Tag Archief: wetenschap

Taal van de wetenschap

Wereldwijd is het Engels de taal van de wetenschap. In de Middeleeuwen was dit nog het Latijn. Maar als het aan Simon Stevin had gelegen, had het Nederlands vandaag de dag net zo goed een wetenschapstaal kunnen zijn!

De wetenschappelijke revolutie kende hoogdagen bij het begin van de zeventiende eeuw, waarin onder andere Galileo door zijn telescoop keek en Newton de universele zwaartekracht ontdekte. Niet toevallig werden er in die periode ook heel wat nieuwe woorden aan de taal toegevoegd en nam het gebruik van Latijn als wetenschappelijke lingua franca af.

De Open University maakte een reeks over de geschiedenis van de Engelse taal in tien animatiefilmpjes van elk één minuut. Het vijfde filmpje, dat je hieronder kunt bekijken, gaat over wetenschappelijk Engels. (Als je van deze stijl houdt en meer wil weten over de geschiedenis van het Engels, bekijk dan alle episodes, of – nog gemakkelijker – kijk naar de compilatieversie van alle tien de hoofdstukken in één filmpje.)

In de zeventiende eeuw werden er ook heel wat wetenschapsgerelateerde woorden toegevoegd aan het Nederlands. De in Brugge geboren Simon Stevin vond dat het Nederlands een wetenschappelijke taal kon en moest zijn. Hij weigerde bijvoorbeeld om in het Latijn te doceren. Stevin benoemde zelfs hele wetenschapstakken: hij populariseerde het woord “wiskunde” (althans de toenmalige vorm: “wisconst“). Naar analogie daarmee spreken we in het Nederlands ook van “natuurkunde” en van “scheikunde” (destijds: “stofscheyding“). In tegenstelling tot de ons omringende talen, die veelvuldig bij elkaar gingen lenen, beschikt het Nederlands dankzij de invloed van Stevin dus over vrijwel unieke woordvormen voor deze begrippen.

Je parate kennis over Stevin kan je hier opfrissen en enkele details over zijn woordsmeederij vind je hier. (Als je zelf een betere webpagina kent met informatie over de woorden die door Stevin zijn ingevoerd, lees ik dat graag in de commentaren!)

Over alfa en bèta: zonder kloof geen brug

Dit uiltje staat niet enkel symbool voor de wijsheid, maar is ook heel schattig.Eind januari kreeg ik, net als een 300-tal andere geesteswetenschappers in Nederland, een e-mail met daarin drie vragen van De Groene Amsterdammer. De meeste geadresseerden zijn hoogleraar aan een Nederlandse universiteit, maar vanwege mijn Veni-beurs mocht ik als postdoc ook meedoen. Ik beantwoordde de vragen, net als 102 anderen, en al deze reacties staan nu online. Verder is het papieren nummer 44 van De Groene gewijd aan “de springlevende geesteswetenschap”. Uit alle antwoorden destilleerden de journalisten tien ‘revoluties’ – al lijken het mij eerder rustige ontwikkelingen dan turbulente omwentelingen.

Mijn bijdrage kreeg van een journalist de titel “Leren omgaan met interdisciplinariteit” mee. (Mijn drie antwoorden kun je dus daar gaan lezen, maar ze staan ook in dit bericht, na de vouw.)

Zoals trouwe bloglezers weten, heb ik een achtergrond in de exacte (of bèta-) wetenschappen, maar werk ik in de wijsbegeerte, een vakgebied dat tot de geestes- (of alfa-) wetenschappen behoort. Blijkbaar zit ik goed met deze combinatie, want “Alfa en bèta worden één” is één van de tien trends (gemeld door 29 op 103). Helemaal nieuw is dit idee trouwens niet: in 2008 berichtte de New York Times al over de “New humanities“, een project waarbij studenten menswetenschappen ook onderwezen worden in wiskunde, informatica en natuurwetenschappen. Vanwege mijn werk aan computermodellen voor kentheoretische vraagstukken ben ik ook helemaal mee met een andere tendens: “Digital humanities” (gemeld door 44 op 103).

De grootste ontwikkeling is overigens “Samenwerken binnen de geesteswetenschappen” (gemeld door 57 op 103), dus ik ben duidelijk niet de enige die van vakoverschrijdend onderzoek houdt. Mooi, want dat betekent dat er nog heel wat mensen zijn met wie ik zou kunnen samenwerken!

Onze vakgroepvoorzitter van Theoretische Filosofie in Groningen, Jan-Willem Romeijn, schreef over “De ideeënmotor van de wetenschap“. Jan-Willem geeft twee trends aan:

“het succesvolle gebruik van wiskundige en computationele modellen, en de steeds concretere toenadering tussen de geesteswetenschap en andere wetenschappen”.

Daarmee zitten we dus helemaal op dezelfde golflengte.

Alles is peis en vree. Of toch niet?

Er is wel degelijk weerwerk: René Boomkens is hoogleraar cultuurfilosofie in Groningen (althans, nu wel nog, want hij stapt in december over naar Universiteit van Amsterdam). René schrijft in zijn bijdrage, “De spagaat van de filosofie“:

“De geesteswetenschappen zullen niet worden weggevaagd. Ze zullen heel langzaam uitdoven. Dat proces is al jaren gaande. Wij geesteswetenschappers werken daar bewust of onbewust ook aan mee. We passen ons aan aan de nieuwe regels en voorschriften, die stuk voor stuk zeggen: wees geen geesteswetenschapper, maar gedraag je net zoals je natuurwetenschappelijke collega’s. Zo was het altijd al, maar nu is het officieel. Geesteswetenschappers mogen blijven bestaan, maar alleen als ze zich niet als geesteswetenschappers gedragen. Taalwetenschapper? Word neuroloog! Psycholoog? Word neuroloog! Ethicus? Word bioloog! Kunsthistoricus? Neem ontslag!”

Wetenschap zonder filosofie is een zombie zonder ziel.Deze grimmige visie bezorgt me kippenvel: ik heb heel mijn leven (of toch sinds ik kan lezen) van wetenschap én van filosofie gehouden. Filosofie zonder wetenschap heeft geen ogen en geen handen, maar wetenschap zonder filosofie heeft geen ziel. Een zombie – heel toepasselijk op Halloween.

Ik ben het met Boomkens eens dat alfawetenschappers een eigen functie te vervullen hebben en dat het een enorme verarming zou zijn als dit verloren zou gaan. Deze bezorgdheid staat niet in contrast met mijn enthousiasme voor interdisciplinair onderzoek, integendeel zelfs: gezamenlijk onderzoek met niet-vakgenoten is alleen maar interessant als alle partijen inderdaad een eigen vak beheersen. Als alle alfa’s halve (of hele) bèta’s worden, is er niemand meer om de bèta’s terug te fluiten als die weer eens vergeten dat wat ze door hun wiskundige bril zien niet noodzakelijk de wereld zelf is.

Mijn laatste paragraaf begint met de zin:

“Soms is er een kloof tussen wat we kunnen meten en wat we willen weten.”

Schrap ‘soms’ en lees: “Er is een kloof tussen wat we kunnen meten en wat we willen weten.” Dit is de fameuze kloof tussen alfa en bèta, maar liever een kloof tussen “The Two Cultures” dan een vlakke monocultuur. Want over een kloof kun je bruggen bouwen, of een spannende kabelbaan. Liever hoogtevrees dan als een zombie het monotone pad bewandelen over de kale vlakte, nergens heen.

Zonder de kloof was er ook geen behoefte aan deze brug.

Zonder de kloof was er ook geen behoefte aan deze brug. (Bron afbeelding: Navajo Bridge over de Colorado River.)

Hierbij een oproep:

Laten we de aanstaande eenmaking van alfa en bèta verijdelen. Snel, nu het nog kan!
(meer…)

Het stokje

Liebster Blog Award.Vorige week kreeg ik een stokje toegeworpen van Michel. In het vorige bericht schreef ik al over de evolutie van dit stokje, dat een jonge uitloper van de Liebster Blog Award blijkt te zijn. Vandaag vul ik de vragen in en geef ik het stokje door, want enkel zo blijft het stokje leven. Ik neem trouwens de elf vragen over van Cecille Tuazon (in vertaling).

(1) Wat was je kinderdroom?

Astronaut worden. In mijn verbeelding zou ik een ruimteschool openen voor jazzballetdansende astronauten-in-opleiding. En het ruimtetuig voor die school eerst zelf ontwerpen en bouwen, in gewapend karton, uiteraard.

(2) Wat is het beste / slechtste cadeau dat je ooit hebt gegeven / ontvangen?

Een vriendin heeft eens een boekje voor me gemaakt met allemaal teksten en plaatjes erin, waarvan zij vond dat die bij me pasten (waaronder korte gedichten en enkele woorden Chinees met de vertaling erbij). Dat cadeau is moeilijk te evenaren en ik vrees dat ik zelf nog nooit zo’n mooi cadeau gegeven heb.

(3) Als je een fictief personage zou kunnen zijn, wie zou je kiezen?

Susan Calvin, de robotpsychologe uit de boeken van Asimov. Of Lyra uit “His Dark Materials” van Philip Pullman (waarvan het eerste deel bekend is van de film “The Golden Compass“).

(4) Wat was de laatste film die je deed huilen?

Ik heb nog nooit een film doen huilen…

Ik huil niet vaak bij films, maar bij het einde van Léon (van Luc Beson) heb ik moeten huilen. Omdat de afloop me verraste en natuurlijk ook door de muziek van Sting erbij (“The shape of my heart“).

(5) Wat zijn je favoriete citaten?

Als strijkreet: “Relentless optimism in the face of doom.” Ik hoorde het jaren geleden in de BBC-serie Monarch of the Glen en het komt nog geregeld van pas. :-)

Op praktisch vlak: “Voorlopige oplossingen duren het langst.” Ik hoorde het voor het eerst bij Frieda Van Wijck, al weet ik niet of ze dat zelf heeft bedacht.

Op filosofisch vlak: “Eigentlich weiss man nur wenn man wenig weiss; mit dem Wissen wachst der Zweifel.” (Eigenlijk weet men enkel wanneer men weinig weet; met het weten groeit de twijfel.) Opgeschreven door Goethe.

En verder: “Als we maar gelukkig zijn, gek worden we vanzelf.” ;-)

(6) Als je zou kunnen kiezen om voor altijd een bepaalde leeftijd blijven, welke leeftijd zou dat dan zijn?

Acht jaar zijn vond ik erg leuk en ik herinner me dat ik toen dacht dat het nooit meer zo leuk zou worden. (Een kleine pessimist in de dop, jawel.) Maar ik vind mijn leven nu ook heel mooi, dus drieëndertig is ook een prima antwoord!

(7) Als je zou kunnen leren om eender wat te kunnen doen, wat zou het zijn?

Leren vliegen (met zo weinig mogelijk technische hulpmiddelen).

(8) Van welke geur hou je het meest?

De geur van het kroontje van trostomaten. Niet dat ik het als parfum zou dragen, maar dat ruikt toch wel lekker.

(9) Als je de loterij zou winnen, wat is het eerste wat je zou doen?

De e-mail als spam markeren, want ik speel niet mee met loterijen.

(10) Wie is de persoon die je het meest inspireert? En waarom?

Mijn mama – onder andere daarom, maar ook om zoveel andere redenen.

(11) Als je eender wie zou kunnen ontmoeten, levend of dood, wie zou je ontmoeten?

Het is vermoedelijk een cliché-antwoord, maar ik zou wel graag eens babbelen met Albert Einstein. Dan zou ik hem een hele reeks citaten voorleggen die tegenwoordig aan hem worden toegeschreven en dan maar hopen dat hij dat grappig zou vinden. (En hem vragen waar hij zijn pantoffels kocht.)

Het plaatje bij de Liebster Blog Award evolueert.

Het plaatje bij de Liebster Blog Award evolueert.

Nu is het mijn beurt om het stokje door te geven. Dit zijn alvast de nieuwe vragen:

[important]

(1) Wat is je favoriete getal, formule, of theorie? En waarom?

(2) Van welke tip die je ooit van iemand kreeg heb je al dankbaar gebruik gemaakt?

(3) Als je je huidige beroep niet meer zou kunnen of mogen uitoefenen, wat zou je dan willen worden?

(4) Wat is het laatste boek dat je helemaal hebt uitgelezen? Hoe vond je het?

(5) Als je een teletijdmachine ter beschikking had, in welke tijd zou je dan eens een kijkje willen nemen?

[/important]

En deze wisselbeker van de Liebster Blog Award gaat naar:

[notice]

[/notice]

Hopelijk hebben zij even tijd om de vragen te beantwoorden en zelf N vragen te bedenken voor N andere bloggers, met N al dan niet gelijk aan het getal vijf (zoals hier) of elf (zoals in de meer traditionele spelregels van de Liebster Blog Award).

Verder ben ik razend benieuwd of de genomineerden nog een originele wiskundige, wetenschappelijke, of filosofische invalshoek weten te vinden om het op hun blog over een blogstokje te hebben. Succes!

Gelukkige Ada-Lovelace-Dag 2013!

Ada Lovelace was wiskundige en ze ontwikkelde het eerste computerprogramma... in 1843.Ik wens jullie allemaal een gelukkige Ada-Lovelace-Dag!

De twee voorbije jaren schreef ik ook een blogbericht voor deze gelegenheid:

Het stukje van vorig jaar kreeg na twee maanden plots veel bezoekers. Eerst wist ik niet wat er aan de hand was, maar toen bleek dat het 10 december was (de geboortedag van Ada Lovelace), dat Google daar een doodle aan had gewijd en dat mijn bericht voor de Nederlandstalige bezoekers op de eerste resultatenpagina verscheen. Toch even schrikken, zoveel volk hier ineens!

In een recent artikel in New York Times Magazine, met als titel “Why are there still so few women in science?” (“Waarom zijn er nog steeds zo weinig vrouwen in de wetenschap?”), schreef Eileen Pollack:

As so many studies have demonstrated, success in math and the hard sciences, far from being a matter of gender, is almost entirely dependent on culture — a culture that teaches girls math isn’t cool and no one will date them if they excel in physics; a culture in which professors rarely encourage their female students to continue on for advanced degrees; a culture in which success in graduate school is a matter of isolation, competition and ridiculously long hours in the lab; a culture in which female scientists are hired less frequently than men, earn less money and are allotted fewer resources.”

Vertaling: “Zoals zo vele studies hebben aangetoond, is succes in wiskunde en de harde wetenschappen, verre van een kwestie van gender, bijna volledig afhankelijk van de cultuur – een cultuur die meisjes leert dat wiskunde niet cool is en dat niemand met hen uit zal willen als ze uitblinken in fysica; een cultuur waarin professoren hun vrouwelijke studenten zelden aanmoedigen om door te gaan voor voortgezette diploma’s: een cultuur waarin het succes in de doctoraatsopleiding een kwestie is van isolatie, concurrentie en belachelijk lange uren in het labo; een cultuur waarin vrouwelijke wetenschappers minder vaak worden aangesteld dan mannen, minder geld verdienen en minder middelen toegewezen krijgen.”

15 oktober 2013 is Ada-Lovelace-dag.

15 oktober 2013 is Ada-Lovelace-dag

Als ik in de loop van de dag nog gerelateerde dingen zie, zal ik een aanvulling posten. Tips hiervoor zijn uiteraard welkom in de commentaren!

Aanvullingen (15 oktober 2013):

(1) De Petrie-multiplicator

Een eenvoudig wiskundig model toont aan dat de hoeveelheid seksisme die een vrouw te verwerken krijgt, in situaties waarin vrouwen in de minderheid zijn, schaalt als het kwadraat van de man-vrouw-verhouding. Dit heet de Petrie-multiplicator en is genoemd naar de computerwetenschapper Karen Petrie, die het model bedacht. (Ha, ze leerde programmeren met een Commodore 64, net als ik!)

Het model zelf is trouwens niet seksistisch, want het gaat ervan uit dat mannen en vrouwen even vaak seksistische opmerkingen maken. Desondanks krijgen de leden van de minderheidsgroep het vaakst vervelende opmerkingen te horen, omdat er enerzijds meer mensen zijn die de opmerkingen kunnen maken en anderzijds minder mensen aan wie ze gericht kunnen zijn. Dit effect is niet gewoon dubbel, maar kwadratisch. Het effect is van toepassing op vrouwen op wetenschappelijke congressen, maar net zo goed op mannen die verpleger zijn.

Het is niet omdat dit model voorspelt dat minderheden het extra moeilijk zullen hebben, dat er reden is tot pessimisme. Dit model heeft parameters en die kunnen we zelf beïnvloeden:

  • voor mensen in de meerderheid: extra lief zijn voor minderheden, want er zijn al genoeg anderen die het hen moeilijk maken;
  • voor mensen in de minderheid: olifantenhuid kweken en vrolijk doorwerken, want als jij weggaat raakt de verhouding nog meer uit balans.

(2) Top-10 van wetenschappers

Er zijn heel veel goede wetenschappers en daar zitten uiteraard ook vrouwen tussen. Doctoraatsstudente Suzi Gage geeft haar persoonlijke top-10 van vrouwelijke wetenschappers.

(3) Interview met Ada Lovelace

Het is al van vorig jaar, maar het is origineel gedaan: een “interview” met Ada Lovelace. Dit interview heeft uiteraard nooit plaatsgevonden, maar de antwoorden zijn wel zinnen van Lovelace zelf, bijeengeplukt uit haar brieven en andere teksten.

Aanvulling (17 oktober 2013):

Ik kreeg een bericht van Catherine Lenoble: voor het eerst wordt er ook in België een Wiki-edit-a-thon georganiseerd en dit op op 22 oktober 2013 . De bedoeling is om de Wikipedia-pagina’s van vrouwelijke wetenschappers aan te vullen. Je kunt mee gaan doen in Brussel of van thuis uit meewerken: zie de meetup pagina op Wikipedia. (De organisatoren spreken Frans, maar uiteraard mag je ook aan Nederlands- of Engelstalige pagina’s werken.)

Als je wil meedoen, dan graag een mailtje richting Catherine Lenoble (catherinelenoble [at] gmail [dot] org).

Wetenschap maakt macht

Dit stukje is in licht gewijzigde vorm als een column verschenen in Eos.
(Jaargang 30, nummer 6, rubriek “Scherp gesteld”.)

Elio Di Rupo in labojas aan de UHasselt.Wat heeft Elio Di Rupo gemeen met Angela Merkel? Zijn politieke strekking is alvast geen juist antwoord, want Di Rupo is socialist en Merkel christendemocraat. Wel hebben deze Europese leiders allebei een doctorstitel in de wetenschappen op zak. Belgisch premier Di Rupo studeerde scheikunde aan de universiteit van Mons en behaalde ook een doctoraat in dit vakgebied. De Duitse bondskanselier Merkel studeerde fysica aan de universiteit van Leipzig en behaalde vervolgens een doctoraat in de kwantumchemie.

Wat heeft Angela Merkel gemeen met Margaret Thatcher, die op 9 april van dit jaar overleed? Je weet wellicht dat Thatcher de eerste (en vooralsnog enige) vrouwelijke eerste minister van Groot-Brittannië was en dat ze de bijnaam “The Iron Lady” kreeg. Merkel is de eerste vrouwelijke bondskanselier van Duitsland en zij wordt zelfs de Duitse Iron Lady genoemd. Op deze vraag zijn er dus veel goede antwoorden mogelijk.

Laten we het een beetje moeilijker maken. Wat had Margaret Thatcher gemeen met zowel Elio Di Rupo als met Angela Merkel? Het is een minder bekend aspect van Thatchers leven, maar net als Di Rupo en Merkel was ze wetenschapper van opleiding. In 2011 zette de Britse wetenschapshistoricus Jon Agar haar carrière als scheikundige op een rij in zijn artikel “Thatcher, Scientist”. Hieruit blijkt dat Margaret Thatcher (of eigenlijk Roberts, zoals ze voor haar huwelijk heette) gedurende vier jaar chemie studeerde aan de Universiteit van Oxford. Ze behoorde tot Somerville College, dat toen nog exclusief voor vrouwen was voorbehouden.

In die tijd was ook Dorothy Hodgkin aan Somerville College verbonden. Hodgkin was een chemica die röntgendiffractie gebruikte om onderzoek te doen naar de structuur van biomoleculen, zoals insuline, penicilline en vitamine B12. Ze zou voor haar werk de Nobelprijs Scheikunde ontvangen in 1964. Thatcher schreef haar afstudeerscriptie in het labo van Hodgkin gedurende het academiejaar 1946-’47. Daarbij deed ze onderzoek naar de kristallografische structuur van Gramicidine S (een antibioticacocktail).

Thatcher in het lab.Hoewel Thatcher al tijdens haar studies actief was in een conservatieve vereniging, bleef ze vooralsnog bij de wetenschap: ze werkte gedurende drie jaar voltijds op de onderzoeksafdeling van een bedrijf dat plastics produceerde, vermoedelijk aan de kwaliteitscontrole van het verlijmen van PVC met metaal. Daarna werkte ze als scheikundige in de voedingsindustrie aan verzepingsreacties. In 1951 hing ze haar labojas definitief aan de kapstok: ze was dat jaar gehuwd, haar politieke carrière liep steeds vlotter en daarom ging ze ook fiscaal recht bijstuderen.

Naar verluidt was Thatcher dol op de volgende anecdote over natuurkundige Michael Faraday (al is de herkomst van deze anecdote twijfelachtig). Toen de toenmalige minister van financiën Faraday ontmoette rond 1850, vroeg de minister hem of zijn werk aan elektriciteit ook nuttige toepassingen had. “Jawel, mijnheer”, zou Faraday gezegd hebben, “op een dag zult u er een belasting op heffen.”

Al deze bedenkingen over Di Rupo, Thatcher en vooral Merkel herinneren me aan een voorval dat ik zelf heb meegemaakt. Toen ik eens aan een Duitse arts vertelde dat ik fysica zou gaan studeren, reageerde hij met: “Aha, dan kun je nog in de politiek gaan.” Wat hebben quarks en de oerknal met politiek te maken, vroeg ik me verbaasd af.

Inmiddels begrijp ik zijn reactie beter, want blijkbaar stappen er in Duitsland inderdaad meer wetenschappers in de politiek dan in ons land. Merkel zelf spant natuurlijk de kroon, maar ook haar huidige minister van onderwijs en onderzoek, Johanna Wanka, is doctor in de wiskunde. (Wanka volgde in februari van dit jaar Annette Schavan op, die net daarvoor haar doctorstitel in de pedagogie had moeten inleveren, nadat een anomieme blogger plagiaat ontdekt zou hebben in haar proefschrift.)

Kennis mag dan macht zijn, de machthebbers in ons land hebben vooral kennis van recht en economie. Als je even stilstaat bij de enorme rol die wetenschap en technologie in ons dagelijks leven spelen – bijvoorbeeld in onze voeding, communicatie en energie – is een gebrek aan wetenschappelijke geletterdheid bij onze politieke leiders toch wel zorgwekkend. Misschien kan onze huidige premier meer wetenschappers inspireren om de stap te overwegen?

Aanvulling:

Twee dagen nadat ik mijn column had ingestuurd, verscheen er bij Wetenschap 101 ook een filmpje over dit onderwerp. Scooped! :-)

Er ging bij ons geen lampje branden op “De Lampadeire Quiz”

Dit lampje brandde wél op de 'Lampadeire Quiz'.Een handelsingenieur, een master in toerisme, een natuurkundige en een filosoof deden mee aan een quiz. Het zou het begin van een grap kunnen zijn. Hilarisch werd het alleszins.

Het was vrijdagavond en we gaven present op “De Lampadeire Quiz”, die georganiseerd werd door ouderraad “Het kersenpitje”. Onze ploeg bestond uit Wouter, Kristien, Danny en ik. We stonden er goed voor, dachten we: met Wouter hadden we een chef sport in huis, Kristien kent haar aardrijkskunde en Danny en ik onze wetenschappen. Gaandeweg werd echter duidelijk dat het hebben van zowel universitaire diploma’s als jonge kinderen in huis een gevaarlijke combinatie vormde. Desastreuze quizresultaten waren het gevolg. Die diploma’s zorgden ervoor dat we het systematisch veel te ver gingen zoeken. En die kinderen zijn de reden – of althans ons excuus – waarom niemand van ons up-to-date was met de actualiteit. (Ah ja, want tijdens het journaal van zeven uur hebben die kinderen honger, of moeten ze gaan slapen.)

Onze algemene kennis werd gewogen en te licht bevonden op de 'Lampadeire Quiz'.

Onze algemene kennis werd gewogen en te licht bevonden op de ‘Lampadeire Quiz’. Linksboven: streekbier (een “exporke”). Rechtsboven: onze prijs. Onder: onze tafel met bladen vol berekeningen.

Hieronder vijf vragen, waarbij we grotendeels grandioos de mist in gingen. Na de vouw zowel ons antwoord als het antwoord volgens de jury.

  1. Fotovraag. Zoek het verband tussen de vier afbeeldingen (je ziet het blad met de opgave ook op de foto hierboven):
    (1) de rode Teletubby (Po),  (2) een flesje Maes (vermoedelijk alcoholvrij, NA), (3) een CD-hoesje van Johnny Jordaan, (4) Fe.
  2. Van welk spreekwoord worden hier enkel de klinkers weergegeven:
    A ee oe ee o ee ee, oo e ee e ee ee.
  3. Welke letter hoort op de plaats van het vraagteken:
    W L H O D P V H ?
  4. Los deze droedel op:
    24h

    D
  5. Van welke bloem of plant wordt saffraan gemaakt?

(meer…)

Woordenwolk over wetenschap

Aan de Rijksuniversiteit Groningen ging een filosofietraject van start voor Honoursstudenten.Gisteren is er aan de Rijksuniversiteit Groningen een nieuw programma gestart binnen het Honours College, namelijk het traject Philosophy. Hiervoor werden zesentwintig Bachelor-studenten geselecteerd vanuit alle faculteiten (behalve Filosofie zelf) en zij kwamen gisteravond voor het eerst samen. Vóór de les was er een Italiaans buffet in het torentje van het Academiegebouw. Bij deze gelegenheid hoorde natuurlijk een welkomstwoord van onze – ook al gloednieuwe – decaan Lodi Nauta en van de coördinator van het traject, Arnold Veenkamp.

Daarna verhuisden we naar de Zernikezaal (vernoemd naar Frits Zernike, uitvinder van de fasecontrastmicroscoop) en daar was het woord aan mij, want ik mocht de spits afbijten met het vak “Philosophy of Science“. Het Honours-traject staat ook open voor buitenlandse studenten, vandaar dat het hele programma in het Engels gedoceerd wordt.

Als opwarmingsoefening vroeg ik aan mijn studenten om tien woorden op te schrijven die ze associeerden met “science” (“wetenschap”). Doe de oefening gerust zelf thuis mee op een papiertje. Na de vouw vind je de woordenwolk die gebaseerd is op de antwoorden van mijn studenten.

(meer…)

Liefde voor wetenschappers & filosofen

Hartvormige pasta.Dit jaar startte mijn cursus precies op 14 februari. Hierdoor zag ik mijn vriend en zoontje met Valentijn enkel via Skype. Achteraf hielden we thuis wel nog een etentje met hartvormige pasta bij kaarslicht. (Dat kaarslicht was er vooral omdat de transformator van onze verlichting het begeven heeft, maar het was evengoed romantisch.)

Ook had ik – in tegenstelling tot vorig jaar – geen tijd voor een thematische blogpost rond Valentijn. Gelukkig is het vandaag nog steeds februari en dus officieel nog niet te laat voor een stukje met drie liefdevolle thema’s.

(1) Het aanzoek ♥

Brendan McMonigal en Christie Nelan leerden elkaar op 23 maart 2005 kennen aan de Universiteit van Sydney, waar ze beiden wis- en natuurkunde volgden. Na een maand werden ze een koppel. Vorig jaar, precies zeven jaar na hun eerste ontmoeting, deed Brendan een huwelijksaanzoek aan Christie. Hij had geen ring bij zich, maar wel een artikel. Hij vertelde zijn vriendin dat hij wat problemen had met dit artikel en vroeg of ze er eens naar wou kijken. Hij ging op één knie zitten om het artikel uit zijn rugzak te nemen en het aan haar te geven. Wat ze toen te lezen kreeg, was zijn aanzoek in de vorm van een (semi-)wetenschappelijke studie, met als titel: “Two Body Interactions: A Longitudinal Study“.

En ze heeft ‘ja’ gezegd.

Brendan en Christie zijn nu beiden 26 jaar; hij werkt aan een doctoraat over galactische halo’s, terwijl zij wetenschapscommunicator is bij Questacon (een wetenschapsmuseum in Canberra). Hun huwelijk zal dit jaar op 23 maart plaatsvinden, dus precies acht jaar na hun eerste ontmoeting, ergens onder een waterval en gevolgd door een picknick. Omdat nog niet alle genodigden het originele aanzoek hadden kunnen zien, besloot het koppel om Brendans artikel online te zetten op Reddit. Daar werd het meteen een grote hit: het werd meer dan een miljoen keer aangeklikt binnen één dag en telt nu meer dan duizend reacties.

Het aanzoek van een fysicus.

Het aanzoek van een fysicus. (Bron en volledige afbeelding: hier)

De achtergrondinformatie voor bovenstaand stukje komt uit een interview met Brendan McMonigal en dit artikel.

(2) De baby ♥

Voorgaand aanzoek deed me denken aan een geboorteaankondiging uit 2011, ook al in de vorm van een wetenschappelijk artikel. Dit is de volledige tekst:

Development and Production of Human Embryo with Cute Little Face

Ruben MK, Ruben AJ1

1Yes, I’m the second author

Abstract

Fun occurred. Gametes joined. Embryo grew; shirts stopped fitting; grandparents got excited. Overpopulation exacerbated.

Materials and Methods

An unknown volume of Aww Yeah was combined with an indeterminate mass of Damn Right (data not shown). The mixture was allowed to incubate at 37˚C for ~9 months, at which point 3.2 kg of biological material was obtained for use in further studies. The incubator converted immediately to a dairy.

Results

Baby.

Conclusion

Childbirth is fairly easy for men.

Discussion

Seriously, will you look at her little face? Isn’t it the cutest baby ever? Hang on, I’ve got some more pictures of her on my phone. Look! She’s yawning! And in this one, her eyes are open! And she’s wearing a hat! Wait, don’t walk away, you have to see this next batch (see Figures l to 182 and supplemental material online).

(3) Mogelijke meisjes ♥

Filosoof David Lewis schreef het boek “On the plurality of Worlds” (verschenen in 1986), waarin hij zijn standpunt over modaal realisme verdedigt: elke mogelijke wereld is even echt als onze wereld. Mij doet dit sterk denken aan de veel-werelden-interpretatie van de kwantummechanica, die zegt dat bij het uitvoeren van een experiment met meerdere mogelijke uitkomsten er meerdere werelden afsplitsen die elk even echt zijn, maar ik zou eens moeten uitzoeken hoe diep de verwantschap precies gaat.

Als parodie op het werk over “possible worlds” van Lewis schreef Neil Sinhababu het artikel: “Possible girls” (of “mogelijke meisjes”). Dit verscheen in het filosofische vaktijdschrift Pacific Philosophical Quarterly. (Ernstige filosofietijdschriften maken wel vaker plaats voor humoristische bijdragen, zoals uit de reacties op deze blogpost blijkt.) Sinhababu argumenteert dat modale realisten uit verschillende mogelijke werelden verliefd op elkaar kunnen worden (dus niet op de tegenhanger van deze persoon die in dezelfde wereld rondloopt).

Het artikel van Sinhababu dateert trouwens al van 2008, maar het werd dit jaar met Valentijn opgepikt door de Washington Post. De titel van het artikel daar vat het als volgt samen: “Iedereen heeft een date deze Valentijnsdag. Alleen misschien niet in deze wereld“.

Hoera, we hebben een probleem!

Dit stukje is als een column verschenen in Eos.
(Jaargang 30, nummer 3, rubriek “Scherp gesteld”.)

Onderzoekers houden van problemen. Staan ze te juichen als hun detector het begeeft tijdens een cruciaal experiment? Niet bepaald, bij dat soort dagelijkse beslommeringen wordt er in het labo even hard gevloekt als daarbuiten. Toch kunnen onderzoekers niet zonder problemen, omdat het precies de onopgeloste vragen zijn, die olie gooien op het wetenschappelijke vuur.

Buiten de academische wereld kan het onbeleefd klinken, maar aan een wetenschapper kan je gerust vragen: “Wat is jouw probleem?” Een beginnend doctoraatsstudent zal misschien schuchter antwoorden dat hij of zij dat nog aan het uitzoeken is, maar bij een rot in het vak mag je je aan een enthousiast verhaal verwachten.

Het vinden van een goed probleem is een probleem op zich. Je wilt het niet in een namiddagje puzzelen oplossen, want dan heb je morgen al een nieuw probleem nodig. Anderzijds wil je ook geen probleem dat zo ondoorgrondelijk is dat je er nooit enige vooruitgang mee boekt. Een goed probleem is taai maar overkomelijk. Het zou me niet verbazen dat er op dit ogenblik onderzoekers bezig zijn met dit metaprobleem: hoe kan je de complexiteit van het (vooralsnog onbekende) antwoord op een vraag afschatten?

Intussen moeten wetenschappers het stellen met hun intuïtie om de haalbare van de hopeloze problemen te onderscheiden. Sommige professoren staan bekend om het talent waarmee ze goede onderzoeksvragen uit hun mouw schudden: een zegen voor hun studenten! Jonge mensen willen best helpen om de globale energiecrisis op te lossen, maar de kunst is om hun een concreet deelproject aan te reiken dat ze kunnen afronden in de voorziene tijd. Zo komen die studies aan hun uitgesponnen titels, zoals: het effect van de poriegrootte op de opbrengst van nanokristallijne zonnecellen. Lees dit gerust als: gaatjes meten voor een beter milieu.

Als je eenmaal een goed probleem beet hebt, dan ben je minstens voor een paar jaar onder de pannen. Geen wonder dus dat onderzoekers hun problemen koesteren, er heel de dag aan willen denken en over niets anders kunnen praten. Het is een beetje zoals verliefd zijn. Het zou me niet verbazen dat er ook daar onderzoek naar wordt gedaan: is er een verschil te zien tussen de hersenscans van een begeesterde vakidioot en een verliefde dwaas?

Bij sommigen is het liefde op het eerste gezicht. Bij anderen is het meer een verstandshuwelijk: ook in de wetenschap zijn er modes en als je aan een populair onderwerp werkt, zoals de al vermelde alternatieve energiebronnen, is het gemakkelijker om daar financiering voor te vinden. Maar met de tijd groeit de liefde overal: je kunt wel handschoenen aantrekken als je in het laboratorium werkt, maar uiteindelijk kruipt het onderzoek toch onder je huid.

Op school gaat het er anders aan toe: daar staan niet de problemen maar de antwoorden centraal. Iemand die de theorie voldoende studeert kan slagen voor wiskunde en wetenschappen, want oefeningen en practica staan zelden voor de helft van de te behalen punten. Dit is begrijpelijk: jongeren hebben eerst een zekere basis nodig voor ze zelf creatief aan de slag kunnen met deze kennis. Toch is het ook een gemiste kans: in al die uren op school krijgen ze geen enkel inzicht in wat een wiskundige of wetenschapper echt doet.

Aan onderzoek doen is als aan een vraagstuk werken, waarbij je de oplossing niet achterin het boek vindt, omdat nog niemand de oplossing weet. Het is als een practicum uitvoeren, waarbij je niet weet welk materiaal je nodig gaat hebben. Anderzijds mag je wel zo veel opzoeken als je wilt en hulp vragen aan collega’s. Het is beangstigend, maar ook bevrijdend, want aan het einde van de rit staat er niemand klaar met een rode pen om je poging af te straffen. Zelfs als je je oorspronkelijke vraag niet oplost, is het mogelijk om succes te boeken: misschien bedenk je een nieuwe meettechniek of bewijsmethode. Misschien valt je vraag uiteen in deelproblemen waar veel collega’s aan willen werken en leg je de basis voor een nieuw vakgebied.

Voor onderzoekers geldt: als je geen probleem vindt, dan heb je pas een probleem.