Archief voor Auteur: Sylvia Wenmackers

Filosofie van de fysica en smout in Oxford

Als Maxwells demon durft binnenkomen in de les filosofie van de fysica, wissen we meteen zijn geheugen. Entropiemaniak!Zolang ik op school zat varieerde mijn favoriete dag van de week naargelang mijn lessenrooster. Nu ik hier in Oxford ben, komt dit oude gevoel weer terug: donderdag is beslist mijn favoriete weekdag, want dan vinden de lessen en lezingen over filosofie van de fysica plaats. De lessen zijn vooral bedoeld voor Master-studenten (maar als bezoeker ben ik ook welkom) en worden gegeven door professor Simon Saunders en professor Harvey Brown.

Geloof het of niet, maar met mijn aanwezigheid in de les heb ik het gender-evenwicht met een factor oneindig veranderd. Niet één meisje zit er tussen de studenten filosofie van de fysica en beide proffen zijn ook mannen. In de andere lessen, zoals philosophy of mind en epistemologie, lijken er nochtans ongeveer evenveel vrouwelijke als mannelijke studenten in de les te zitten. Hoe komt het toch dat fysica telkens weer voor een quasi-perfecte seksescheiding weet te zorgen?

Behalve dat het jongens zijn, deden de studenten in filosofie van de fysica me ook op andere vlakken denken aan het typische publiek in een fysica-opleiding: gemotiveerd, nerdy en verlegen (maar dat groeit er wel uit). Die motivatie heeft trouwens ook een schaduwzijde: sommige deelnemers zijn een beetje té enthousiast en hun interpelaties houden het risico in dat we niet ver zullen komen met de voorziene leerstof. Tot nu toe wist de prof het allemaal vriendelijk op te vangen en toch wat vaart te houden in de les.

Danny moest aan deze comic denken toen ik hem over mijn dag vertelde:

The odds are good, but the goods are odd.

Deze klassieker van PhD-comics stamt uit 1997, maar is nog steeds van toepassing – ook in de lessen filosofie van de fysica. (Bron van de afbeelding: http://www.phdcomics.com/comics/archive.php?comicid=8)

Vorige week ging de les over een paradox uit de thermodynamica en de statistische fysica: de Gibbs paradox. Een variant van de Gibbs paradox – die eenvoudiger is om uit te leggen – is de mengparadox en deze heeft te maken met de toename in entropie wanneer twee gassen gemengd worden. De entropietoename heeft een vaste waarde, ongeacht hoe sterk de gasdeeltjes in de twee samples op elkaar lijken, maar is exact nul voor identieke gassen.

De lessenreeks is amper begonnen of we hebben het geheugen van de duivels van Maxwell al gewist om niet in de knoei te komen met entropie. Dus je begrijpt (of niet?!) dat ik al een week uitkijk naar de les van morgen! Als kers op de taart is er op donderdagavond ook nog een presentatie over recent onderzoek, iedere week van een andere spreker.

'Hm, die boter is wit,' dacht ik nog.Van Maxwells demon over naar Lyra en haar dæmon. Ik ben Northern Lights van Philip Pullman beginnen herlezen en dit is wat Lyra denkt over onderzoekers die, zoals ik, naar Oxford komen voor een studieverblijf (citaat van p. 35):

[S]he regarded visiting scholars and eminent professors from elsewhere with pitying scorn, because they didn’t belong to Jordan and so must know less, poor things, than the humblest of Jordan’s Under-Scholars.

Zielig ben ik niet, alleen een klein beetje misschien als ik in de supermarkt sta zonder woordenboek. Hoewel mijn Engels ruimschoots genoeg is om over filosofie te praten, schiet mijn culinair vocabulaire tekort. Dit levert problemen op tussen de winkelrekken, in de keuken en uiteindelijk op mijn bord. ‘Hm, die boter is wit,’ dacht ik nog, om vervolgens vast te stellen dat mijn stukje kip verdacht veel naar spek smaakte. ‘Lard‘ blijkt geen gewone braadboter te zijn, maar is 100% varkensvet. Het Nederlandse woord hiervoor, ‘reuzel‘ of ‘smout’, kende ik niet eens, tot ik het hier dus opzocht. (En nu zullen smoutebollen me nooit meer zo smaken als voorheen!) Vanwege het hoge aandeel aan verzadigde vetten (voornamelijk triacylglycerol) verdween reuzel van de markt, maar de laatste vijf jaar raakte het product in Engeland terug in zwang, vooral bij aanhangers van de traditionele Britse keuken. Nu ligt reuzel hier dus weer gewoon in de supermarkt, tussen de smeer- en braadboters, tot verwarring van buitenlanders zoals ik… Hoed je voor de dag dat Jeroen Meus van Dagelijkse Kost aan de reuzel begint! Als iemand het ondanks mijn waarschuwingen toch eens wil proeven: je moet dat niet zelf maken, je mag mijn pakje gerust hebben. ;-)

Een woord dat ik ook niet kende was ‘gooseberries‘, hetgeen zich letterlijk als ‘ganzenbessen’ laat vertalen. Op goed geluk koos ik voor ‘goosberry yoghurt‘ als dessert en dat bleek heerlijk te zijn! Na een eerste hapje had ik geen woordenboek meer nodig, want de onmiskenbaar friszure smaak verraadt meteen dat het om kruisbessen of stekelbessen gaat (aan de Maaskant beter bekend als ‘kroonsjele‘ – kijk maar eens op deze kaart voor alternatieve benamingen).

Gelukkig geldt voor mij de regel: “Dessert goed, alles goed”. En zo liep het toch nog goed af.

Een flesje diamantgruis

Dit is een staaltje van diamant op silicium.De ‘r’ zit weer in de maand. Tijd voor een kop warme chocolademelk of een kannetje kaneelthee. Een goede tijd ook voor een nostalgische terugblik: vandaag de eerste post van wat een reeks wordt over mijn tijd in de materiaalfysica. Hiervoor heb ik alvast een nieuwe categorie gemaakt die “Materiaal op maandag” heet (wat niet wil zeggen dat ik élke maandag de nostalgische toer op zal gaan).

Zeven jaar heb ik gewerkt  aan het Instituut voor Materiaalonderzoek (IMO) van de Universiteit Hasselt, in labojas en met het pincet in de aanslag. Het laboratium staat vol toestellen waarmee je de eigenschappen kunt onderzoeken van tastbare dingen. Hoewel dit niet meteen de meest natuurlijke habitat is voor filosofische zielen, heb ik er toch mijn hart verloren aan fluorescentiemicroscopie en andere optische technieken. (En veel gesakkerd als het experiment mislukt was, dat ook.) In een chemisch labo draag je een witte labojas. Waarom wit weet ik niet precies: dan zie je beter als je gemorst hebt, gok ik? In het optisch labo is een zwart plunje te verkiezen. Waarom dat is weet ik wél: zwart geeft het minste kans op ongewenste reflecties. Aan optica doen is dus een goed excuus om geen labojas te moeten dragen. ;-)

Het meest gebruikte woord in het laboratorium is “staaltje” – meestal te horen als de Engelse variant “sample“, maar nooit eens met het Nederlandse synoniem “monster”. Tijdens mijn doctoraat ging ik enkele malen metingen doen aan de universiteit van Namen. Daar vielen me de twee volgende zaken meteen op: collega’s begroeten er elkaar ’s morgens met een kus en het Frans voor “staaltje” is “échantillon“.

De staaltjes die ik voor mijn onderzoek gebruikte, waren van diamant. Diamant leek me een prachtig materiaal om mee te werken! Ik ben namelijk niet zo handig, ziet u. Als het hele staal van diamant is – één van de hardste materialen ter wereld -, is het nagenoeg onverwoestbaar. Meestal echter gebruikten we een silicium- of glasplaatje als drager met daarop een dunne laag van diamant en die staaltjes zijn juist bijzonder broos. Je hoeft er maar iets te hard naar te kijken, of de diamantfilm barst door de inwendige spanning. Het kan ook gebeuren dat het laagje diamant in zijn geheel loskomt van de drager, zodat je een plooibaar vliesje diamant overhoudt, dat scheurt zodra je het met een pincet aanraakt. De eerste tijd in het labo waren deze catastrofes mijn enige onderzoeksresultaten. Naarmate ik handiger werd met het pincet en minder bang om eens een flinke beker zwavelzuur te koken (om de staaltjes grondig schoon te maken), begon ik ook echte resultaten te behalen. Samen met collega’s P. en V. lukte het om op het diamantoppervlak biologische moleculen aan te brengen om zo een biosensor te maken. Deze successen kwamen niets te vroeg, want ik was net beginnen overwegen om mijn doctoraatsonderwerp van “Biosensoren op diamant” te verleggen naar “Twintig nieuwe manieren om diamantfilms tot gruis te herleiden”… ;-) Eén flesje met diamantgruis heb ik bewaard. Door de mooie interferentiekleuren lijkt het net elfenpoeder. Wie zegt dat wetenschap niet mooi kan zijn?

Alvast niet Richard Feynman. Deze bekende wetenschapper kreeg in 1965 een (gedeelde) Nobelprijs in de Fysica voor zijn werk aan kwantumchromodynamica; hij bedacht ook een visuele manier om kwantumveldentheorie voor te stellen, die we nog steeds Feynmandiagrammen noemen. (Marcel Vonk, collega-blogger op Scilogs, schrijft deze week ook over Feynmandiagrammen, als voorbeeld van storingsrekening.) Onderstaand filmpje kwam begin deze maand online. Hierin verdedigt Feynman de stelling dat wetenschap niets afdoet aan de schoonheid van de natuur, maar er juist nog aan toevoegt:

Zoeken op internet: 7 tips

Een zoekmachine is een handig hulpmiddel, maar kan nog steeds geen zinnen interpreteren.Zo nu en dan bekijk ik de zoekopdrachten waarmee bezoekers op deze website belanden. De zoekalgoritmes blijken goed te werken, want in de grote meerderheid van de gevallen kan ik me goed voorstellen waarom die zoekopdracht iemand naar dit blog heeft geleid: hier staan inderdaad berichten op over ‘atoommodel’, ‘rare gewoontes filosofen’, ‘inception’, ‘studiekeuze’, ‘ada lovelace’, enzoverder.

In de minderheid, maar leuker om over te vertellen, zijn de absolute missers. Deze vormen een bont allegaartje. Er zijn vrolijke combinaties bij (‘engel trampoline’ en ‘dansen en fysica’) en ook zoektermen die me inspiratie geven voor nieuwe posts (‘waarom draait de aarde rond de zon’, ‘wat is een getal’, of ‘filosofische vragen’). Er blijken erg jonge mensen aan de computer te zitten; zij zoeken bijvoorbeeld naar ‘alis in wonder lant’. Er staan ook prachtige neologismen op de lijst, zoals ‘infanticimaal’. (Omdat het zowel doet denken aan ‘infinitesimaal‘ als aan ‘infantiel’, stel ik als definitie voor dit woord voor ‘even onbeduidend als kinderachtig’; je kunt het bijvoorbeeld gebruiken in deze zin: “Ach, doe toch niet zo infanticimaal!”) En er zijn combinaties bij die zelfs mijn verbeelding te boven gaan: waar is iemand die ‘pearl jam kameel’ of ‘moderne loofboom’ intikt naar op zoek? En waar op internet kun je in hemelsnaam ‘een zwevende druppel bestellen’?!

Google is uw vriend.Zelf heb ik nooit les gekregen over zoeken op het internet, maar ik denk dat ik in de loop der jaren wel een aantal goede methodes heb ontwikkeld. Hierbij enkele tips.

Tip 1. Geef het niet te snel op als je onoverzichtelijk veel of juist bedroevend weinig resultaten krijgt. De eerste zoekopdracht is meer een oriëntatieronde. Als je veel resultaten ziet, weet je dat je kritischer mag zijn, met meer specifieke zoektermen. Als je te weinig resultaten ziet, moet je slim zijn en ondermeer beseffen dat de computer dat niet is. (Vragen stellen aan een zoekmachine heeft weinig zin – voor alternatieven: zie Tip 4).

Tip 2. Leer de opties van je favoriete zoekmachine kennen en gebruik ze. Zelf gebruik ik meestal Google, dus mijn tips zijn daarop afgestemd. Na de eerste zoekopdracht krijg je pas de optie “Geavanceerd zoeken”: probeer dit eens en kijk welke codes er worden toegevoegd in je zoekopdracht. Opties die je vaak gebruikt, kun je dan in het vervolg meteen zelf toevoegen (voorbeelden hiervan staan in Tips 4 en 5).

Tip 3. Gebruik de juiste middelen. Een voorbeeld: als je een nieuwe achtergrond zoekt voor je bureaublad, begin je bij Google Afbeeldingen en zet je de gewenste grootte op maximum. (Als je dit super evident vindt, is dat des te beter, maar er zijn mensen die zoeken naar ‘plaatjes …’ of ‘foto’s van …’.) Met dubbele aanhalingstekens geef je aan dat de opgeven woorden in precies die vorm en in die volgorde moeten voorkomen. (Dit is dus handig om opdrachten te verfijnen, niet als je toch al nauwelijks resultaten had.) Voor informatie over films kun je op imdb zoeken. En Wikipedia is een goed startpunt om feiten te vinden over eender welk onderwerp (al kom je er uiteindelijk altijd bij filosofie terecht).

Tip 4. Vragen intikken zoals je ze aan een persoon zou stellen, is vaak niet de beste manier om op internet te zoeken. Stel je voor waar de informatie die je zoekt te vinden zou kunnen zijn en stem je zoekmethode hierop af. Zelf vind ik deze tip cruciaal, maar omdat het moeilijk is om deze in het algemeen uit te leggen, geef ik twee voorbeelden:
– Eerste voorbeeld: als je de openingsuren zoekt van een winkel, zouden die kunnen staan op de website van de winkel zelf, of in de gouden gids of aanverwanten. Dan kun je gewoon op internet zoeken (naam van de winkel plus stad).
– Tweede voorbeeld: als je het soort informatie zoekt waar lessen over gegeven worden (genre “Hoe werkt een gsm?”), dan staat dit vast wel ergens in een boek, maar het zou ook handig kunnen zijn om een dia-presentatie van zo’n les te vinden. Je kunt dan het gewenste bestandstype toevoegen in de zoekopdracht. Voor een pdf-bestand wordt dit ‘filetype:pdf’, voor een Powerpoint-presentatie ‘filetype:ppt’ (zonder de aanhalingstekens, uiteraard).

Zoeken binnen een browservenster of document doe je met Ctrl + F.Tip 5. Zoek binnen een website. Het kan gebeuren dat je wil zoeken binnen een bepaalde website, maar dat deze geen, of geen goede zoekfunctie heeft. In Google kun je dit oplossen door een stuk van de gewenste URL op te geven. Zoeken binnen mijn website doe je bijvoorbeeld door ‘site:sylviawenmackers.be’ toe te voegen aan je zoektermen.
Stel, je bent eindelijk op de goede webpagina aangekomen, maar er staat wel erg veel tekst op… Zoek dan binnen de pagina nog eens naar het cruciale trefwoord: met Ctrl + F (of Cmd + F op Mac) open je het zoekveld (in heel wat programma’s trouwens, niet enkel in de internetbrowser). Een Amerikaanse zoek-antropoloog (ja, dat bestaat blijkbaar!) verklaarde onlangs dat zo’n 90% van de Amerikanen nooit Ctrl + F gebruikt. Ik zie geen reden waarom dit in Europa anders zou zijn. Stel je eens voor hoeveel zoektijd we collectief kunnen besparen met dit eenvoudige trucje!

Tip 6. Benut alle troeven die je hebt. Technologie is handig, maar je moet ook je eigen capaciteiten aanspreken. Denk na over synoniemen, specifiekere of juist algemenere woorden, … Als je Engels spreekt, heb je meteen een veel groter speelveld op internet; zelf zoek ik bijna altijd aan de hand van Engelse termen, omdat er zo veel meer websites en documenten in het Engels dan in het Nederlands te vinden zijn. Maar ook als je een mondje Frans of Duits spreekt, of een andere taal, kun je je geluk beproeven en je zoekopdracht eens in die taal ingeven. Niets belet je om ook eens een andere zoekmachine te proberen (Wolfram-alpha is leuk!), of om een collega eens te laten proberen.

Tip 7. Leer bij uit succesvolle zoekopdrachten (van jezelf, maar ook van die collega die je ter hulp hebt geroepen). Als je voor een bepaald soort vragen vaak het antwoord hebt gevonden in een figuur of in een boek, dan kun je de volgende keer best meteen naar Google Boeken of Google Afbeeldingen gaan. Als je – zoals ik – vaak op een pdf-bestand uitkomt, kun je de resultaten tot dit bestandstype beperken (zie Tip 4).

Nu ik alle tips hebt opgelijst, wil ik toch nog eens op die cruciale, ietwat mysterieuze Tip 4 terugkomen. Deze tip gaat uit van een soort optimisme: je moet ervan uitgaan dat de informatie die je zoekt ergens op internet staat. (Anders heeft het trouwens helemaal geen zin om Google of een andere zoekmachine te gebruiken.) Om het in een slogan te zeggen, komt het dus hierop aan: “Stop met zoeken en begin met vinden!” Hoe meer je Tip 7 toepast – leren uit je successen -, des te beter zul je dit ook in de praktijk kunnen brengen. Als je de pagina met de gewenste info als het ware al voor je ziet, lijkt het zoeken meer op iets terugvinden dat je al eens ergens hebt gezien. En dat is veel gemakkelijker.

Heb je zelf een goede tip? Laat maar achter in de commentaren. Ik leer zelf nog graag bij!

Eed voor boekenwurmen

In Lyra's Oxford vertelt deze alethiometer de waarheid.In Oxford start vandaag het nieuwe academiejaar. Het jaar is verdeeld in drie periodes van telkens acht lesweken. Vandaag begint de eerste week van de eerste lesperiode (Michaelmas Term). Voor mij is het ook de eerste dag van een studieverblijf hier. Zeer toepasselijk zit ik in een oude bibliotheek terwijl ik dit schrijf: de Bodleian Library. Het is een prachtig gebouw met veel boeken, maar ook houten tafels om boeken te consulteren, te studeren, of op je laptop te werken.

Voor ik hier naar binnen mocht, moest ik een bibliotheekkaart aanvragen. Met een brief kon ik bewijzen dat ik de status van Visiting Philosopher heb. Er moest ook een formulier ingevuld en ondertekend worden en een pasfoto gemaakt. Tot dusver weinig onverwachts. In het formulier dat ik intussen ondertekend had, stond al dat ik beloofde om geen boeken te stelen, te beschadigen, of overlast te veroorzaken. In Oxford nemen ze daar echter geen genoegen mee: je moet de eed ook  hardop zeggen, in je moedertaal. Hiervoor hebben ze een boekje met vertalingen van de eed. Zo heb ik dus ondermeer plechtig beloofd geen vuur of vlam in de bibliotheek binnen te brengen. De man van het toelatingsbureau zat er onbewogen bij terwijl ik het stukje in het Nederlands oplas. Ik had veel zin om de tekst een beetje aan te passen en ook beloven dat ik de eenhoorns zou voederen, maar dat heb toch maar achterwege gelaten. (Stel dat ze me daar aan houden – ik weet niet eens wat eenhoorns eten!)

In een parallelle wereld loopt Lyra over de daken van de colleges in Oxford.Tot vóór vandaag was het enige Oxford dat ik kende, de stad met die naam uit een parallel universum: het Oxford van Lyra Belacqua en haar dæmon Pantalaimon uit de trilogie “His Dark Materials” van Philip Pullman (waarvan het eerste deel werd verfilmd als “The Golden Compass“). In de boeken is Lyra is een meisje van elf dat opgevoed wordt aan Jordan College. In het Oxford uit ons universum zijn er heel wat colleges, maar geen enkel daarvan heet Jordan. Philip Pullman haalde zijn inspiratie voor deze plaats echter wel uit het echte Oxford en wel bij Exeter College, waar hij zelf studeerde. Het fictieve Jordan College ligt naast de Bodley’s Library. En ja, hoor: hier ligt Exeter College ook vlak naast de Bodleian Library, waar ik nu zit. De filmscènes uit “The Golden Compass” die zich in en rond Jordan College afspelen, werden dan ook hier vlakbij opgenomen.

Ik zal extra goed opletten als ik straks naar buiten ga: misschien vind ik wel ergens een alethiometer – dat komt voor een onderzoeker altijd wel van pas. :)

Ada Lovelace en sterke moeders

Ada Lovelace was wiskundige en ze ontwikkelde het eerste computerprogramma... in 1843.Gelukkige Ada-Lovelace-dag!

Vandaag, vrijdag 7 oktober, staat in het teken van Ada Lovelace (het moet niet altijd Marie Curie zijn) en met haar alle vrouwen die in STEM-vakgebieden werken. STEM staat voor ‘Science, Technology, Engineering and Mathematics’. In al deze vakgebieden – natuurwetenschappen, technologie, ingenieurswetenschappen en wiskunde – vormen vrouwen tot op heden een minderheid. De website van de Ada-Lovelace-dag roept op om vandaag over wetenschapsvrouwen te bloggen. (De vorige twee jaar werd er al eens zo’n blogdag georganiseerd, maar dan op 24 maart.) Er zijn ook speciale activiteiten in Londen; helaas passeer ik daar pas over twee dagen.

Mijn eigen keuze voor fysica werd sterk gestuurd door mijn voorliefde voor sciencefiction: als tiener was mijn favoriete auteur Isaac Asimov, bekend van de robotverhalen (I, Robot werd ook verfilmd) en de Foundation-reeks. Omdat Asimov ook populair-wetenschappelijk boeken over astrofysica schreef, dacht ik dat hij astrofysicus was. Ik ging fysica studeren omdat ik dan net als Asimov over leuke dingen zou kunnen schrijven. (En toch heb ik na mijn studie nog tien jaar gewacht om met een blog te beginnen – stom!) Vorig jaar pas las ik de biografie van Isaac Asimov. Toen kwam ik erachter dat hij helemaal geen astrofysicus was, maar biochemicus. Dat verzin je toch niet?! Het leven kan raar lopen…

Ik ben altijd graag fysica geweest, al hebben sommige vrouwen minder positieve ervaringen (zie ook deze post). Intussen werk ik aan de faculteit Filosofie, niet meer binnen STEM dus. In de Theoretische Filosofie blijken vrouwen net zo in de minderheid als in STEM – al hebben we in Groningen wel een vrouwelijk departementshoofd.

In juni schreef ik al over de zomerschool die door de European Women in Mathematics georganiseerd werd in Leiden (hier, hier en hier). Ada Lovelace was daar ook al de mascotte. Op één van de sessies over vrouwen in STEM-vakgebieden werd aan de deelnemers gevraagd om onder elkaar te bespreken waarom zij wiskunde (of fysica in mijn geval) waren gaan studeren. In ons groepje zat een Chinese wiskundige. Zij was wiskunde gaan studeren op advies van haar vader. Voor de Duitse wiskundige in ons groepje was wiskunde haar favoriete vak geweest op de middelbare school; ze had er eigenlijk nooit bij stilgestaan dat dit een ongebruikelijke keuze was voor een meisje. Ik deed mijn Asimov-verhaal. Daarna nam de gespreksleidster terug het woord. “Als ik deze vraag stel”, zei ze, “vertellen de meeste mensen iets over gebeurtenissen van tijdens de laatste jaren van de middelbare school. Maar vóór die tijd hebben er al heel wat meisjes beslist dat STEM niets voor hen is.” Ze was dan ook van mening dat onderzoek niet enkel moet focussen op waarom sommige vrouwen wel voor STEM kozen, maar minstens evenveel moet kijken naar waarom zo veel meisjes wiskunde of wetenschap uit hun vakkenpakket schrappen. Zo kwam er een gesprek op gang over stereotypen en vooroordelen.

Uiteindelijk gaat het om diversiteit.Ook mannen kunnen een goed rolmodel zijn voor jonge vrouwelijke wiskundigen, vond een deelneemster op de zomerschool. Dat is natuurlijk zo. Mijn stelling voor de Ada-Lovelace-dag is dat hetzelfde geldt voor sterke vrouwen die zelf niet in STEM werken. Omdat ik het zonder haar niet beseft zou hebben, moet ik beginnen bij het verhaal van Deense wiskunde A., die ook op de zomerschool was.

Op de suggestie om ook naar zeer vroege invloeden te kijken, reageerde A. als volgt. “Ik heb me helemaal nooit aan vrouwelijke wiskundigen of wetenschappers gespiegeld. Er waren zo geen rolmodellen in mijn leven. Maar door er nu over na te denken, viel opeens het kwartje: mijn moeder stond thuis aan het hoofd van een boerderij. Dat was heel ongebruikelijk; alle andere boerderijen in de omtrek werden door de man van het gezin gerund, maar mijn vader ging gewoon naar kantoor. Ik had dus wel een sterk vrouwelijk rolmodel in mijn leven: mijn moeder. En al was zij helemaal niet geïnteresseerd in wiskunde, zij heeft me getoond dat je als vrouw eender welk beroep kunt doen. Wat gek dat ik dat nu pas besef.”

Bij mij viel het kwartje nog iets later: pas toen A. dit vertelde, besefte ik dat ik een soortgelijke situatie zat. Heeft mijn moeder me niet altijd verteld dat ze als enige vrouw op de bus naar de Ford-fabriek zat? Dat ze er ook bandleidster was? Toch niet slecht voor een ongeschoolde arbeidster… Als ze me iets heeft getoond, is het dus wel dat je als vrouw eender in welke sector kunt gaan werken en er de broek kunt dragen (ook letterlijk trouwens). Mijn moeder heeft niet mogen studeren. Als ze dat wel had gemogen, was ze verpleegster of stewardess willen worden, zegt ze. Typisch zachte beroepen uit overwegend vrouwelijke sectoren dus. Maar je studiekeuze hangt ook af van je voorkennis. Toen ik dertien was – de leeftijd waarop mijn moeder uit moest gaan werken – wist ik nog niet eens wat fysica was, laat staan dat ik het had willen gaan studeren. Mijn moeder is ongeschoold, ze heeft dus zelfs geen snit-en-naad gehad, maar toch heeft ze zichzelf geleerd om patronen te tekenen. Ze kan van helemaal niets iets maken. Is dat niet wat ingenieurs ook doen? Ze kan een ingewikkeld haakwerk reverse engineeren en het dus zonder patroon namaken (en ondertussen zelfs een beetje verbeteren). Is het herkennen van patronen niet iets wat typisch met wiskunde en wetenschappen wordt geassocieerd? Waarom heet het techniek als het met kabeltjes of bouten is, maar huisvlijt als het met stof en draad is?

Ik weet het best: mijn moeder zal lachen als ze dit leest. “Het is toch maar een handwerkje, wat jij doet is toch iets helemaal anders?” zal ze zeggen. Vergelijken is sowieso niet fair, want ik ben wél naar school mogen gaan en daarna naar de universiteit. Ik ben mijn ouders hier heel dankbaar voor. Ook mijn vader wist wat het was om wel te willen maar niet te mogen verder studeren. Zijn vader stierf en in een gezin van zes kinderen betekent dat: gaan werken of verhongeren. Hij heeft nog wel een diploma als elektricien kunnen behalen bij het leger, maar aan de universiteit studeren zat er financieel niet meer in.

Hoe zat het met de moeder van Ada Lovelace? Ook zij was een sterke vrouw. Annabella Milbanke (en later barones Wentworth) heette ze en ze verliet haar man, de dichter Lord Byron, om alleen voor Ada te zorgen vanaf dat het meisje één maand oud was. Ada’s moeder wou te allen prijze verhinderen dat het meisje dezelfde weg op zou gaan als haar waanzinnige (volgens Annabella) vader. Geen poëzie dus voor Ada, maar een stevige opleiding in de wiskunde.

In die zin was ik beter af dan Ada: ik mocht studeren wat ik maar wou; er was thuis geen specifiek vooroordeel voor of tegen STEM-vakken. Poëzie of fysica? Dat mocht ik volledig zelf kiezen. Het geldt voor alle keuzes en voor alle minderheden: gewoon zelf mogen kiezen is het allerbeste. Maar om te kunnen kiezen moet je wel kansen krijgen. Omdat ik vind dat elk kind naar school moet kunnen gaan, stel ik voor om deze Ada-Lovelace-dag te vieren met een storting voor Unicef (ze hebben diverse projecten rond onderwijs en gender-evenwicht).

[De citaten in dit stukje zijn met een korrel zout te nemen: de zomerschool is al een tijdje geleden en de voertaal was er Engels. De kans dat de deelnemers dit letterlijk zo hebben gezegd is dus exact nul. Ook is autobiografische informatie notoir onbetrouwbaar; ik kan alleen maar schrijven wat ik denk te weten.]

Waarom draait de wereld?

Als het in Europa al nacht is, is het in Amerika nog dag.Vorige week was ik in Tilburg voor een tweedaags congres ‘Formal Epistemology Meets Experimental Philosophy‘ (FEMEP). Het was erg interessant, maar in mijn zoektocht naar inspiratie voor een blogpost bleek de reis de bestemming. Ik ging naar Tilburg met de trein. In België hebben we voorlopig enkel de Metro (weliswaar in het Nederlands en het Frans), maar in Nederland hebben ze meerdere gratis kranten voor spoorreizigers. Zo blader ik er wel eens door Metronieuws, Spits, of De Pers. Al deze dagbladen brengen voor een groot deel dezelfde korte berichten en roddels. Onder het mom van “wetenschapsnieuws” plaatsen ook veel betalende kranten flitsberichten over curcieuze onderzoekjes zoals: de invloed van de kleur van het middageten op nachtmerries. (Oké, dit voorbeeld heb ik verzonnen, maar je weet vast over welk soort nieuwtjes ik het heb!)

Vorige week was er weer zo’n nieuwtje: het blijkt slecht te gaan met de biologiekennis van Nederlandse basisschoolleerlingen. Ook de andere kranten brachten dit nieuws, maar journaliste Puck Roest van Metronieuws besloot het bericht te illustreren met vijf voorbeeldvragen en ons meteen het juiste antwoord mee te geven. Het verspreiden van wetenschappelijke kennis, al is die van basisschoolniveau, is een mooie zaak. Leuk idee, dacht ik nog, tot ik het stukje las…

De eerste vraag was: “Waarom verliest een boom zijn bladeren in de herfst?” Oei, meteen een waarom-vraag. Die kunnen best pittig zijn, al hangt het er natuurlijk van af wat voor antwoord je verwacht. Met deze woordvolgorde – die de nadruk lijkt te vestigen op ‘in de herfst’ – ben ik geneigd een flauw antwoord te geven: omdat als bomen in de zomer hun bladeren zouden verliezen, ze te weinig zonneënergie krijgen en sterven. Dit flauwe antwoord kun je echter tot een wetenschappelijk antwoord uitbouwen. Vanuit evolutionair oogpunt kun je je verschillende voorlopers van de moderne loofboom voorstellen met verschillende aanleg tot bladval. De exemplaren die hun blaadjes in de winter vasthielden vroren dood, de exemplaren die in de zomer hun blaadjes lieten vallen zijn ook uitgestorven, … Enkel de best aangepaste loofboomsoorten zijn blijven bestaan.

Om het ‘waarom’ te snappen, moet je eigenlijk ook het ‘hoe’ weten. Maar welke processen in de boom ervoor zorgen dat de blaadjes vallen, weet ik zelf helemaal niet. Snel het antwoord lezen dus. Metronieuws houdt het erbij dat de boom zo verhindert dat er in de winter water en voedingsstoffen verdampen via de bladeren. Dit is ook het juiste antwoord volgens deze clip van SchoolTV. Nu vind ik het best bizar om een waarom-vraag met een doeloorzaak te beantwoorden, maar teleologische verklaringen schijnen moeilijk te vermijden te zijn in de biologie. En als die kinderen nog niet rijp zijn om de nuances van evolutie te begrijpen, is dat misschien een pedagogisch verantwoorde aanpak.

Ik heb een trauma opgelopen aan waarom-vragen. Ik zat nog op de lagere school toen ik een stukje heb gelezen dat ging over een paard dat een kar trekt en telkens dieper inging op hoe dit mogelijk is. Het begon met de uitvinding van het wiel en uiteindelijk kwam het uit bij de zon, die de gewassen doet groeien, die het paard de energie geven om de kar te trekken. De moraal van het verhaal was dat je niet te snel moet denken dat je begrijpt waarom iets gebeurt. Deze conclusie maakte een verpletterende indruk op mijn kinderzieltje en het is best mogelijk dat ik hier nog steeds niet volledig van ben bekomen.

Hup, tweede vraag: “Waarom is een spin geen insect?” Ik weet wel dat een spin twee pootjes meer heeft dan een insect, maar ook hier vind ik een ‘waarom’-vraag niet helemaal gepast. Ik zou de vraag herformuleren als: “Wat is het verschil tussen spinnen en insecten?” De categorie ‘insect’ is door mensen gemaakt en zegt eigenlijk weinig over de aard van de diertjes zelf. Er zijn trouwens ook classificaties waartoe zowel insecten als spinnen behoren: geleedpotigen, bijvoorbeeld. Sommige oude classificaties blijken bij verder genetisch onderzoek trouwens onterecht.

Zo ziet een spin er aan de onderkant uit.

Zo ziet een spin er aan de onderkant uit. Een spin heeft acht poten, in tegenstelling tot insecten die er maar zes hebben.

De echte schok kwam bij vraag vier: “Waarom is het ’s nachts donker en overdag licht?” Volgens de krant is het antwoord: “Omdat de aarde om de zon heen draait.” Dit heeft er echter niets mee te maken! De aarde draait wel om de zon, maar dat duurt een jaar en het is elke nacht donker. Het verschil in dag en nacht ontstaat natuurlijk doordat de aarde elke 24 uur om haar eigen as draait.

Op terugweg uit Tilburg, een dag later, bladerde ik weer door de kranten. Gelukkig is het met de wetenschappelijke kennis van sommige lezers nog niet zo slecht gesteld: er stond een lezersbrief in Metronieuws die netjes het juiste antwoord op de dag-en-nacht uitlegde. Deze lezer vroeg zich ook af wat die vraag eigenlijk met biologie te maken heeft…

Ook GeenStijl maakt zich vrolijk over de misser. Ze linken naar dit vrolijke filmpje van SchoolTV dat het fenomeen van dag en nacht precies uitlegt op basisschoolniveau.

O ja, het antwoord op de vraag in de titel van dit stukje is: om haar as. ;-)

Oplossing fotoraadsel en een keukenproefje

Twee weken geleden vroeg ik jullie om mee te raden naar wat er op deze foto staat:

Rara, wat is dit?

Is het de nieuwe diamantplaneet? Of een abstract kunstwerk? Of nog iets helemaal anders???

Er kwamen 13 reacties: 2 op dit blog, 4 via Weetlogs en 7 via Facebook. Vandaag is het tijd voor de ontknoping…

Proficiat aan Steven Vanhullebusch, die met het juiste antwoord kwam: het is inderdaad de bodem van een ketel waarin spaghetti werd gekookt. Als bewijs toon ik hieronder een foto die op dezelfde dag is gemaakt:

Geen planeet, maar de bodem van een ketel.

Welkom op de spaghettiplaneet.

De foto was niet bewerkt, behalve dat ik de context van het beeld had verstopt onder een zwarte rand. Hierdoor werd het zeer moeilijk om de schaal van het voorwerp in te schatten; het kon immers gaan om een opname door een microscoop (suggestie van Thommy S) of door een telescoop (al wisten Youri Vassiliev en Frank Witsel de mogelijkheid van een planeet goed te weerleggen). Het voorwerp kon hol (binnenkant van een schelp) of bol (zeepbel, parel, knikker, …) lijken, maar was dus gewoon plat.

De mooie kleuren die achterblijven in de ketel na het koken van spaghetti fascineren me telkens weer, maar ik vreesde dat ik de enige mens op aarde was die daar foto’s van maakt… Ik kon mijn geluk dan ook niet op toen ik het werk van de Noorse fotograaf Christopher Jonassen ontdekte. Voor zijn boek “Devour” (hetgeen ‘verslinden’ betekent) maakte deze kunstenaar foto’s van verweerde en bekraste bodems van pannen, die hij vervolgens als hemellichamen presenteert. Zo kwam ik dus op het idee voor dit fotoraadsel.

Hoewel het voorwerp op de foto geen zeepbel is – al dan niet gevuld met rook – (gok van Reinout en Pat Mons), geen parel (gok van Danny) of binnenkant van een schelp (gok van Thommy S), geen knoop (gok van Ginette De Veerman) en evenmin een knikker (tweede gok van Pat Mons), krijgen deze pogingen toch een eervolle vermelding. Al deze voorwerpen hebben namelijk iets gemeen met de bodem van een spaghettiketel: hun parelmoerkleuren. De kleuren zijn in al deze gevallen te danken aan hetzelfde fysische fenomeen: interferentie van licht in dunne lagen.

Om te begrijpen hoe de kleurpatronen in een ketel ontstaan, kunnen we best even opfrissen hoe een regenboog ook alweer ontstaat. Zowel zonlicht als het licht van een lamp bestaan uit verschillende kleuren en elk van deze kleuren licht heeft een eigen golflengte. Zo heeft rood licht een langere golflengte dan blauw licht. Wanneer een lichtstraal schuin invalt op het contactoppervlak tussen twee materialen met een verschillende dichtheid (bijvoorbeeld tussen lucht en glas), gaat de straal niet rechtdoor, maar buigt ze af (‘lichtbreking‘ of ‘refractie’). De brekingshoek is niet alleen afhankelijk van de dichtheden, maar ook van de kleur van het licht (‘dispersie‘). Wanneer wit licht op een prisma invalt, zullen de langere golflengten (bv. rood licht) minder gebroken worden dan de kortere golflengten (bv. blauw licht). Zo kun je het spectrum van het licht zichtbaar maken: de kleuren die in de oorspronkelijke witte straal zitten, worden daarbij uit elkaar gehaald. Als de zon schijnt op regendruppels, werkt elke druppel als een klein prisma en zo ontstaat er een regenboog.

Als wit licht invalt op een prisma, wordt de blauwe kant van het spectrum sterker gebroken dan de rode kant.

Als wit licht invalt op een prisma, wordt de blauwe kant van het spectrum sterker gebroken dan de rode kant. (Bron van de animatie: http://commons.wikimedia.org/wiki/File:Light_dispersion_conceptual_waves.gif.)

Wanneer een lichtstraal op een transparant materiaal invalt, splits deze zich in twee: een deel zal van de straal op het oppervlak weerkaatsen (‘reflectie‘) en het andere deel zal in het materiaal doordringen en gebroken worden (‘refractie’). Stel je nu een dunne laag van een transparant materiaal voor, olie bijvoorbeeld. Stel dat er licht op invalt van één welbepaalde golflengte (‘monochromatisch licht‘). Dan vertrekken er van het oppervlak van de olie twee lichtstralen: één lichtstraal die van de bovenkant van de olielaag weerkaatst en één lichtstraal die van de onderkant van het laagje olie weerkaatst (zie dit plaatje). Deze tweede lichtstraal heeft een langere weg afgelegd (twee keer door de dikte van de olie). Licht kan voorgesteld worden als een golf en wanneer twee golven samenkomen (‘superpositie‘), kunnen deze elkaar uitdoven of versterken (‘interferentie‘). Als de golflengte van het gebruikte licht een geheel aantal keer past in de extra weglengte van de tweede lichtstraal (die samenhangt met de dikte van de laag), zullen beide golven in fase zijn en zal er versterking optreden; als de extra weglengte op een geheel aantal plus een halve golflengte uitkomt, zullen de golven in tegenfase zijn en elkaar uitdoven. (Dit is althans het eenvoudigste geval; als er fase-omkering gebeurt, is het precies andersom.) Alle andere gevallen geven iets ertussenin: geen volledige versterking, maar ook geen volledige uitdoving.

Wanneer er nu wit licht invalt op de dunne, transparante laag, dan geldt bovenstaande redenering voor elke golflengte afzonderlijk: bij een bepaalde laagdikte worden sommige kleuren versterkt, terwijl andere worden uitgedoofd. Kijk maar eens naar hoe het licht weerkaatst op een CD- of DVD-schijfje: de transparante beschermlaag op de CD is overal precies even dik en zorgt voor zeer heldere ‘regenboogkleuren’. (Tussen aanhalingstekens, want het zijn niet zoals bij een regenboog spectraal zuivere kleuren!) Als de laagdikte van plaats tot plaats varieert, ontstaan de typische gewolkte patronen van parelmoerkleuren van olie op water, zeepbellen, parels én de bodem van een spaghettiketel (‘iriseren‘).

Als je een beetje rondkijkt in de keuken, kun je overal mooie kleuren zien. Je kunt zo’n kleurrijke vlek trouwens fixeren op papier: laat een druppel transparante nagellak vallen op een kom water en schep de vlek op met donker karton (meer uitleg op deze Engelstalige website). Interferentie is niet alleen mooi, het is ook nuttig: met de interferometer van Michelson (ooit bedacht om het bestaan van ether te bewijzen) kun je de lichtsnelheid bepalen. Ook de antireflectielaag van brilglazen, die groene of paarse reflecties kan veroorzaken, werkt op het principe van interferentie. Meer lezen? Deze website legt interferentie in dunne films eenvoudig uit (in het Engels).

Jullie kunnen me helpen met een eenvoudig experiment in de keuken.Met de uitleg over interferentie in dunne films is één cruciale vraag onbeantwoord gebleven: waaruit bestaat de dunne laag in kwestie dan? Wat blijft er achter op de bodem na het koken van spaghetti? Is het zout, olie, of zetmeel? Om eerlijk te zijn, weet ik het niet zeker! Volgens Steven Beeson en James Mayer is het laagje afkomstig van het toegevoegde zout en bestaat het uit natriumoxide (op pagina 96 van het boek “Patterns of light“). Ook deze bron houdt het bij een oxide, maar dan van de ketelbodem zelf.

Ik kan me – met de beste wil van de wereld – niet meer herinneren of er zout danwel olijfolie aan te pas is gekomen, die keer dat ik die foto heb gemaakt. Gebrekkige administratie is natuurlijk geen goede manier om een wetenschappelijk experiment te doen. Daarom een oproep aan jullie, beste lezers. De volgende keer dat je pasta kookt, wil je dan een reactie posten als er mooie kleurtjes op de bodem te voorschijn komen? Zo ja, zet er dan bij:

  • of je zout of olie/boter hebt toegevoegd,
  • welk soort pasta het was,
  • van welk materiaal de ketel is gemaakt (als je dit weet).

Dan kunnen we er misschien samen achterkomen waaruit het dunne laagje bestaat dat voor de parelmoerkleuren zorgt in onze spaghettiketels. (Crowdsourcing schijnt hip te zijn, ook in het onderzoek.) Foto’s posten van mooie resultaten mag natuurlijk ook altijd. :)

Wetenschap is leuk om over te lezen, maar nog leuker om te doen – zeker als je het resultaat gewoon kunt opeten. Hartelijk dank alvast voor de reacties en laat het smaken, hè!

10 Tips voor nieuwe universiteitsstudenten

Samen studeren aan de UGent in de Therminal.In Gent is er altijd iets te beleven, maar als ik deze dagen uit mijn raam kijk, is er toch net iets meer beweging te zien dan anders. Het komt niet enkel door het prachtige nazomerweer: als ik naar het station wandel, is het drummen op de stoep. En het lijkt wel of er daar nog meer fietsen staan dan anders. (Ik zou daar toch mee beginnen opletten, hoor! Voor je het weet klapt die hele fietsenstalling in elkaar onder haar eigen massa en ontstaat er, poef, een zwart gat achter het station.) Ja hoor, het academiejaar is weer begonnen aan de universiteit van Gent.

Eén van de wiskundeblogs die ik graag lees is Division by Zero van de Amerikaanse professor David Richeson, die leuke vakken geeft zoals “Science or nonsense?“. In dit bericht geeft hij advies voor nieuwe studenten en dit vond ik zo’n goed idee dat ik hier mijn eigen versie ga geven: dingen die ik niet wist toen ik aan mijn opleiding begon, maar graag had willen weten.

1. De mensen die oefenzittingen en practica begeleiden, zijn je assistenten. Spreek hen aan met ‘meneer’ of ‘mevrouw’, of met hun voornaam als ze dat zelf aangeven. De meeste assistenten spenderen slechts een klein deel van hun tijd aan onderwijs; voor de rest doen ze aan onderzoek, waarover ze wetenschappelijke artikels schrijven en presentaties geven op conferenties. De meerderheid van de assistenten zijn doctoraatsstudenten: zij hebben een Master-diploma op zak, maar moeten nog bewijzen dat ze zelfstandig aan onderzoek kunnen doen. Na enkele jaren bundelen ze hun resultaten tot een scriptie, die ze openbaar voor een jury verdedigen. Zodra de verdediging succesvol hebben afgerond, mogen ze ‘dr.’ (doctor) voor hun naam zetten. Een minderheid van de assistenten is al gedoctoreerd; zij worden postdocs genoemd. Vraag op een rustig moment gerust eens aan je assistent naar zijn of haar onderzoek. Doorgaans zal dit een enthousiast verhaal opleveren en voor jou als student is het een interessante manier om insider informatie te krijgen over je toekomstige vakgebied.

2. De mensen die het hoorcollege geven, zijn (doorgaans) professor. Spreek hen aan met ‘professor’. Hoewel de meesten het je niet kwalijk nemen als je ‘meneer’ of ‘mevrouw’ zegt, is ‘professor’ zeggen wel een teken van respect: besef dat slechts een minderheid van de postdocs ooit professor wordt. Wees in elk geval vriendelijk, want proffen zijn ook mensen – en ze onthouden gezichten. ;-) Professoren doen niet enkel aan onderwijs en onderzoek, maar zijn ook groepsleider: ze sturen doctoraatsstudenten en postdocs aan in een bepaald onderzoeksdomein, ze schrijven nieuwe onderzoeksvoorstellen om financiering te voorzien en zitten meestal in diverse bestuursraden. Ook deze mensen kun je op een rustig moment (dus niet tijdens de les) eens vragen naar hun huidige onderzoeksgroep of op welk onderwerp ze zijn gedoctoreerd.

3. Ga naar de les en kom op tijd. Ja, er zijn vakken waarvoor je kunt slagen door enkel de gedrukte cursus te studeren, maar dit weet je niet op voorhand… Ga dus naar de les en maak notities: sommige professoren vragen bij voorkeur wat er niet in de gedrukte cursus staat. (Meestal laten ze dit duidelijk genoeg merken, dus je moet nu ook weer niet gaan vrezen dat ze een bijzin van een bijzin gaan vragen op het examen.) Als je door overmacht lessen heb gemist, vraag dan notities aan medestudenten. Val de prof of assistent hier niet mee lastig, tenzij je natuurlijk een onderdeel met verplichte aanwezigheid gemist hebt (zoals een practicum): stuur dan (indien mogelijk) een e-mail op de dag zelf en lever achteraf een ziekenbriefje in bij het secretariaat.

4. Lees je e-mails – ook die van je universiteitsadres – en check geregeld het online leerplatform (Blackboard, Minerva, of hoe het ook heet aan jouw instelling), maar niet tijdens de les. Zet het geluid van je gsm af tijdens de les en neem geen gsm mee naar een examen.

5. Als je een assistent of professor moet e-mailen, doe dit dan op een correcte manier, d.w.z. alsof het een brief is. Begin met “Beste Mijnheer/Mevrouw/Professor <Familienaam>,” en eindig met “Vriendelijke groeten, <Voornaam Familienaam>”. Je zet er ook best je richting, jaar en groepsnummer bij. Gebruik ouderwets Nederlands, in volledige zinnen zonder afkortingen, geen sms-taal. Besef dat in het beantwoorden van e-mails veel tijd kruipt: voor vragen over de leerstof kun je meestal ook tijdens of na de les terecht bij de prof, of tijdens de oefeningen bij een assistent. Ook hebben veel vakken tegenwoordig een online forum waar je ook vragen kunt stellen. Als je veel vragen hebt, kun je ook aan medestudenten vragen om het je uit te leggen, of om een afspraak vragen bij een assistent. Besef dat je op de universiteit zelf om hulp moet vragen indien je die nodig hebt! Besef ook dat de avond voor een examen te laat is om nog met vragen af te komen over de leerstof, dus begin op tijd.

6. Probeer niet bij een kliekje te horen. Anders gezegd: probeer bij zoveel mogelijk kliekjes te horen. Je studietijd is een prima kans om nieuwe mensen te leren kennen. Je kent vast nog enkele mensen van in de middelbare school: dat is leuk, maar klamp je niet te sterk vast aan oude bekenden. Je begeeft je nu onder zoveel mensen, probeer dus overal open te staan om nieuwe vrienden te maken: in de aula, onder kotgenoten, in de studentenvereniging, op de trein of in de bus, … Probeer mensen te vinden die een goed evenwicht houden tussen plezier maken en studeren. Als je op kot mensen vindt met wie je kunt afspreken ‘tot een bepaald uur studeren en dan nog even de stad in’, dan zit je gebeiteld. (Hint: als uitgaan eerst komt, komt er van studeren daarna ook niets meer.)

7. Drank is den duvel. Student-zijn wordt geassocieerd met veel drinken, maar om plezier te maken hoef je niet noodzakelijk (veel) te drinken. Als je toch een avond stevig wilt drinken, zorg dan dat je minstens evenveel water binnenkrijgt als bier. Je laveloos drinken tot je moet overgeven of naar huis gedragen moet worden is niet stoer. Let ook op welke foto’s van jezelf er online circuleren. Als je niet wilt dat je ouders, je prof, of je toekomstige werkgever bepaalde foto’s van een dronken feestje te zien krijgen, zorg dan dat die foto’s niet gemaakt worden en als ze toch gemaakt zijn, dat ze zeker niet op Facebook staan.

8. Als je dringend een taak moet voorbereiden, of voor een examen studeren, blijf dan van het internet. Kabeltje uittrekken of de draadloze netwerkadapter uitzetten: je zult verbaasd zijn hoeveel je in een uur gedaan kunt krijgen! :-) Misschien studeer je beter in de bibliotheek, of ergens anders tussen medestudenten? Ik studeerde altijd met de radio aan (Als je dit gewoon bent, heeft dit het voordeel dat je minder last hebt van ander achtergrondgeluid.), maar het komt erop aan te ontdekken wat voor jou het beste werkt.

9. Als een resultaat tegenvalt, vraag om je verbeterde verslag of examen te mogen inkijken. Als er iets niet duidelijk is, vraag om uitleg. Probeer hieruit te leren, niet om extra punten te krijgen. (Moest er toch een fout gebeurd zijn in het quoteren, zal de assistent of prof dit zelf wel inzien en rechtzetten.)

10. Neem ook wat tijd om de stad te verkennen (dus niet enkel de Overpoort), uit te gaan eten (mijn suggestie: probeer eens Thaïs), of aan sport te doen (voor mij was zwemmen de ultieme ontspanning). Geniet ervan!

Tot slot nog een persoonlijke oproep aan studenten en andere fietsers: niet spookfietsen in een stad waar er ook trams rijden. Een jaar geleden kwam ik, door voor een spookfietsende tegenligger uit te wijken, met mijn achterwiel in het tramspoor terecht. Gelukkig kwam er op dat moment geen tram aan, maar met het been dat onder mijn pedaal belandde, kan ik nog steeds het weer voorspellen… De spookfietsende studente stapte na mijn valpartij trouwens wel netjes af om te vragen of het ging, waarvoor dank. Vandaag kwam ik weer spookfietsers tegen. Aan hen dit advies: steek over of stap gewoon even af – als het maar voor een kort stukje is, kun je toch net zo goed te voet gaan? Mijn been dankt u. En het voorspelt nog een paar dagen héél mooi weer. :-)

Heb je zelf een gouden tip voor de verse lading studenten? Laat maar weten in de commentaren.

Uit liefde voor de schoonheid

Een zeemeermin met pootjes op de deur van de Johanneskathedraal in de oude stad van Warschau.Bijna elke stad heeft het en toch staat het meestal niet in de stadsgids. Het kan groot en kleurrijk zijn, maar meestal is het klein en monochroom. Volgens sommigen is het kunst, volgens anderen vandalisme. (Sluiten die twee elkaar noodzakelijk uit, vraag ik me dan af.) Als ik van een uitstap terugkom, staat mijn geheugenkaartje weer vol foto’s van muren met een spatje verf erop. Ik heb het over graffiti – een soort knipoog voor wie als eens om het hoekje durft kijken.

Waarom doen die jonge gasten dat toch? Volgens de schildering in Figuur 1 linksboven luidt het antwoord hierop: “z milosci do piekna“. En als ik dat correct uit het Pools heb weten te vertalen – met een uitgebreide intertekstuele studie en een vleugje Google Translate – is dat niet meer of niet minder dan “uit liefde voor de schoonheid”. Net zoals de meeste graffiti’s tegenwoordig, gaat het hier om een met sjabloon gespoten afbeelding (zie ook de robot rechtsonder). Tijdens mijn vertaalzoektocht kwam ik nog een leuk woord op het spoor: “szablonowo” is Pools voor “op een niet-originele manier”. Het plaatje linksonder is niet gesjabloneerd en de maker ervan claimt ook niets over liefde of schoonheid, maar ik vond het resultaat fris en lief – en dus een foto waard.

Net zo eigen aan de stad als graffiti, zijn straatartiesten die een centje proberen bij te verdienen op de stoep. Het sciencefiction-landschap van de spuitbusartiest op de foto rechtsboven was nog niet helemaal af: er werd al krassend nog een fantasiekasteel toegevoegd aan de horizon en dieptelijnen. Met de witte spuitbus werd er een heldere lichtflits aangebracht bij de planeten in de hemel en toen was het werk klaar om te verpatsen.

Graffiti in Warschau.

Figuur 1: Graffiti in Warschau.

In Kopenhagen hebben ze een wereldberoemd beeldje dat verwijst naar “De kleine zeemeermin” van de Deense sprookjesschrijver Hans Christian Andersen. Ook in Warschau verwijzen ze naar hun stadssymbool als “syrenka“, hetgeen “zeemeerminnetje” of dus “kleine zeemeermin” betekent. De zeemeermin van Warschau is echter niet van het sentimentele type en van geen kleintje vervaard, zoals je ziet aan haar schild en opgeheven zwaard. Het beeldje op het marktplein in de oude stad (zie Figuur 2 rechtsboven) is een kopie van een ouder exemplaar dat nu veilig in het museum staat. Volgens de legende kwam de meermin uitrusten op de oever van de Wisła nabij Warschau. Ze werd echter gevangen door een koopman, die haar als kermisattractie wou exploiteren. Een visserszoon hoorde haar huilen en wist haar samen met zijn vrienden te bevrijden. Sindsdien beschermt de zeemeermin Warschau, uit dank voor de hulp van haar inwoners.

Ook in de plaatselijke graffiti vormt de zeemeermin een populair thema. Mijn favoriet is de strijdbare zee-dame op de foto linksboven. Het lijkt me geen goed idee om haar te vertellen dat ze toch een beetje naar vis ruikt… ;-) De geschilderde zeemeermin rechtsonder maakt deel uit van een muurschildering ter ere van Maria Skłodowska Curie. Vorige keer toonde ik al een foto van de muurschildering van Swanski op de blinde muur aan de Nowolipki, maar ter ere van het Marie-Curie-jaar werd er ook een muurschildering-prijsvraag uitgeschreven waarvan de winnaar nu de ingang van metrohalte ‘Centrum’ opfleurt. Het is een heel kleurrijke schildering, met zowel verwijzingen naar Marie Curie als naar de stad Warschau. Door te werken met eenvoudige, overlappende vormen, is het een soort zoekplaat geworden – na een tijdje herken je steeds meer elementen. Zo spotte ik een portret van Marie Curie, maar ook een röntgenfoto van een ribbenkast, King Kong met een proefbuisje in de hand (in plaats van de blonde vrouw) en deze zeemeermin.

Aan het koninklijk paleis wenkt de zeemeermin linksonder; ze sleurt weliswaar geen vissers de diepte in, maar argeloze voorbijgangers verlokt ze wel om met haar op de foto gaan. Deze pluchen meermin is trouwens niet het enige exemplaar met pootjes: op de deuren van de Johanneskathedraal zijn er diverse varianten te vinden, waarvan sommigen meer op een vogel dan op een vis lijken. In een informatiefolder vond ik deze verklaring: op het eerste stadswapen van Warschau uit de vijftiende eeuw stond een mythisch wezen dat half-man en half-vogel was. Pas in de achttiende eeuw werd er een half-vis half-vrouw op het wapen afgebeeld. Net als in de biologie evolueerde ook de afbeelding geleidelijk. Vandaar dat de zichtbare voeten van de poserende zeemeermin wel zo gepast zijn – ditmaal niet uit liefde voor de schoonheid, maar uit liefde voor de (kunst-)wetenschap.

Zeemeerminnen in Warschau.

Figuur 2: Zeemeerminnen in Warschau.

Aan de wieg van Marie Curie

Maria Sklodowska Curie werd meer dan een eeuw geleden geboren in Warschau.Het is september en dat betekent congresmaand op planeet Academia: de onderzoekers zijn terug uit vakantie, maar de lessen zijn nog niet begonnen aan de universiteit. Een ideaal moment dus om een conferentie te organiseren op een exotisch eiland of in een historische hoofdstad. Zodoende ben ik nu in de Poolse hoofdstad Warschau beland.

Warschau is vooral bekend van de Oost-Europese tegenhanger van de NAVO – het Warschaupact – en wordt zelden geassocieerd met gezellige terrasjes of mooie vakantieplaatjes. Zonder congres zou ik hier wellicht nooit naartoe zijn gekomen. Onbekend maakt onbemind en dat is jammer, want Warschau is zeker een bezoekje waard. Het centrum is weliswaar volledig gebombardeerd tijdens de Tweede Wereldoorlog, maar daar is anno 2011 helemaal niets meer van te merken. Het centrum van de oude stad is volledig heropgebouwd in de oorspronkelijke stijl, een verwezenlijking die “het wonder van Warschau” wordt genoemd. Het plein rond het beeldje van de zeemeermin uit het wapenschild van Warschau fungeert als een levendig centraal punt: een Poolse versie van de Gentse Korenmarkt. Even verderop heb je het koninklijk paleis, ook gelegen aan een prachtig plein (zie Figuur 1).

Hoewel Polen sinds 2004 tot de Europese Unie behoort, is de euro hier (nog) niet ingevoerd. Betalen doe je dus in de Poolse munteenheid: de złoty. De prijzen zijn hier lager dan in België, het eten is er even lekker en ze brouwen hier ook goed bier. Opschriften in het Pools zijn voor Nederlandstaligen vrij goed te begrijpen; de gesproken variant is zonder babelvisje niet te verstaan, maar tramchauffeurs en winkelbediendes praten een mondje Engels, dus grote problemen zijn er niet te verwachten. Een aanrader dus voor je volgende citytrip!

Nieuwe stad in Warschau.

Figuur 1: Het oude stadscentrum van Warschau heeft pleinen waar het heerlijk toeven is. Het koninklijk paleis werd vernietigd tijdens de Tweede Wereldoorlog, maar is volledig heropgebouwd.

Als fysicus is er nog een goede reden om Warschau te komen verkennen: hier stond immers de wieg van Marie Curie, al heette ze toen nog Maria Salomea Skłodowska. Meteen al bij de uitgang van het vliegveld hing er een affiche die vermeldt dat Maria Skłodowska-Curie hier in Warschau geboren werd. Op de affiche zit ze als een spookachtige verschijning in zwart-wit op een bankje in een full-color metrostation. Door het verschil in mode met een eeuw geleden lijkt het net of ze in nachtjapon zit en dan nog met zo’n grijs gezicht: ik vind het resultaat eerder griezelig dan wervend. Mijn excuses! Nog volgens de affiche zou 2011 het jaar van Maria Skłodowska-Curie zijn, maar waarom precies voor dit jaar gekozen werd, is me ook na een bezoek aan de bijbehorende website niet duidelijk.

Een plausibele verklaring is dat ze de honderste verjaardag van haar tweede Nobelprijs vieren, maar het zou dan toch slim zijn om dit even te vermelden… [Aanvulling: Het is niet enkel het jaar van Maria Skłodowska-Curie in Polen, 2011 werd ook door de Verenigde Naties uitgeroepen tot het Internationale jaar van de Chemie, iets dat volgens dit bericht en de officiële website ook gerelateerd is aan Curies Nobelprijs uit 1911.] In 1903 ging de Nobelprijs voor de Fysica voor de ene helft naar Henri Becquerel en voor de andere helft naar het echtpaar Pierre en Marie Curie. Marie Curies tweede Nobelprijs uit 1911 was die voor Chemie en stond enkel op haar naam. (Eerder schreef ik al dat de Franse Academie der Wetenschappen haar net voordien het lidmaatschap nog had ontzegd.) Marie Curie was de eerste persoon die twee Nobelprijzen mocht ontvangen en ze is nog steeds de enige laureaat ooit die de prijs voor twee verschillende wetenschappelijke disciplines kreeg toegekend. (De combinatie met de Nobelprijs voor de Vrede komt vaker voor.) Marie Curie was ook de eerste vrouw die een Nobelprijs in de Fysica kreeg; de tweede (en tot op heden laatste) vrouw die een Nobelprijs in de Fysica kreeg was Maria Goeppert-Mayer in 1963 (samen met Eugene Wigner en J. Hans D. Jensen). De teller voor Nobelprijzen aan vrouwen is voor Fysica sindsdien op twee blijven steken.

Maria Skłodowska werd geboren op 7 november 1867. Het is dus meer dan een eeuw te laat om op de suikerbonen te gaan. Toch namen we een kijkje in haar geboortehuis, want er is nu een museum dat haar leven en werk herdenkt. (Hun eigen website is enkel in het Pools beschikbaar, dus lang leve Wikipedia.) Bovenaan links in Figuur 2 zie je de gedenksteen die op de gevel van het geboortehuis aan de ulica Freta 16 (Freta straat) is aangebracht. Binnen in het museum vind je vooral reproducties van foto’s, documenten en apparatuur. Er is ook een stamboom aan de hand van foto’s (linksonder). Originele stukken zijn schaars, want veel is verloren gegaan tijdens de oorlog. Tijdens ons bezoek waren er wetenschappers aanwezig die de bezoekers iets meer uitleg gaven over radioactiviteit. Je kon er je eigen stralingsniveau meten, dat gelukkig onder de detectielimiet bleef. We kregen ook een ouderwets horloge met lichtgevende verf op de wijzerplaat om het te testen. Dit gaf wel een meetbaar resultaat, vanwege het door Pierre en Marie Curie ontdekte radioactieve element radium in de verf.

Ik vond het leuk om in het museum eens andere foto’s te zien van Marie Curie dan de twee officiële Nobelprijsfoto’s en de overbekende groepsfoto’s van diverse Solvay-conferenties, die vanaf 1911 in Brussel gehouden werden. Op haar trouwfoto (rechtsboven) glimlacht ze zelfs bijna! (Door te vergelijken met de fotogalerij van de Nobelprijs-website heb ik ontdekt dat deze versie van de foto die in het museum hangt blijkbaar gespiegeld is.) De ouders van Maria Skłodowska bleven niet lang aan de Freta straat wonen, maar verhuisden naar Nowolipki. Ter ere van het Marie-Curie-jaar werd er een muurschildering gemaakt op de blinde gevel van het appartementsgebouw dat daar nu staat (rechtsonder).

Herinneringen aan Maria Sklodowska Curie in Warschau.

Figuur 2: Herinneringen aan Maria Skłodowska-Curie in Warschau aan haar geboortehuis in de Freta straat en aan de Nowolipki waar het gezin daarna woonde.

Zoals je op de stamboom kunt zien, kwam Marie Curie uit een gezin van vijf kinderen. Haar ouders waren beiden leerkracht. Haar oudste zus en moeder stierven voor Marie twaalf was. Het was haar vader die haar wiskunde, fysica en talen leerde. Tot haar vijftiende volgde ze lager-secundair onderwijs aan een staatsschool. Als vrouw kon Marie Curie geen vervolgopleiding volgen aan een reguliere universiteit in het door Rusland gecontroleerde Warschau van weleer. Ze volgde wel les aan de ondergronds georganiseerde “Vliegende universiteit” van Warschau. Ze gaf zelf ook les: ze nam een baan als gouvernante om de artsenstudie van haar zus Bronisława in Parijs te helpen betalen; de afspraak was dat deze zus haar nadien ook financieel zou helpen om naar Parijs te gaan. In Warschau deed ze haar eerste ervaring op in een laboratorium voor fysica en chemie.

Vanaf haar vierentwintigste, in 1891, verhuisde ze naar Frankrijk, waar ze wel openlijk kon studeren. Ze studeerde aan de Sorbonne af in de fysica in 1893 en in de wiskunde in 1894. In datzelfde jaar leerde ze Pierre Curie kennen via haar werk en de twee wetenschappers trouwden in 1895. Het echtpaar zou twee dochters krijgen: Irène (in 1897) en Ève (in 1904).

Marie Curies doctoraatsthesis uit 1903 handelt over het radioactive element radium, dat ze in 1902 had weten te isoleren. Hoewel Marie Curie het werk waarvoor ze zo beroemd is geworden in Parijs uitvoerde, bleef ze toch heel haar leven een dochter van Polen. Ze wees op het belang van de vooropleiding die ze hier kreeg en hield van de Poolse natuur (volgense deze korte biografie). Ze keerde dan ook geregeld naar haar geboorteland terug. Bovendien vernoemde ze één van de twee door haar ontdekte elementen naar haar geboorteland en zo kennen wij het element met atoomnummer 84 nu nog steeds als ‘polonium‘.

Ook in Polen is men terecht trots op deze wereldberoemde landgenoot. Toch is er nog wel wat werk aan de winkel. Marie Curie kreeg een eredoctoraat van de technische universiteit van Warschau (Politechnika Warszawska), die dit gedenkt met een levensgroot standbeeld in een nis van het plechtstatige hoofdgebouw. Tot zo ver niets aan de hand. Wat gebeurt er echter als de Material Research Society (MRS) haar Europese herfstcongres houdt in ditzelfde gebouw? Juist, dan zetten ze een zuil met eigen reclame voor dat beeld (Figuur 3). Tragikomisch detail: door de pose waarin het beeld van Marie Curie staat (met de rechterhand opgeheven) lijkt het net alsof ze tevergeefs vanachter het reclamepaneel tracht te ontsnappen. En dat in het jaar van Maria Skłodowska-Curie… Ga je schamen, MRS! Anderzijds zei ze (volgens de biografie door haar dochter) geregeld tegen journalisten dat we in de wetenschap meer geïnteresseerd moeten zijn in ideeën, niet in mensen. Dus misschien is dit wel het ultieme eerbetoon aan Marie Curie: ze wordt al door zoveel instanties voor hun kar gespannen, laat nu de wetenschap maar weer op de voorgrond staan.

Marie Curie in de vergeethoek?

Figuur 3: Uitgerekend in haar geboortestad Warschau en in haar herdenkingsjaar zetten ze een reclamepaneel voor het beeld van de bekendste fysica ter wereld.

In het academiejaar 2008-2009 gaf ik een cursus Stralingsbescherming aan de Universiteit Hasselt. Het begon met een inleiding over de fysische basis van verschillende vormen van ioniserende straling (bekend onder de oude benamingen: alfa, bèta en gamma) en natuurlijke en kunstmatige bronnen van radioactiviteit. De nadruk lag echter op de biologische effecten van ioniserende straling, de methodes waarmee je deze straling kunt meten en hoe je de straling kunt afschermen. De grondregel van stralingsbescherming is het ALARA-principe, wat staat voor ‘As Low As Reasonably Achievable’ of ‘zo weinig als redelijkerwijze haalbaar’. Op het moment dat Marie Curie haar baanbrekende onderzoek verrichtte, was er echter nog zo weinig over radioactiviteit bekend (het verschijnsel had zelfs nog geen naam, Marie Curie heeft het ‘radioactiviteit’ genoemd), dat de gevolgen op de gezondheid volledig onbekend waren. Marie Curie bewaarde de stalen in haar bureaulade en merkte op hoe mooi het materiaal blauwgroen scheen in het donker… Van ALARA was geen sprake. Marie Curie en haar dochter Irène, die met haar samenwerkte, ontwikkelden beiden leukemie. Hoewel de gezondheidseffecten van straling niet deterministisch maar statistisch van aard zijn, lijkt het in hun geval nagenoeg zeker dat de ziekte aan het werk met stralingsbronnen te wijten was. Marie stierf in 1934 aan de gevolgen van bloedarmoede. Na Maries dood kregen Irène Joliot-Curie en haar man Frédéric Joliot de Nobelprijs in de Chemie van 1935 voor de synthese van nieuwe radioactieve elementen. Ève Curie schreef haar moeders biografie “Madame Curie”, die in 1937 verscheen.

Het werk dat Marie Curie het leven kostte, heeft ook vele levens gered. Tijdens de Eerste Wereldoorlog leverde ze de radioactieve bronnen voor mobiele medische installaties voor het maken van röntgenfoto’s die in Frankrijk en België werden ingezet. Ze reed ook zelf met de busjes, die “petites curies” werden genoemd, en leidde haar achtienjarige dochter Irène op om hetzelfde te doen. (Het was in die tijd niet gebruikelijk dat een vrouw een rijbewijs had, maar in vergelijking met hun andere prestaties is dit slechts een voetnoot.) Tegenwoordig wordt ioniserende straling in ziekenhuizen natuurlijk ook gebruikt om tumoren te bestrijden.

Over de medische toepassingen van radioactiviteit zei Maria Skłodowska-Curie later tijdens een lezing in de Verenigde Staten in 1921 (door mij vertaald van Wikiquote):

“We mogen niet vergeten dat toen radium ontdekt werd niemand wist dat het nuttig zou blijken in ziekenhuizen. Het was een puur wetenschappelijk onderzoek. En dit is een bewijs dat wetenschappelijk werk niet beschouwd moet worden vanuit het oogpunt van het directe nut ervan. Het moet gedaan worden omwille van zichzelf, omwille van de schoonheid van de wetenschap en dan is er altijd een kans dat een wetenschappelijke ontdekking net zoals het radium een zegen voor de mensheid zal worden.”

En ook met deze uitspraak was Marie Curie me een kleine eeuw te snel af.