om als een feniks uit haar assen te herrijzen.

FameLab – verslag deel 1

Vorige week donderdag deed ik mee aan de preselectie voor FameLab: een internationale wedstrijd voor wetenschapscommunicatie met nationale voorrondes. (Het wordt georganiseerd door het British Council en de finale is altijd in Engeland.) Jonge onderzoekers moeten er in drie minuten een wetenschappelijk concept uitleggen voor een algemeen publiek (in het Engels). Gelukkig is ‘jong’ bij FameLab een ruim begrip: je moet onder de 40 zijn, waardoor ik dus nog mee mag doen. :-)

Een knoop wordt doorgehakt

Terwijl FameLab in sommige landen al een vaste waarde is, was er pas vorig jaar voor het eerst een Benelux-editie. Ik werkte toen nog in Nederland en overwoog ook toen al om mee te doen, maar het was een heel drukke periode (solliciteren en de knagende onzekerheid, weet je wel) en ik besloot het een jaar uit te stellen. Natuurlijk was het dit jaar ook druk (nieuwe baan en nieuwe vakken, weet je wel), maar ik besefte dat het wellicht nooit echt goed zou passen in mijn agenda.

Dus, hop, dit jaar schreef ik me in.

Affiche FameLab 2015 heat Gent.

Affiche FameLab 2015 heat Gent. (Bron affiche.)

Het onderwerp

Ik wilde het te hebben over optica (tevens een veelvoorkomende tag op mijn blog) en maakte in Mathematica een ontwerp met golflengtes die in de juiste verhouding en in de juiste kleur worden weergegeven. Een regenboog bestaat uit een continuum aan kleuren, maar ik koos er zeven golflengtes uit die overeenkomen met de zeven ‘traditionele’ regenboogkleuren. (ROGGBIV; ingevoerd door Newton om redenen die eerder mystiek dan strikt wetenschappelijk te noemen zijn!) Het plan was om dit patroon op mijn kleren te strijken, maar uiteindelijk maakte ik er geen gebruik van.

Golflengtes en regenboogkleuren.

Golflengtes en regenboogkleuren: Mathematica-code beschikbaar op verzoek.

De locatie

Er waren twee zogenaamde heats in België: één in Namen en één in Gent. Ik deed mee in Gent. Aangezien er meer kandidaten waren dan er in de publieke avondshow pasten, was er eerst een preselectie. Deze vond, net als de avondshow, plaats in Het Pand in Gent.

FameLab preselectie.

FameLab preselectie in Het Pand.

Het was een stralende dag en de tuin van Het Pand lag er toverachtig bij.

Zicht op de tuin.

Zicht op de tuin van Het Pand.

Het attribuut

Bij FameLab mag je geen computerdia’s gebruiken, maar je mag wel een ander attribuut kiezen, op voorwaarde dat je het zelf het podium op kan dragen. Het concept dat ik wilde uitleggen was “interferentiekleuren“. Ik stak dus een flesje bellenblaas in mijn zak voor een live demonstratie. Hierdoor kon ik tijdens het wachten ook zeepbellen blazen vanuit het raam boven de tuin. :-)

Zeepbellen bij Het Pand.

Zeepbellen bij Het Pand.

De zenuwen slaan toe!

Tijdens het wachten maakte ik kennis met een Franstalige bioloog die het over groepsgedrag bij dieren zou hebben. Ik was als eerste aan de beurt voor de audities en daar gebeurde iets dat ik ab-so-luut niet verwacht had: ik was zenuwachtig! Dat is vrij ironisch aangezien één van de meest gelezen pagina’s op mijn blog gaat over zenuwen bij presentaties – zo zie je maar. Verder geef ik twee keer per week les aan een groep van meer dan honderd studenten, dus ik ben echt wel gewoon om voor publiek te spreken, en toch stond ik daar voor een jury van een zestal mensen met trillende handen. Dat was moeilijk te verbergen bij het bellen blazen… Bovendien was mijn praatje klaar in 2 minuten en een half, dus het had ook wel iets rustiger gemogen. ;-) Ondanks alles was de reactie van de jury wel zeer positief.

Het zou nog enkele uren duren voor alle kandidaten voor de jury waren verschenen en de selectie voor de avondshow bekend gemaakt zou worden. Er werden vijftien mensen geselecteerd en ik was erbij.

(Binnenkort het vervolg.)

Ondertussen op Twitter (deel 1)

De voorbije twee maanden had ik geen tijd voor mijn blog. Af en toe een berichtje op Twitter lukte nog wel. Dit is deel 1 van een overzicht van de voorbije periode: over spelen met blokjes, de volle maan, logica en het werken aan een cursus.

Januari 2015 (deel 1)

Bij het begin van 2015 stuurde ik volgende nieuwjaarswens:

“Moge in 2015 ook uw balans tussen werk & gezin goed genoeg zijn om af en toe met de blokjes te spelen. ;-) #Duplo”

Work Life Balance

Helaas moest ik vervolgens dit bericht erachteraan sturen…

“Pijnlijk detail: vijf seconden nadat de vorige foto gemaakt is, is één van de mannetjes eraf gevallen. #pt”

~

Frank Deboosere herinnerde ons eraan dat het volle maan was:

“De volle maan is de hele nacht zichtbaar. Per definitie. http://www.frankdeboosere.be/vragen/vraag90.php http://youtu.be/DKyTe68xJ3c

Mijn reactie:

“.@frankdeboosere Met compactcamera kwamen we vanavond niet verder dan deze foto (bijgeknipt).”

Volle maan

~

Bij het Hoger Instituut voor Wijsbegeerte (HIW) van de KU Leuven werden er een aantal filmpjes gemaakt om toekomstige studenten te informeren over onze expertise. Samen met enkele collega’s werd ik geïnterviewd over mijn logica-gerelateerd onderzoek (filmpje in het Engels).

Verder gaf Lorenz Demey, één van de postdocs aan het HIW, een inleidingsles over logica (filmpje ook in het Engels).

~

Intussen werkte ik naarstig verder aan de cursus voor mijn nieuwe vak in het tweede semester. Ook op dat vlak vond ik steun op Twitter dankzij de account Dr Academic Batgirl. :-)

“For all the January syllabus makers, data crunchers, and writers. Respect.”

Volle maan

Verstrooidheidsindex

Baudoin.Oktober is zombiemaand op planeet Academia.

Op 1 oktober ben ik in Leuven begonnen als onderzoeksprofessor (zie eerder). Oktober is altijd een drukke maand voor academici, maar als je van universiteit en van functie verandert, is het nog drukker met extra administratieve zaken, infosessies en vergaderingen.

Ondertussen probeer ik mijn onderzoek op peil te houden (daar ben ik tenslotte voor aangesteld). Verder heb ik lessen om voor te bereiden, een symposium om te organiseren, een doctoraatsjury om in te zetelen en een column om te schrijven. Ondertussen ging Danny een week op cursus in Zwitserland en moest ik thuis het fort alleen staande houden. Hier was er een lief kindje met veel koorts en zijn verjaardagsfeestje om voor te bereiden. (Gelukkig stonden zijn oma en opa klaar om voor hem te zorgen toen hij te ziek was om naar de opvang te gaan, terwijl ik naar Leuven moest. Ik ben mijn ouders heel dankbaar!) Bloggen schoot er een paar weken bij in, maar zoals je merkt heb ik dat ook weer opgepikt.

Het resultaat is dat ik de laatste weken te weinig geslapen heb en dat heeft zo zijn gevolgen:

  • Enerzijds staan de balken onder mijn ogen al geruime tijd op zwart. Ik doe dan maar of ik een personage ben uit een boek van mijn favoriete striptekenaar Edmond Baudoin (zie plaatje): die zien er ook vaak uit alsof ze hebben gehuild met mascara op. Ik draag geen mascara, maar wel een bril en ik hoop dat de balken als slagschaduw worden geïnterpreteerd. Die schim erachter, dat ben ik. ;-)
  • Anderzijds staat mijn verstrooidheidsindex op alarmfase rood. Ik merk bijvoorbeeld dat ik de radio steeds luider zet, omdat er anders helemaal niets van doordringt. Of ik merk dat ik niets kan navertellen van een verhaaltje dat ik net zelf heb voorgelezen (snelwegtrance voor gevorderden). Ook kwam ik met mijn arm vast te zitten tussen de spijlen van het kinderbed en kon ik me niet herinneren hoe dat zo gekomen was. En in gedachten verzonken loop ik geregeld tegen meubels en deurstijlen aan. Au!

Zombieverbod.Nu ik dichter bij huis werk, kan ik vaker naar kantoor gaan. Ik vind het fijn om af en toe met collega’s te kunnen gaan lunchen en ook om weer college te geven. Het was wel wennen om opnieuw zo veel onderweg te zijn. Stilaan vind ik echter een nieuw ritme en op de trein kan ik heel geconcentreerd lezen, waardoor ook mijn reistijd zowel aangenaam als nuttig besteed wordt.

Halloween is voorbij*, dus die zombie-look mag nu wel weg.

* “Trallowien” zegt ons kleintje. :-)

Wetenschap versus verbeelding?!

Deze week schrijft en leest Ann de Craemer het middagjournaal bij Nieuwe feiten op Radio 1.* Dinsdag had ze het over elderspeak (kinderlijk taalgebruik tegenover ouderen), waarvan ik alleen maar kan hopen dat heel veel mensen het gehoord hebben (of het hier nalezen) en zich (opnieuw) voornemen hierop te letten. Daarom zal ik hier dus niet schrijven: “Zullen we daar dan eventjes aan denken, lezertjes?”

Vandaag luisterde ik echter met een kritischer oor naar haar bijdrage (hier na te lezen). Hierin richtte ze zich tot studenten met de boodschap: “Geloof in de schoonheid van je eigen dromen”. Op zo’n motto valt alvast weinig af te dingen. De noden op de arbeidsmarkt voorspellen is inderdaad moeilijk (als het al mogelijk is) en het is dus beter om studieadvies niet (enkel) daarop te baseren. “[Z]al de arbeidsmarkt binnen een jaar of tien nog wel genoeg werk hebben voor al die studenten uit bètarichtingen?” vraagt de Craemer zich af. Mij lijkt het onwaarschijnlijk van niet, maar over een glazen bol beschik ik ook niet, dus laten we een belangrijker punt aansnijden.

Lof der wetenschap.De rest van haar pleidooi lijkt namelijk op een onjuist contrast te berusten tussen verbeelding enerzijds en STEM-vakken anderzijds. Juist in wetenschappen en wiskunde spelen verbeelding en creativeit een zeer grote rol:

  • Wiskunde: er is niets, verzin maar iets en kijk wat je boven water krijgt.
  • Natuurwetenschap: de wereld is er al, probeer met je beperkt verstand er maar een verstaanbaar verhaal over te vertellen.

Is de verbeelding en creativiteit die hiervoor nodig is dan zo anders dan voor, bijvoorbeeld, het schrijven van een roman?**

Bovendien kan wetenschappelijke vernieuwing via de technologie een zeer grote impact hebben op de maatschappij, (al mag de wetenschap zich daar niet toe laten beperken***). Als er ergens behoefte is aan mensen die zich een mooiere wereld dromen en die de capaciteit hebben om echt nieuwe dingen te bedenken, is het daar wel.

De Craemer: “Hoe prachtig zou het zijn niet zijn als onze politici ook een actieplan verbeelding en creativiteit zou[den] ontwikkelen?” Met dat voorstel kan ik dan weer alleen maar instemmen, op voorwaarde dat het domein van verbeelding en creativiteit niet beperkt wordt tot de kunsten. In de hoop dat dromen zich niet laten beperken, tout court.

*Het is niet de eerste keer dat die radiorubriek een blogreactie losweekt.

**Zoals ook uit mijn vorige bericht blijkt (met name de keuze van de tweede cartoon), vind ik van niet.

***Anders bloedt ze dood: zie ook dit oudere stukje over het belang van vrij onderzoek.

Aanvulling: Ik liet een iets kortere versie van dit bericht ook achter als reactie op de website van Radio 1. Op dat moment zag ik nog geen andere reacties staan. Op dit moment blijken twee andere luisteraars een soortgelijke bedenking te hebben gemaakt als ik. Blijkbaar zijn we dus toch niet zo origineel als we zelf denken. ;-)

Togaselfie

Vandaag was ik lid van de jury bij een doctoraatsverdediging aan de Universiteit Utrecht. Dit is een verslagje over zowel de inhoud (het proefschrift) als de vorm (de toga).

***

Inhoud: onderbepaaldheid van wetenschappelijke theorieën

Pablo Acuña Luongo schreef een scriptie over onderbepaaldheid van theoriekeuze in de wetenschappen en dit aan de hand van twee gevalstudies uit de fysica. Zijn promotor was professor Dennis Dieks (aankondiging1 & 2).

De eerste gevalstudie behandelt de ethertheorie van Hendrik Lorentz (en Henri Poincaré) versus de speciale relativiteitstheorie van Albert Einstein (en Hermann Minkowski). In dit geval zijn wetenschappers tot de duidelijke consensus gekomen dat Einsteins theorie de voorkeur geniet. Deze voorkeur is ondermeer te begrijpen doordat de ethertheorie van Lorentz minder goed samenhangt met andere (latere) theorieën dan die van Einstein (waaronder Einsteins eigen algemene relativiteitstheorie).

Deze casus was ook het onderwerp van Acuña Luongo’s masterscriptie (die online staat), waarmee hij in het academiejaar 2012-2013 een prijs won (zie ook hier). Hij gaf toen dit interview over zijn werk, dat meteen een goede samenvatting geeft.

Lorentz versus Einstein.

Lorentz versus Einstein. (Bron afbeelding: DUB.)

De tweede gevalstudie behandelt de standaard kwantumtheorie (in de formulering van John von Neumann en Paul Dirac) versus de Bohmse mechanica. De mechanica van David Bohm is een verborgen-variabelen theorie die deterministisch is (weliswaar ten koste van niet-lokale effecten). Over de keuze tussen deze theorieën is er nog steeds geen consensus onder natuurkundigen. Beide kampen hebben fervente voor- en tegenstanders. Mijn thesisbegeleider van destijds verkoos bijvoorbeeld de Bohmse theorie (zoals ik eerder vermeldde). De Bohmianen zijn in de minderheid, maar de standaardtheorie geeft aanleiding tot heel wat verschillende interpretaties (waaronder de veel-wereldeninterpretatie), waardoor hun kamp intern sterk verdeeld is.

***

Vorm: onderbepaaldheid van togareglementen

Voor deze gelegenheid mocht ik een toga aan. Of dat terecht was, is nog maar de vraag:

  • In Vlaanderen wordt de titel ‘professor‘ toegekend vanaf het moment dat iemand tot het zelfstandig academisch personeel behoort. De graad (docent, hoofddocent, hoogleraar, gewoon hoogleraar) speelt daarbij geen rol.
  • In Nederland wordt de titel ‘professor’ enkel toegekend aan iemand die de graad van hoogleraar heeft. Nederlandse universitairen die docent of hoofddocent zijn, gelden er niet als professor en zij dragen bij promoties ook geen toga.

Vanaf oktober ben ik onderzoeksprofessor in Leuven in de graad van docent. Het was me dus niet duidelijk of ik dan wel of niet een toga mocht dragen: moet je professor zijn of hoogleraar om een toga te dragen? Aangezien dit in Nederland synoniemen zijn, maar in Vlaanderen niet, is dit niet zo duidelijk.

Zelf zou ik op hoogleraar gokken, maar de thesispromotor besloot dat ze mij – en ik citeer – “bij deze gelegenheid best al in een toga kunnen hijsen”. En aangezien hij hoogleraar is en ik niet, heb ik maar braafjes geluisterd. Hoe zou je zelf zijn? ;-)

Ik heb de toga-situatie aan de KU Leuven nu eens opgezocht: de “professorale toga” wordt er gedragen vanaf de graad van hoofddocent – dus niet door alle professoren, maar de grens ligt evenmin bij de graad van hoogleraar. Extra verwarrend voor Vlaamse hoofddocenten in Nederlandse jury’s, maar in mijn geval suggereert het dat ik vandaag geen toga had mogen dragen. Anderzijds mag ik in Leuven wél een toga dragen, denk ik, namelijk de “doctorale toga”.

Kortom, of ik in Utrecht nu al dan niet terecht een toga heb gekregen, is mij nog steeds niet duidelijk. Om deze puzzel op te kunnen lossen zijn twee doctoraten blijkbaar niet genoeg. ;-)

Aangezien ik zelf geen toga in de kast heb hangen, werd het een Utrechtse leentoga.

Leentoga.

Leentoga.

Het thuisfront had om bewijzen gevraagd, maar er was geen fotograaf aanwezig bij de verdediging. (Dat gebeurt soms wel.) In de vergaderzaal hing er een spiegel naast de kast met baretten, dus maakte ik daar snel een togaselfie.

Togaselfie.

Togaselfie.

Bevindingen: lekker warm, zo’n toga. Daar kan ik wel aan wennen, geloof ik.

Opmerkelijk: de baret moet af tijdens het zitten, behalve voor vrouwen – die mogen zelf kiezen of ze de baret ophouden of niet als ze gaan zitten.

Voornemen: volgende keer niet huppelen, maar waardig schrijden. Dus niet denken “Joepie, ik heb een toga aan”, maar zwaarwichtige dingen denken, die ook de tred wat bezwaren.

Hm, zou “ingetogen” etymologisch verwant zijn aan “toga”, denk je?

Twee postdocs en een peuter

Wij gaan extra vrolijk de zomer in, want mijn liefste en ik krijgen ook de komende jaren nog betaald voor wat we het liefste doen: onderzoek! :-)

Vlaggetjes.

ZAP!De meeste postdocs willen maar één ding: postdoc blijven, of – als het even kan – een ZAP-positie bemachtigen. In het Vlaamse Academees spreekt men namelijk van het “zelfstandig academisch personeel”; het ZAP is dus het proffenkorps. Postdocs hebben een tijdelijk contract van één, twee of drie jaar. Zodra je een nieuwe baan hebt, begint de teller meteen vervaarlijk weg te tikken. Stilstaan is geen optie: hup, begin al maar opnieuw te solliciteren.

In januari had ik het op mijn blog drie keer over het onzekere bestaan van postdocs:

  • Op 23/01 vermeldde ik in mijn jaarverslag dat ik in 2013 voor het eerst luidop had durven zeggen dat ik professor wil worden, dat ik in deze richting gesolliciteerd had en dat de uitslag nog niet bekend was.
  • Op 30/01 zat het me blijkbaar hoog, want toen schreef ik een heuse klaagzang. (De aanleiding hiervoor licht ik onderaan verder toe, na de vouw.)
  • Op 31/01 droeg ik een liedje op aan mijn collega’s die solliciteerden bij het FWO. De inspiratie voor dit bericht haalde ik dicht bij huis, want ook Danny diende een aanvraag in voor een driejarig postdoc-project.

Het mag duidelijk zijn: met twee postdocs in een gezin weegt de onzekerheid dubbel. En met een peuter erbij deelt er nog iemand in de klappen als onze carrière van de rails loopt.

De tijd loopt.Mijn huidige postdocbeurs loopt nog tot begin 2016, maar diverse mensen hadden me aangeraden om al te beginnen solliciteren voor een tenure-track-positie. Dat is een aanstelling aan de universiteit van vier à zes jaar, waarna je bij een positieve evaluatie vast wordt aangesteld. Eind vorig jaar heb ik dus gesolliciteerd voor dergelijke posities aan de KU Leuven, in Salzburg en in New York. De sollicitatieprocedures zijn niet helemaal hetzelfde, maar allemaal verlopen ze in verschillende rondes. Je bent er dus een paar maand zoet mee: CV aanvullen, een proefles houden, een korte onderzoekspresentatie geven, interviews voorbereiden. Ik wil er niet bij nadenken hoeveel tijd postdocs collectief besteden aan solliciteren. Efficiënt kan het niet zijn, want in die tijd hadden ze ook onderzoek kunnen doen. En de slapeloze nachten dragen ook niet bepaald bij aan de productiviteit.

Voor Danny kwam het einde van zijn contract wel al in zicht. Hij diende een projectvoorstel in bij het FWO waarmee hij een driejarig mandaat als postdoc wilde behalen. Hij had geen andere sollicitaties lopen, dus voor hem was deze aanvraag alles of niets. (Dat zou ik zelf niet gedurfd hebben, al is er ook iets voor te zeggen om al je energie op één aanvraag te richten en dat projectvoorstel zo goed mogelijk uit te bouwen.)

Begin februari zaten we hier dus met twee nagelbijtende postdocs en één nietsvermoedende peuter.

Voor mij werd de spanning nog wat extra opgedreven, want op 11 februari zou ik ’s avonds de uitslag horen van mijn sollicitatie bij de KU Leuven, maar diezelfde ochtend had ik nog een interview voor Salzburg. (Als het een fictief verhaal was geweest, had ik dit het meest ongeloofwaardige deel gevonden.) Bovendien besliste de commissie in Salzburg zeer snel, zodat ik ’s avonds ineens twee aanbiedingen op zak had. Ik koos voor de positie in Leuven, waar ik in oktober zal beginnen als “onderzoeksprofessor”. Wat een opluchting!

En ik deed een vreugdedansje met de peuter, die niet goed wist wat hem overkwam. :-)

Toch voelde het niet echt juist aan om het goede nieuws al aan de grote klok te hangen, zo lang er voor Danny nog geen zekerheid was. Het FWO zou de uitslag vorige week woensdag om 15u bekend maken. De website bezweek echter onder het grote aantal bezoekers. De spanning werd dus extra opgedreven, maar rond half vijf werden de namenlijsten dan toch online geplaatst. En ja, Danny mag in oktober aan zijn nieuwe postdoc-project beginnen (opnieuw aan de UGent). Alweer zo’n pak van ons hart!

Nu mogen de vlaggetjes eindelijk ophangen. Eronder zitten twee tevreden postdocs en een peuter die met de blokken speelt.

Vlaggetjes.

Eindelijk mogen de vlaggetjes vrolijk wapperen.

(meer…)

Blinde vlek

Dit stukje is in licht gewijzigde vorm als een column verschenen in Eos.
(Jaargang 31, nummer 4.)

Veel excellente vrouwen blijven verrassend lang onzichtbaar voor old boys netwerken.“Waarom hebben we zo weinig studentes fysica?” vroeg de professor. Hij leek te verwachten dat ik hier een pasklaar antwoord op had. Nochtans was ik één van de slechtst gekozen personen om die vraag aan te stellen. Ik was assistent bij de vakgroep natuurkunde, geen socioloog, en dus onbeslagen in het analyseren van menselijke keuzes. Bovendien had ik als meisje wél voor fysica gekozen en waren eventuele blokkades mij klaarblijkelijk ontgaan.

De vraag werd me tien jaar geleden gesteld, maar ze is nog steeds actueel. Intussen heb ik geluisterd naar specialisten en stilaan ontwaar ik de contouren van een antwoord. Maar laten we er eerst een vraagstuk bovenop gooien. Een academische loopbaan verloopt in verschillende stadia: van student, via doctorandus en postdoctoraal onderzoeker, naar professor. Bij iedere carrièrestap stromen er onderzoekers uit, naar functies buiten de universiteit. Vrouwen zijn systematisch oververtegenwoordigd in de uitstroom van deze lekkende pijplijn, waardoor zelfs richtingen die een meerderheid aan vrouwelijke eerstejaars hebben, een overwegend mannelijk professorenkorps behouden. Naast de lagere instroom voor sommige studies, waaronder fysica, is er dus een hogere uitstroom van vrouwen in vrijwel alle domeinen. Hoe is dat mogelijk?

In een recent nummer van EuroPhysics News schrijft Elisabeth Rachlew, een Zweedse emeritus professor in de toegepaste fysica, dat we op dit soort vragen naar één antwoord zoeken. Antwoorden als “vrouwen willen liever moederen” deugen echter niet, want al het beschikbare onderzoek wijst uit dat het om een samenspel van meerdere factoren gaat. Het is een subtiele kwestie die nooit tot één hapklaar antwoord te reduceren valt. Daar helpt geen lievemoederen aan!

Laten we een recent voorbeeld bekijken: in februari van dit jaar publiceerde de International Academy of Quantum Molecular Sciences het programma voor haar congres van 2015. Onder de vierentwintig uitgenodigde sprekers was er geen enkele vrouw. Drie professoren riepen daarom op tot een boycot en hun petitie werd binnen enkele dagen door meer dan duizend mensen ondertekend.

Veel excellente vrouwen blijven verrassend lang onzichtbaar voor old boys netwerken.Hoe is het bestuur van de vereniging voor theoretische chemie tot dit onevenwichtige programma kunnen komen? Van bewust seksisme is er vermoedelijk geen sprake. Als de oorzaak zo zonneklaar was, dan waren de wanverhoudingen trouwens al lang rechtgetrokken. Sociologen benadrukken het belang van onbewuste vooroordelen en informele netwerken, die de status quo – waarin vrouwen ondervertegenwoordigd zijn – mee in stand helpen houden. Het is begrijpelijk als de bestuursleden (overwegend mannelijke professoren) enkel oud-studiegenoten en bekende namen hebben uitgenodigd, want een onderonsje is gezellig. Door niet actief op zoek te gaan naar ander talent, sluiten ze echter – onbedoeld – mensen uit.

Om impliciete vooroordelen te bekampen, moet je mensen eerst bewust maken van deze mechanismen en dan concrete suggesties doen om de ingesleten gewoontes te doorbreken. De vereniging van kwantumchemici herbekijkt inderdaad haar programma. Hopelijk kan dit voorval andere organisatoren ertoe aanzetten vooraf op zoek te gaan naar excellente vakgenoten die zich momenteel in hun blinde vlek bevinden.

Terug naar de originele vraag over de lage instroom van meisjes bij fysica. Die is vermoedelijk het resultaat van even subtiele maar alomtegenwoordige processen van beeldvorming: denk maar aan speelgoedfolders, televisiereeksen, schoolboeken, enzoverder. Terwijl de interne academische keuken bijgestuurd kan worden, hebben we op die algemene culturele context nauwelijks vat. Overigens is het doel niet om de cultuur genderneutraal te maken, integendeel: juist doordat vrouwen een andere positie innemen in onze maatschappij, vormen zij een toegevoegde waarde. Uiteindelijk is de bekommernis om genderevenwicht slechts één facet van een algemener streven naar diversiteit. Een verscheidenheid van achtergronden en stijlen is een belangrijke voedingsbodem voor fris onderzoek. Wetenschap is niet uniseks, maar multicolore.

Tien jaar geleden zag ik niet in hoe een grotere participatie van vrouwen enig verschil zou kunnen maken voor de natuurkunde. Vrouwelijke wetenschappers denken immers niet met hun eierstokken en kracht blijft toch wel gelijk aan massa maal versnelling. Nu vraag ik me vooral af wat we niet zien. Misschien is er een even fundamentele formule als ‘F is m maal a’ nog niet ontdekt, omdat we op halve kracht werken. Kunnen we het ons permitteren om talent te blijven verkwisten?

Sollicitere(n)? Schrijf maar opnieuw!

FWO, gimme some lovin'.Onderstaand liedje is opgedragen aan al mijn collega’s die aan het zwoegen zijn op hun FWO-aanvraag voor een doctoraats- of postdoc-project. (Als je ook zo iemand kent: geef hem of haar een extra knuffel!) De laatste loodjes wegen ook hierbij het zwaarst: de karakterlimiet van het elektronische aanvraagformulier is onverbiddelijk, dus aan het einde is het wikken en wegen om de beschikbare tekens zo efficiënt mogelijk in te vullen. Er is nauwelijks plaats voor grote ideeën of wetenschappelijke nuance in die kleine vakjes. De deadline is maandag om 17u, maar met wat geluk raakt alles het vanavond af, zodat iedereen een rustig weekend tegemoet gaat.

Het liedje heet “Sollicitere” en het is van de Janse Bagge Bend, een groep uit Susteren (Nederlands Limburg) die carnavalsmuziek veredeld heeft tot ‘dialectpop’. (Dit is de link naar onderstaande video, alsook naar een live-versie uit 2010.) Het nummer was geïnspireerd op het invoeren van de solliciatieplicht in Nederland. In 1982 haalde het de achtste plaats in de Nederlandse top-40 en de 15de plaats in de Vlaamse hitlijst. Hoewel ik het liedje als kind vaak op de radio heb gehoord, dringt de tekst nu pas tot me door en die blijkt bijzonder toepasselijk te zijn – voor de huidige pre- en postdoctorale sollicitanten van het FWO, en bij uitbreiding voor alle postdocs, die quasi permanent moeten solliciteren (zoals ik).

Dit is de originele tekst van deze visionaire song (eerste strofe en refrein):

Hey!
De perspektieve veur de toekoms die zeen nul komma nul
Al höbse noa veul zjweite enne universitaire bul
Al böste ongerwiezer, bankwirker of psycholoog
De komende joare böste waarsjienlik wirkeloos

Doe mos sollicitere, sollicitere!
Höbste al gesjreve?
Viefensevetig breeve!
Höbste al gesjreve?
Viefensevetig breeve!
Höbste al gesjreve?
Den sjrief mer opnuuj!

(meer…)

Klaagzang van een postdoc (voor een betere wereld)

Woord vooraf: ik besef maar al te goed dat ik geen reden tot klagen heb. Als ik mijn eigen situatie eens evalueer – lieve familie, zinvol werk, elke dag te eten, warm huis, stromend water en zelfs WiFi op de trein – en die vergelijk met de levensomstandigheden van de meeste wereldburgers, dan heb ik een luxebestaan. Mijn eventuele klachten kunnen dus enkel first-world-problems zijn. Toch houdt dit mondiale perspectief me voor één keer niet tegen om te klagen – niet eens omdat dit een menselijke basisbehoefte zou zijn, maar wel omdat mijn eigen ongemakken symptomen zijn van een groter probleem. Bovendien zijn het precies die toch al minder bevoorrechte medemensen die hier nogmaals de dupe van dreigen te worden!

Postdoc.

‘Postdoc’ is een raar woord voor een onderzoeker die al een doctoraat op zak heeft, maar verder niet zo veel… (Bron afbeelding.)

Onderzoeker zijn is heerlijk, maar helaas zijn er voor postdocs (postdoctorale onderzoekers, zoals ik) enkel korte contracten. Gevolg: je bent nog maar net met een nieuw project begonnen, of je moet al opnieuw uitkijken naar vacatures – liefst voor een tenure-track-baan. In principe word ik betaald om voltijds onderzoek te doen, maar in de praktijk steek ik veel tijd en energie in solliciteren. Op dit moment bevind ik me trouwens in een post-sollicitatie-limbo (zie ook het laatste puntje in het vorige bericht): het wachten op de reactie van diverse beoordelingscommissies. (Nee, ik hou niet van wachten! Gelukkig heb ik genoeg projecten om me mee af te leiden.)

Wij hebben hier thuis vier doctoraten: mijn lief en ik elk twee. We zijn allebei drieëndertig en hebben nog steeds geen vast werk. Mijn schoonvader vraagt soms aan mijn lief wanneer hij nu (echt) werk gaat zoeken. En toch zijn wij de “toponderzoekers” die onze samenleving naar nieuwe hoogten zouden moeten tillen. Is dat niet gek?

Postdoc.

Postdoc zijn is heerlijk – voor zo lang het duurt. In de praktijk ben je toch een groot deel van je tijd bezig met solliciteren. (Bron afbeelding.)

Let wel: ik ben nog steeds zeer enthousiast over mijn werk. Alleen verbaast het me soms zelf dat ik dit blijf doen, want kiezen voor zo’n onzeker bestaan past niet bij mijn persoonlijkheid. Ik zou mijn leven heel anders ervaren als ik ergens vast in dienst was, zelfs als ik daarbij wel ontslagen kon worden. Dan had ik immers “werk, tenzij er iets vervelends gebeurt”, zoals veel andere mensen buiten de universiteit. Nu heb ik al heel mijn loopbaan lang “binnenkort geen werk, tenzij er op het laatste moment iets uit de bus komt”. Dit aspect is slopend, en beangstigend, zeker sinds we een kindje hebben.

Gelukkig ben ik nooit werkloos geweest: alle korte contracten hebben zich tot nu toe mooi opgevolgd. Achteraf gezien was er dus geen reden voor al die ongerustheid, maar dat neemt niet weg dat het telkens opnieuw spannend blijft. Bovendien ben je als postdoc ook voortdurend in competitie met je collega’s voor schaarse banen, wat haaks staat op mijn ideaal van wereldwijde samenwerking tussen onderzoekers.

Samenkomst van postdocs.

Sommige postdocs slagen er zelfs in om een sociaal leven te hebben: optrekken met andere postdocs. (Bron afbeelding.)

Wat ik zelf meemaak zijn kleine zorgen, zoals iedereen er wel een paar heeft, maar doordat ze voortspruiten uit een groot systeem – namelijk het huidige financieringsmodel van wetenschappelijk onderzoek via persoonlijke beurzen en projecten – vormen ze wel aanleiding om over een breder probleem na te denken.

Waarom aanvaarden we het als samenleving dat we al onze postdocs aan die extra spanningen blootstellen? Tenslotte gaat het hier óók over de mensen waarvan we straks een nieuwe remedie tegen kanker verwachten, de mensen die geacht worden ons van alternatieve energiebronnen te voorzien en de mensen die manieren moeten vinden waarop we iedereen op deze planeet kunnen voeden. Willen we echt dat die mensen zich naast hun onderzoek – dat toch al complex genoeg is – ook nog continu zorgen moeten maken over de vraag of ze over twee jaar hun eigen kroost nog eten kunnen geven?

Postdoc fallacy.

De denkfout van de postdoc. (Bron afbeelding.)

Natuurlijk is er ook veel waardevol werk te doen buiten de universiteit (zoals ook Vlaams Innovatieminister Lieten benadrukte in het interview dat ze vorig jaar aan Eos gaf), maar hoe langer je in het onderzoek meedraait, hoe minder evident het wordt om nog van stiel te veranderen. Verder blijven er ook mensen in het academische traject nodig. Daar heerst nu een soort “last man standing“-sfeer en dan rijst de vraag: willen we dat soort mensen wel aan de top? (Willen we dat soort mensen om een nieuwe generatie studenten te motiveren? Willen we zo’n chirurg in een UZ aan ons hart laten prutsen?) En hoe gaan de publicatiedruk en de fraudeprikkel ooit afnemen in zo’n klimaat? (Ik ben trouwens niet de enige die hierover piekert!)

Soms vraag ik me af of een numerus clausus voor onderzoekers niet efficiënter én humaner zou zijn: “Proficiat met je doctoraat. Hier, trek maar een lootje, dan kijken we of jij in aanmerking komt om ooit professor te worden…”

Postdoc-klachtenboek.

Postdocs hebben veel klachten. (Bron afbeelding.)