Tag Archief: wetenschap

Debat over farma en media

Debat.Vorige week nestelde ik me op woensdagavond (28 november) in één van de rode zeteltjes in de Handelsbeurs in Gent. Op het podium stonden er vijf stoelen klaar voor een debat in de reeks “Grijze Cellen” (georganiseerd door Eos, het Fonds Wetenschappelijk Onderzoek (FWO) en deBuren), deze keer in samenwerking met “MediaCafé” (georganiseerd door deBuren, de Vereniging voor onderzoeksjournalisten (VVOJ), het Fonds Pascal Decroos (FPD) voor bijzondere journalistiek en het bijbehorende project Mediakritiek).

Het gesprek ging deze avond over farma en media: hoe betrouwbaar zijn berichten over (nieuwe) medicijnen? Dieter De Cleene (van Eos) was moderator. De overige stoelen waren bestemd voor (van links naar rechts):

  • Marleen Teugels: lector onderzoeksjournalistiek aan de Arteveldehogeschool en freelance journalist voor Knack,
  • Joop Bouma: onderzoeksjournalist voor de Nederlandse krant Trouw,
  • Hendrik Cammu: professor gynaecologie aan de VUB en wetenschapspopularisator,
  • Christine Vanormelingen: directeur communicatie van de Algemene Vereniging van de Geneesmiddelenindustrie (pharma.be).
Debat in de Handelsbeurs.

Start van het debat over farma en media in de Handelsbeurs.

Het is gratis om deze debatten bij te wonen, maar bij de aankondiging stond het advies om wel te reserveren. Geen loze woorden, zo bleek, want de zaal liep volledig vol, hoofdzakelijk met studenten. Toen het zaallicht werd gedoofd, lichtten er overal laptopschermen op. En zodra het debat van start ging, begonnen de studenten ijverig te tokkelen. De mensen die notities wilden nemen op papier (zoals ikzelf!) moesten dit helaas in het donker doen, tenzij ze dicht genoeg bij een laptopscherm zaten om daar nog wat licht van op te vangen.

Het was prettig om te zien dat de laptop-studenten al tijdens het debat op zoek gaan naar aanvullende informatie over de sprekers. Ik dagdroomde over een wereld waarin geen televisie bestaat, maar waar mensen samenkomen in dit soort zalen om naar geïnformeerde mensen te luisteren, intussen extra bronnen raadplegen en zich zo zelf een mening vormen.

Marleen Teugels vermeldde het Belgisch Centrum voor Farmacotherapeutische Informatie (BCFI) als een betrouwbare bron waar (onder andere) journalisten terecht kunnen voor informatie over medicijnen. Het Centrum verstrekt gratis een groen boekje met een beknopte toelichting over diverse groepen medicijnen. Dit “Gecommentarieerd geneesmiddelenrepertorium” wordt geregeld aangevuld en is ook als pdf te downloaden (kies hier de recentste versie uit de lijst).

Bel de onderzoeker.Joop Bouma gaf enkele adviezen mee aan wetenschapsjournalisten. De samenvatting van een wetenschappelijke studie – het zogenaamde abstract – en zeker het daarop gebaseerde persbericht zijn vaak te positief, dus zorg ervoor dat je het hele artikel leest. Als je dit niet begrijpt, bel dan de auteur. Je eerste vraag moet altijd zijn: “Kunt u iemand noemen die diametraal tegenover de claims in dit artikel staat?” Als de onderzoeker in kwestie “ja” zegt, vang je twee vliegen in één klap: je weet dat het een goede wetenschapper is, die houdt van een open discussie, en je hebt een onafhankelijke expert, wat zorgt voor een diversiteit aan bronnen voor je stuk.

Dit advies klinkt goed, maar ik vraag me af hoe het in de praktijk uitpakt. Als je echt iets nieuws doet, zijn er niet per se tegenstanders: andere groepen weten er dan gewoon nog niet van. Ook zullen in veel gevallen alle wetenschappers het erover eens zijn dat een nieuw idee(-tje) kan kloppen, dat een nieuwe aanpak kan werken en zo verder. Niet alle nieuwe wetenschappelijke vindingen zijn voer voor grote twisten: wetenschappelijke vooruitgang gaat meestal geleidelijk, in kleine en oncontroversiële stappen. Het is dan slechts een kwestie van tijd, geld en soms inspiratie om telkens een volgende stap te kunnen zetten. Er spelen natuurlijk ook grotere, fundamentele kwesties, die wel voor hevige discussies kunnen zorgen, maar slechts een minderheid van de wetenschappers werkt daaraan – al zijn dit juist wel de interessante onderwerpen om over te berichten, natuurlijk.

Wil je het hele debat of stukjes ervan terugkijken, dan kan dit op de pagina van Eos. Verder kun je hier een zeer uitgebreid verslag lezen van Thomas Keirse, één van de andere aanwezigen.

Gelukkige Ada-Lovelace-dag!

Ada Lovelace.Vandaag staat in het teken van Ada Lovelace en met haar alle vrouwen in de technologie. In de eerste plaats zijn dit informatici en ingenieurs, maar bij uitbreiding is dit ook de feestdag voor vrouwen in exacte vakken: wiskundigen en natuurwetenschappers.

Ada Lovelace werd geboren in 1815. Ze was de dochter van Lord Byron, die echter haar moeder verliet kort na Ada’s geboorte. Ada kreeg privéonderricht en haar moeder zorgde ervoor dat haar leraren haar vooral onderwezen in wiskunde en natuurwetenschappen. Op deze manier hoopte ze te voorkomen dat Ada, net als haar vader, dichter werd.

Eén van haar docenten was Mary Sommerville, met wie ze een sterke band opbouwde. Mary moedigde Ada aan om wiskunde te studeren en stelde haar in 1833 voor aan Charles Babbage, die in die tijd een analytische machine ontwikkelde, de voorloper van de moderne computer. Ada ging met hem samenwerken en in 1843 noemde hij haar “The Enchantress of Numbers (“de tovenares van getallen”). Vaak wordt gezegd dat zij het allereerste computerprogramma schreef, al is de machine waarop dit programma zou kunnen draaien niet gerealiseerd. Bekijk hier een TED-praatje over de machine van Babbage en de rol die Lovelace erbij speelde.

Rond 1980 werd de programmeertaal ADA naar haar vernoemd. Dit heeft er vermoedelijk sterk toe bijgedragen dat Ada Lovelace geleidelijk aan een bekend symbool is geworden voor vrouwelijke informatici en wiskundigen. De historische Ada vormde ook de inspiratie voor 2D Goggles, de webcomic van Sydney Padua waarin Ada Lovelace wordt voorgesteld als een steam-punk-heldin: lees zeker de biografische introductie. Intussen is ze bekend genoeg om te bestaan als Lego-versie en als kostuum voor Little Big Planet.

(Het portret toont Ada in 1838.)

16 oktober 2012 is Ada-Lovelace-dag.

16 oktober 2012 is Ada-Lovelace-dag

Meedoen aan de Ada-Lovelace-dag is eenvoudig: praat vandaag over vrouwen in exacte vakken! Als je een blog hebt, kun je bijdragen door een bericht te posten over zo’n rolmodel en je blogpost dan aan te melden bij “Finding Ada” (hier registreren). Tweeten mag ook; gebruik dan hashtag #ALD12. Verder kun je meedoen aan een Wikithon (via), waarbij het de bedoeling is om nieuwe pagina’s aan te maken over belangrijke vrouwen uit de wetenschapsgeschiedenis en bestaande pagina’s te verbeteren. Als iemand zich geroepen voelt, maar geen inspiratie heeft, dan hierbij een suggestie: Mary Somerville heeft nog geen Nederlandstalige Wikipedia-pagina.

De Ada-Lovelace-dag werd voor het eerst gevierd in 2009. We zijn dus al aan de vierde jaargang toe, maar de dag heeft (nog) geen vaste datum. Initiatiefneemster Suw Charman-Anderson haalde haar inspiratie voor deze dag uit een onderzoek van psychologe Penelope Lockwood uit 2006 (bron): zij toonde aan dat vrouwen meer nood hebben aan vrouwelijke rolmodellen dan mannen nood hebben aan mannelijke rolmodellen. Vorig jaar werd de dag gehouden op 7 oktober en toen schreef ik over hoe moeders, die zelf niet in de wetenschappen werken, een rolmodel kunnen zijn voor hun dochters die wel deze weg kiezen.

Wie heeft die lippenstift in mijn wetenschap gezet?Uiteraard is het nefast om vrouwelijke wetenschappers als een soort laboratoriumprinsessen te profileren (link). Het was in juni van dit jaar dan ook behoorlijk schrikken toen de Europese Commissie de lanceringsvideo voor haar campagne “Science: It’s a Girl Thing!” op de wereld losliet. De videoclip was bedoeld om meisjes warm te maken om wetenschappen te gaan studeren, maar sloeg de plank volledig mis en werd op unaniem boe-geroep onthaald bij vrouwelijke wetenschapsbloggers. Enkele reacties:

  • Martha Gill: “This kind of campaign insults women who are interested in science already and can more than hold their own with the boys.” (“Dit soort campagnes beledigt vrouwen die al geïnteresseerd zijn in wetenschappen en die zichzelf meer dan staande kunnen houden tussen de jongens.”)
  • Olivia Solon: “Who put this lipstick in my science?” (“Wie heeft die lippenstift in mijn wetenschap gezet?” Dit is een verwijzing naar het logo van de campagne, waarbij een lippenstift de letter i vervangt in het woord science, dat trouwens ook met lippenstift geschreven staat.)
  • Anna Leach: “Sigh. This is kind of like putting a croissant next to a circuit board in an attempt to get more French people into electrical engineering.” (“Zucht. Dit is als een croissant naast een printplaat leggen met als doel meer Fransen geïnteresseerd te krijgen in elektrotechniek.”)
  • Maryn McKenna verzamelde scherpe Twitter-reacties.
Marie Curie ontdekte radium in haar handtas toen ze naar lippenstift zocht.

Marie Curie ontdekte radium in haar handtas toen ze naar lippenstift zocht. (Bron afbeelding.)

De gewraakte clip werd snel offline gehaald (al is hij op YouTube nog te bekijken, als je écht zou willen) en vervangen door een veel betere reeks video’s. Door telkens een levensechte onderzoeker centraal te stellen, in plaats van een (slechte) muziekvideo te immiteren, krijg je automatisch meer nuance. Dit soort video’s geeft niet alleen een goed beeld van vrouwelijke wetenschappers, maar van de veelzijdigheid van een wetenschappelijke carrière tout court. In het voorbeeld uit de reeks dat ik hieronder heb ingevoegd, vertelt Joanna Zmurko over haar doctoraatsonderzoek in de virologie. We zien dat deze Poolse doctoraatsstudente tijdens de opnames aan de KU Leuven was voor haar onderzoek, wat ook meteen duidelijk maakt dat wetenschap een internationale onderneming is.

Vrouwen en technologie is op meer vlakken een moeilijke combinatie, niet enkel op het vlak van carrièrekeuze. Veel bedrijven volgen de “pink it, shrink it“-strategie, zegt Belinda Parmar: ze menen dat ze hun technologische snufjes enkel aan de vrouw kunnen brengen in de vorm van een speciale versie die roze is en iets kleiner.

Pink it, shrink it.

“Pink it, shrink it”: illustratie van Belinda Parmar. (Bron afbeelding.)

Ik heb weinig sympathie voor roze in het algemeen en evenmin voor roze speelgoed voor meisjes. We kunnen echter niet alles ineens veranderen. Daarom toch een bonuspunt voor deze zelfverklaarde “Zweedse geek” die een Ada-rugzak voorstelt. In het roze, dat wel, maar dat is voorlopig de enige manier om ongemerkt in de speelgoedwinkel tussen de concurrerende rolmodellen te staan.

Ada-rugzak.

Betere rolmodellen voor meisjes. (Bron afbeelding.)

Wetenschappen en technologie hebben een onvrouwelijk imago, hetgeen deze studiekeuzes minder aantrekkelijk maakt voor meisjes. Dit is dubbel jammer, want enerzijds lopen sommige vrouwen hierdoor hun droombaan mis (wat jammer is voor deze individuen) en anderzijds blijft er zo veel potentieel onderzoekstalent onbenut (wat jammer is voor de maatschappij als geheel). Het is dan ook begrijpelijk dat bijvoorbeeld de Europese Commissie hier iets aan wil doen, maar het is onmogelijk om het over “vrouwen in de wetenschappen” te hebben zonder in stereotypen te vervallen, want dit is precies een stereotype! De enige uitweg is om het niet over deze groep in het algemeen te hebben, maar juist individuele verhalen te brengen van vrouwen uit deze diverse groep. De Europese Commissie heeft dit intussen ingezien met haar video’s en ook de Ada-Lovelace-dag volgt dit formaat.

Toch blijft het een moeilijke evenwichtsoefening: volgens dit onderzoek van Diana Betz en Denise Sekaquaptewa kan het aanbieden van succesvolle vrouwelijke rolmodellen voor wetenschappelijke vakken juist demotiverend werken, vooral bij jonge meisjes! Maar wetenschap ‘opleuken’ met roze lippenstift werkt in elk geval niet en ziet er alleen maar potsierlijk uit.

Er zijn verhoudingsgewijs weinig vrouwen in de wiskunde.

Probleem: er zijn verhoudingsgewijs weinig vrouwen in de wiskunde. Verstandige oplossing: “Kunnen we het stigma van wiskunde als onvrouwelijk proberen opheffen?” Gebruikelijk idee: “Kunnen we wiskunde ROZE maken?” (Cartoon van Saturday Morning Breakfast Cereal.)

Aanvulling (16 oktober 2012):

Ook bij Wetenschap 101 verscheen er een filmpje naar aanleiding van deze Ada-Lovelace-dag.

Moment van ontroering

Het mechaniek van de ontroering.Rudi van den Hoofdakker is eerder deze week overleden en met hem mijn favoriete dichter: Rutger Kopland. Ik hoorde het nieuws vandaag op de radio. Het spijt me dat ik niet eerder een stukje over hem geschreven heb. Hij stond nochtans hoog op mijn lijstje met dichters die (ook) over wetenschappelijke onderwerpen schreven. Rudi van den Hoofdakker was hoogleraar psychiatrie aan de Rijksuniversiteit Groningen en die achtergrond klinkt geregeld door in het werk dat hij onder zijn pseudoniem Rutger Kopland publiceerde.

Ik zou vandaag maar wat graag zijn beschouwingen over poëzie en herinnering herlezen in “Het mechaniek van de ontroering”, maar helaas heb ik dat boek hier niet bij de hand. Dit vaak geciteerde stuk uit de bundel plukte ik dan maar van internet:

Wat is het toch dat een grap, een vondst, een gebaar, een foto, een schilderij, een paar regels, dat die iets teweeg kunnen brengen, iets onverhoeds kunnen laten gebeuren dat lijkt op het losspringen van een slot. Een op het eerste gezicht onbetekenende sleutel past op een slot waarvan je niet wist dat je dat in je omdroeg. Ik ben al lang nieuwsgierig naar die sleutels en die sloten, dat mechaniek van de klik.

Een boek dat ik wel bij de hand heb is een bloemlezing met Koplands gedichten. Daarin staat natuurlijk “Jonge sla”. Dit gedicht weerklonk ook bij het radiobericht over zijn overlijden, maar het is intussen zo’n cliché geworden, dat ik haast niet meer kan geloven dat het ooit oprecht bedoeld is geweest. Daarom plaats ik een ander gedicht, “De laatste bevindingen”, dat meteen een goede illustratie is van wetenschappelijk geïnspireerde poëzie.

De laatste bevindingen

 

Er waren zoals we dachten te weten twee werelden –

de echte en die andere

 

dit onderscheid is onlangs bij nader onderzoek

een overbodige illusie gebleken: deskundigen

hebben in menselijke hersenen gezocht

en geen verschillen gehoord of gezien

 

integendeel, wat zij vonden was met geen pen

te beschrijven, zo ongelooflijk eenvoudig

zo mooi

 

zij noteerden:

 

‘De nacht viel in de ramen van ons instituut,

maanlicht streek over de jonge borsten

van onze vrouwelijke proefpersoon

 

en ja, de door haar hersencellen aangedreven apparaten

zuchtten en in onze microscopen zagen we

in haar moleculen melkwegen van verlangen.

 

Wij zoeken nog koortsachtig naar formules.’

 

Aldus enkele opgetogen, onbedoeld lyrische citaten

uit hun verslag

Als je niet vertrouwd bent met het werk van Kopland, leen dan zeker eens een dichtbundel bij de bibliotheek of lees als opwarming deze korte bespreking van zijn werk.

Stereotypen over onderzoekers

Er zijn heel wat vooroordelen over studenten in het algemeen en over specifieke richtingen in het bijzonder. Deze stereotypen zijn het onderwerp van een nieuwe internetmeme: “Wat anderen denken dat ik doe versus wat ik echt doe“.

Voor mij zijn of waren er minstens zes voorbeelden van deze meme van toepassing:

(1) Wetenschapsstudent
Feit: Wetenschapsstudenten spenderen meer tijd aan hun bureau dan in het labo.

(2) Doctoraatsstudent in de fysica
Feit: Doctoraatsstudenten weten het ook vaak niet.

(3) Experimenteel fysicus
Feit: Experimentele fysici hebben veel geduld nodig.

(4) Student in de filosofie
Feit: Filosofiestudenten zitten niet altijd op café (maar wel vaak).

(5) Wiskundige
Feit: Veel wiskundigen kunnen niet goed tellen.

(6) Statisticus
Feit: Statistici vallen, gemiddeld genomen, wel te vertrouwen.

Mijn link met bovenstaande categorieën: eerst was ik een wetenschapsstudent (1), dan een doctoraatsstudent in de fysica (2) en zo werd ik een volleerd experimenteel fysicus (3); daarna werd ik een (doctoraats-)student in de filosofie (4) en sindsdien doe ik met geavanceerde wiskunde (5) onderzoek over kansrekening en statistiek (6).

Dankzij deze ongebruikelijke mix heb ik welsiwaar extra veel last van beroepsmisvorming (zie bijvoorbeeld hier en hier), maar anderzijds hoop ik me aan bovenstaande stereotypen te kunnen onttrekken.

Hier vind je een heel uitgebreide verzameling met andere voorbeelden. Zijn er voor jou voorbeelden van deze meme van toepassing? En zit er wel wat in of slaat het nergens op? (Behalve natuurlijk op een dood paardtoelichting.)

Paranormale gave? Koud kunstje!

We willen ze graag geloven en daardoor krijgen waarzeggers telkens opnieuw de kans om ons te bedriegen.Je zou denken dat in de éénentwintigste eeuw voor iedereen duidelijk is wat de voordelen zijn van wetenschappelijke kennis: niet alleen geeft het ons antwoorden op vragen zoals waarom water nat is en hoe lang de zon nog blijft schijnen, maar we plukken er ook dagelijks de technologische vruchten van. Toch weet wetenschap niet alles. Dat is juist het bijzondere eraan: de mogelijkheid dat aannames later fout blijken te zijn, is erin ingebouwd; zodra er zo’n fout aan het licht komt, wordt dit aangepast.

Hoe anders is het gesteld met paranormale zaken, waarin je gewoon maar moet blijven geloven, ook al is al drieëndertig keer aangetoond dat dit wonderzalfje niet werkt en dat die charlatan niet echt met overledenen kan praten. Ik zou denken dat het patroon stilaan duidelijk is en dat de zalen van gebedsgenezers en spiritisten leeg blijven. Maar als je in de put zit, zou je je aan elke strohalm vastklampen om eruit te raken. Mensen hopen nu eenmaal vurig dat iemand hen kan helpen met hun problemen. Enkel zo is het te begrijpen dat ook anno 2012 zelfverklaarde paragnosten er nog steeds in slagen geld te kloppen uit de zakken van goedgelovige of wanhopige mensen.

Helaas blijft het dus nodig om zo nu en dan een bedrieger te ontmaskeren. Het Nederlandse programma ‘RamBam’ was deze week voor het eerst op televisie en heeft wel iets weg van de Vlaamse reeks ‘Basta’: ze treden ook op tegen absurde regels en oplichters, maar dan zonder sketches ertussen. In de eerste aflevering trokken ze naar een show van Derek Ogilvie, een Schotse paragnost en babyfluisteraar. Ondanks de vele aanwezigen lukte het presentatrice Linda Hakeboom om een persoonlijke lezing te krijgen. Helderziend of niet, Ogilvie had niet door dat haar opa nog leefde. Achteraf ging ze dan samen met haar opa op zoek naar Derek Ogilvie. Hij beweerde zich echter niets de herinneren van wat hij allemaal voor onzin had uitgekraamd. (Herbekijk hier het fragment of lees hier een verslag.)

Ik vond het een leuke actie, maar zie er toch een zwak punt in: de meeste mensen hebben twee grootvaders. Het werd niet duidelijk uit de uitzending of de opa’s van de presentatrice nog beiden in leven zijn. Zo niet, kunnen mensen die in communicatie met overledenen (willen) geloven, het nog steeds in het voordeel van het medium uitleggen.

Ook de Vlaamse Gili toonde met zijn show 'Iedereen paranormaal' aan hoe je met cold reading de indruk kunt wekken dat je meer weet dan je eigenlijk weet.Met een beetje kennis van statistiek en psychologie wordt jezelf uitgeven voor paragnost een koud kunstje. Er werd in de uitzending duidelijk uitgelegd hoe cold reading werkt: vertrekken van informatie die op veel mensen van toepassing is en dan op subtiele manier specifiekere informatie lospeuteren. De kans dat er van een jonge, volwassen vrouw minstens één grootvader overleden is, is behoorlijk groot. De tweede stap, het lospeuteren van nadere informatie, lukte bij de presentatrice niet, omdat ze zat te liegen. Mij blijft het een raadsel waarom zoveel mensen geloven dat paragnosten toegang hebben tot buitenzintuiglijke informatie, terwijl die mensen toch vooral veel vragen stellen. Kunnen die geesten of visioenen dan niet wat specifieker zijn? Indien niet, kun je toch ook gewoon met mensen praten om hen te helpen – waarom moet je daar dan over liegen?

In een verslag van Maarten Koller over een show van Ogilvie uit 2009 lezen we soortgelijke observaties:

“Het patroon is steeds ongeveer hetzelfde. Derek begint met wat vage en algemene beweringen die nog op heel veel dingen kunnen slaan. Afhankelijk van de reacties past hij zijn uitspraken wat aan. Hij stelt voortdurend vragen en laat het publiek het meeste zelf invullen, om het daarna nog een keer te herhalen alsof hij het zelf bedacht had. Als iemand niet optimaal meewerkt, stapt hij snel over naar een ander. Een wat aarzelende bevestiging kan hij laten volgen door een groot applaus door met nadruk ‘dankjewel’ te zeggen. Hij heeft daarbij veel baat van het prestige dat hij dankzij de tv-uitzendingen geniet. In deze uitzendingen worden slechts een paar krenten uit de pap getoond.”

Ogilvie viel in 2007 al eens door de mand. Hij ging de mist in bij een experiment in gecontroleerde omstandigheden dat werd uitgevoerd door Chris French, een Britse psychologieprofessor en scepticus. Evenmin lukte het hem de één miljoen dollar binnen te halen die  James Randi, een andere Britse scepticus, met zijn stichting JREF heeft uitgeloofd aan degene die bewijs voor het paranormale kan leveren. (Een verslag van deze eerdere tests vind je hier; je kunt ook de volledige aflevering van ‘The Million Dollar Mind Reader’ terugkijken.) Het lijkt dus duidelijk Derek Ogilvie niet over paranormale gaven beschikt, maar hooguit een goed manipulator is. Hoe vaak moet deze man nog ontmaskerd worden? En hoeveel nieuwe oplichters krijgen er nog een kans voor het doordringt dat al deze types bedriegers zijn (al zijn sommigen ook zelf gaan geloven in hun ‘gave’)?

Als je wil weten hoe je kwakzalverij kan herkennen, raadpleeg dan dit overzicht. In het kort komt het hierop neer: als iets te mooi klinkt om waar te zijn, is het vaak bedrog.

Om dit stukje af te sluiten laat ik het woord aan Dara Ó Briain, een Ierse cabaratier. Hij studeerde wiskunde en theoretische fysica en zo nu en dan komt zijn oude passie voor wetenschap duidelijk tot uiting in zijn shows. Hier een fragment waarin hij van leer trekt tegen homeopathie en andere kwakzalverij:

We onthouden:

“Wetenschap weet niet alles.
Wetenschap wéét dat het niet alles weet, anders was het al gestopt.”

Het beste van 2011

Terwijl Dagobert Duck zijn goudstukken telt, tellen wetenschappers hun publicaties van het voorbije jaar.We wensen elkaar deze dagen zo vaak het beste voor 2012, dat we haast zouden vergeten hoe goed 2011 al was! Voor ons was het een gelukkig jaar. We waren niet zwaar ziek. We reisden de wereld af. 2011 was ook het jaar dat ik met dit blog begon. Ik heb het gevoel dat we alles eruit hebben gehaald wat erin zat en dat is een goed gevoel.

De laatste dag van het jaar wordt er heel wat geteld en opgelijst. Dagobert Duck telt zijn goudstukken na en winkeliers maken hun inventaris op. Kranten schrijven over de mooiste liedjes en de grootste rampen van het voorbije jaar. Ja, eind december is lijstjestijd, ook op planeet Academia. De academische wereld houdt er een eigen jaartelling op na, waarin Nieuwjaar op 1 oktober valt. Veel activiteitenverslagen moeten dan ook pas op het einde van het academiejaar ingediend worden. Toch worden sommige inventarissen al aan het eind van het kalenderjaar opgemaakt. Op de faculteit in Groningen wordt bij de nieuwjaarsborrel het Griph-bulletin gepresenteerd, waarin alle publicaties van alle faculteitsleden van het afgelopen jaar worden opgelijst. Dit is dus een goed moment om onze eigen publicatielijsten aan te vullen en even stil te staan bij de oogst van 2011.

Het afgelopen jaar:

  • behaalde ik  een doctoraat en Danny een rijbewijs,
  • namen we twee keer het vliegtuig om op congres te gaan,
  • gingen we nog vaker met de trein,
  • bracht het werk ons in vijf verschillende landen: België, Nederland, Engeland, Polen en de Verenigde Staten,
  • gaf ik elf lezingen en één posterpresentatie,
  • dikte mijn publicatielijst aan met twee artikels, één hoofdstuk in een boek en een proefschrift,
  • schreef ik twee artikels samen met Danny, die intussen aanvaard zijn voor publicatie,
  • werden er twee proceedings-bijdragen aanvaard,
  • stuurde ik nog eens drie artikels in, die nog wachten op beoordeling.

Zo, de publicatielijst en het CV op het statische deel van mijn website zijn ook weer aangevuld. Daarmee is het werkjaar 2011 hier afgesloten. Op naar een nieuw jaar, maar eerst nog even rondneuzen op het internet op zoek naar andere overzichtslijstjes, zoals:

Gelukkig 2012!

 

Aan iedereen:
Beste wensen voor 2012.

En speciaal voor de onderzoekers:
Mooie A1-publicaties gewenst.

Nationale Wetenschapsquiz 2011: van bonbons tot een natte theedoek

In de jaren negentig maakte Wim T. Schippers van de Nationale Wetenschapsquiz een heerlijk chaotische wetenschapsexplosie.Toen ik voor het eerst naar de Nationale Wetenschapsquiz keek, was ik nog maar half zo oud als nu. De quiz werd toen nog gepresenteerd door Wim T. Schippers (wiens stem je wellicht kent van Ernie uit Sesamstraat). Zijn chaotisch enthousiasme maakte van de quiz een echt fenomeen. (Herinner je je ook nog zijn assistente? Dat was Edith de Leeuw: geen actrice die een typetje speelde, maar een professionele statistica, zo ontdek ik zoveel jaar na datum!) Naast stemacteur en presentator is Wim T. Schippers ook beeldend kunstenaar. Dit jaar kwam zijn werk ‘Pindaklaasvloer’ nog in de media, nadat een onoplettende museumbezoeker erop gestapt was. Ook het “Torentje van Drienerlo” op de campus van de Universiteit Twente (een kerktoren die uit een vijver steekt) is een werk van Schippers. Ik dacht die verzopen kerktoren aangeeft hoe diep Nederland onder zeeniveau ligt, maar volgens Wikipedia gaat het om een “symbool voor het achterblijven van kerkelijke dogma’s bij nieuwe wetenschappelijke inzichten“.

Toen ik voor het eerst naar de Nationale Wetenschapsquiz keek, zat ik nog op de middelbare school en was ik zo naïef te denken dat ik de quiz foutloos zou kunnen oplossen eens ik wetenschappen gestudeerd had. Jammer maar helaas, om het met Wim T. Schippers te zeggen: net als in de jaren negentig heb ik ook in 2011 een paar vragen juist en een paar vragen fout beantwoord.

De Nationale Wetenschapsquiz 2011.Er zat dit jaar ook een leuke optica-vraag tussen: waarom ziet een gekleurde handdoek er donkerder uit als hij nat is? Dat had ik me eigenlijk nog nooit afgevraagd. Natte stukken van een handdoek laten, net als vetvlekken op papier, meer licht dóór – dat had ik wel al gezien. De uitleg tijdens de uitzending en die op de website vond ik niet helemaal duidelijk, dus probeer ik het hier zelf te beredeneren in drie stappen.

(1) Weerkaatsing en strooiing. De kleur van een handdoek ontstaat doordat de doek een deel van het witte omgevingslicht absorbeert en een deel reflecteert. Als er, om één of andere reden, minder reflectie is, zien wij dit als “donkerder”. Terwijl een glad oppervlak, zoals van een spiegel, al het licht dat onder dezelfde hoek invalt ook in dezelfde richting weerkaatst, is dat bij een ruw oppervlak niet zo. Bij een handdoek kan men dus beter spreken van strooiing aan het oppervlak.

(2) Stapsgewijs veranderen van de brekingsindex. Bij elke overgang tussen stoffen met een verschillende brekingsindex, wordt een deel van het licht weerkaatst en een deel doorgelaten. Aan de microscoop kan dit vervelend zijn: het draagglaasje, het dekglaasje en de lenzen hebben allemaal dezelfde brekingsindex (van glas), maar daar zit telkens een laagje lucht tussenin met een lagere brekingsindex. Hierdoor gaat er onderweg aan elke overgang heel wat weerkaatst licht verloren. Met speciale olie, die dezelfde brekingsindex heeft als glas, kun je de ervoor zorgen dat het licht overal door dezelfde brekingsindex gaat (‘refractive index matching‘). Bij elke olie-glas overgang wordt alle licht doorgelaten, terwijl je bij elke lucht-glas overgang lichtintensiteit kwijtraakt door gedeeltelijke weerkaatsing. Als je geen olie hebt, kun je het ook met water proberen: dit heeft een brekinginsdex die tussen die van lucht en glas in ligt: door de brekingsindex in stappen te veranderen, in plaats van bruusk in keer, wordt het aandeel van reflectie verminderd.

(3) Lucht-draad overgangen. De handdoek bestaat weliswaar uit draden, niet uit glas, maar als die draden licht (voor een deel) doorlaten, kun je ook daaraan een brekingsindex toekennen. Ja, er zijn weldegelijk wetenschappelijke studies naar de brekingsindex van textielvezels (voorbeeld). (a) In droog textiel zijn er heel wat lucht-draad overgangen. Bovendien zal een deel van het licht dat door een eerste textielvezel is gegaan alsnog weerkaatst kunnen worden aan het oppervlak van de volgende draad, maar dit aandeel lijkt me eerder klein. (b) Bij een natte doek zorgt het water voor brekingsindex-aanpassing, wat de reflectie verlaagt. Er zijn verschillende mogelijkheden die allen hetzelfde effect hebben. Water dat in de vezels kruipt, verlaagt de brekingsindex van de vezels zelf, met minder reflectie tot gevolg. Water dat in een dun laagje om de vezels heen zit, verlaagt dat stapsgewijs de brekenisindex, waardoor er ook minder reflectie is. Water dat de volledige ruimte tussen de vezels opvult (dit lijkt plausibel door capillariteit) zorgt ervoor dat er nauwelijks nog brekingsindex-overgangen zijn in de handdoek; hierdoor neemt het aandeel weerkaatsing in diepere lagen van de handdoek af.

Conclusie: Van een natte handdoek weerkaatst er minder licht dan van een droge, doordat het brekingsindexverschil tussen lucht en water kleiner is dan het verschil tussen lucht en textiel. Bovendien kan er bij een natte doek geen licht worden weerkaatst van diepere lagen, omdat er daar geen brekingsindexovergangen meer zijn, terwijl dit bij een droge doek ook nog kan bijdragen aan de helderheid.
Er wordt meer licht doorgelaten in een natte handdoek en dat komt er aan de achterkant weer uit. Zo komt het dat de natte vlek aan de kant van de lichtbron donkerder en aan de tegenovergestelde kant lichter is dan droge stukken van de handdoek.

Ondanks alle moeilijke wendingen, slaagden er dit jaar drie mensen in om alle vragen juist te beantwoorden. Chapeau! Alle antwoorden met een beetje uitleg en het filmpje uit de uitzending kun je hier vinden.

Tien x (Kerst + Wetenschap)

We hebben een boom in huis gehaald en hem vol bolspiegels gehangen.We hebben een boom in huis gehaald en hem vol bolspiegels gehangen. Het heeft al gesneeuwd in Gent. Het laatste blad verdwijnt weldra van de kalender. Voor dit gebeurt zullen er allerhande deadlines wel of niet gehaald worden. Het is duidelijk: de eindejaarsfeesten komen eraan!

Ik heb twee weken geleden al een lijstje met kersttips gepost, maar intussen heb ik nog zoveel leuke dingen zien passeren dat er vandaag een tweede deel moet komen. Hier zijn er nog tien tips om de eindejaarsperiode op wetenschappelijk verantwoorde wijze door te komen:

  • Voor mij is het geen echte kerst zonder Nationale Wetenschapsquiz! De vragen van dit jaar, inclusief de onvermijdelijke Archimedes-instinker, staan hier.
  • Eenvoudige vragen over kansrekening zorgen altijd voor gedonder, dus ook vraag 14 van de NWQ11 zal zeker mensen op het verkeerde been zetten. (Spoiler: ik sluit me aan bij het commentaar van Keezie).
VRAAG 14
Je hebt drie doosjes met bonbons. In het ene zitten twee witte bonbons, in het andere zitten twee pure bonbons en in het derde doosje zitten een pure en een witte bonbon. Je kiest willekeurig één van de drie doosjes en pakt daaruit ook weer willekeurig één van de twee bonbons. Die bonbon is wit. Wat is nu de kans dat de andere bonbon in het gekozen doosje ook wit is?
a. 1/3.
b. 1/2.
c. 2/3.
  • Als je de vragen over kansrekening en Archimedes wil ontwijken, kun je het natuurlijk ook bij de junior-editie van de quiz houden.
  • Ben je nog steeds op zoek naar originele kerstversiering en ben je niet vies van elektronica en/of sciencefiction? Doe dan je voordeel met deze 20 decoratietips.
  • Stephen Wildish ontwierp een Venn-diagram over de kerstman:

    Venn-diagram over de kerstman.

    Venn-diagram over de kerstman. (Bron afbeelding: http://stephenwildish.co.uk/friday.html)

  • Met de feestdagen wordt er stevig getafeld. Heb je je ook al afgevraagd hoe het komt dat je altijd nog plaats hebt voor een dessertje, hoe veel je voordien ook gegeten hebt? Hier blijkt een wetenschappelijke verklaring voor te zijn: suikers wekken een reflex op waardoor de maagwand verder uitzet. Zo maakt die kerststronk zijn eigen plekje vrij! De truc is om na een zware maaltijd wel suiker te eten, maar het bij iets kleins te houden, zoals een praline: hierdoor rekt de maag wel uit zonder de extra ruimte op te vullen. Dat geeft een minder vol gevoel.
  • Ik vraag me trouwens af of die voedingswetenschapper sinds de zomer al verder is geraakt met het zoeken naar de perfecte chocolade.
  • Hou je juist helemaal niet van het lange feesttafelen en verveel je je altijd op familiefeesten? Dan heb je wat afleiding nodig: origami misschien? Druk deze instructies af en vouw rustig je eigen DNA-molecule. Leer het ook aan je kleine neefje of nichtje. Als er een kom met drijfkaarsjes op tafel staat, kun je met een beetje gevouwen papier ook het effect van dit filmpje proberen te evenaren. Kunstig!

  • Een wetenschappelijke studie over sneeuwruimen van de daken van PC-Hooft-tractoren en brandkranen? Dat ruikt naar Improbable Research! (Inderdaad.) De fysica van sneeuwkristallen vind je hier.
  • Met de kerstdagen kan er in de ruimte ook weer Nederlands gesproken worden: de Nederlandse ESA-astronaut André Kuipers werd vandaag met succes gelanceerd voor een verblijf van een half jaar in het ISS. (Lees ook zijn blog.)
Rond kerst hangen er overal bolspiegels.

Rond kerst hangen er overal bolspiegels. Hier een voorbeeldje uit het station van Utrecht.

Bonus (toegevoegd op 22 december): Als je die kerstballen beu gezien bent, kun je ze altijd laten barsten. In combinatie met een hogesnelheidscamera geeft dat prachtige resultaten!

Bonus-bonus (toegevoegd op 23 december): de limiet voor X -> MAS wordt mooi uitgewerkt op Zeno’s adventkalender van xkcd.

Fijne kerstdagen gewenst!

Niet zo snel, neutrino!

Een muon-neutrino laat zich niet zo makkelijk detecteren. (Bron afbeelding: http://particlezoo.net/individual_pages/shop_muon-neutrino.html)Vorige week deed ik nog verslag van de zoektocht naar het Higgs-boson met de LHC. Het meest besproken wetenschapsnieuws van het afgelopen jaar kwam echter van een ander experiment op CERN:  het OPERA-experiment, waarbij er neutrino’s gemeten zijn, die zich sneller zouden hebben voortbewogen dan de lichtsnelheid in vacuüm.

De voorbije maanden gonsde het ervan op internet en in alle kranten – ook die zonder noemenswaardig wetenschapskatern – doken er analyses van het neutrino-experiment op. Zelfs als je op restaurant zit, kan het tegenwoordig zo maar gebeuren dat je in een flard van het gesprek aan het tafeltje naast je de woorden “neutrino” en “relativiteitstheorie” opvangt. En die mensen zitten dan nog niet eens aan het hoofdgerecht!

De primeur had ik gemist (maar dat gebeurt wel vaker): terwijl heel de wereld het al over die neutrino’s had, waren wij nog nietsvermoedend in Polen, waar we al twee dagen zonder internet zaten. Twee volledige dagen! Zo kon het niet langer, dus moesten we wel op café gaan, waar we bij een groot glas bier (Zywiec) ook op het draadloos netwerk mochten. In mijn inbox zat er een e-mail van Tim. Daarin een link naar een krantenartikel over neutrino’s die sneller dan het licht gegaan zouden zijn en de vraag of ik hier meer van wist. Niet dus. :-(

Als neutrino's inderdaad sneller gaan dan het licht, dan moeten we de fundamenten van de relativitietstheorie herzien.

Als neutrino's inderdaad sneller gaan dan het licht, dan moeten we de fundamenten van de relativitietstheorie herzien. (Bron van de afbeelding: http://foksuk.nl/nl?cm=79&ctime=1316815200)

Intussen heb ik natuurlijk ruim de tijd gehad om mijn schade in te halen. Meteen bij thuiskomst uit Polen heb ik het artikel gelezen en ook de commentaren gevolgd. Het was leuk om te zien hoeveel belangstelling ervoor was. Ik geef een klein overzicht van mijn eigen bevindingen tot nu toe, aan de hand van deze drie vragen:

  1. Hoe betrouwbaar is het resultaat, zo op het eerste zicht?
  2. Wat zijn neutrino’s eigenlijk?
  3. Gingen die neutrino’s nu sneller dan c of niet?

Op arXiv.org verschijnen preprints van wetenschappelijke artikelen.(1) Hoe betrouwbaar is het resultaat, zo op het eerste zicht? Een eerste belangrijke kanttekening bij deze vraag is dat de bevindingen (nog) niet in een wetenschappelijk tijdschrift gepubliceerd zijn, maar enkel als een preprint op arXiv.org staan. (Over dit systeem van wetenschappelijke voorpublicaties schreef ik eerder al.) Als je het artikel daar opzoekt, valt meteen op hoe complex de hele onderneming geweest is: alleen al aan het aantal co-auteurs kun je zien hoeveel mensen erbij betrokken zijn, die elk verantwoordelijk zijn voor een klein onderdeel in het meetproces of de data-analyse.

Aan het einde van hun artikel geven de betrokken wetenschappers expliciet aan dat ze zich wensen te onthouden van speculaties. Welke impact hun bevindingen zouden kunnen hebben op de theoretische fysica is wat hen betreft nog niet aan de orde: zij laten uitdrukkelijk de mogelijkheid open dat er een systematische fout op de metingen kan zitten, die ze ondanks zorgvuldige analyse over het hoofd hebben gezien. (Dit staat in schril contrast met niet-specialisten, die veel minder scrupules hebben om de suggestieve maar onbevestigde experimenten te aanvaarden en wel over verregaande implicaties te speculeren. Tijdreizigers en tachyonen, ahoi!) Aangezien er bij geen enkele andere meting van neutrino’s ooit superluminale snelheden aangetoond zijn, lijken weinig fysici te geloven dat die Zwitsers neutrino’s wel dat ultieme snelheidsrecord hebben gebroken. De consensus lijkt eerder te zijn dat er wel iets misgegaan zal zijn, wat niet belet dat de cruciale fout dan nog gevonden moet worden.

In een persbericht legde collega-filosoof uit Groningen, Jan-Willem Romeijn, al uit dat het nieuws rond de vermeende superliminale neutrino’s een interessante gevalstudie oplevert, waaruit je kunt leren hoe wetenschap werkt – zelfs als uiteindelijk blijkt dat die neutrino’s toch niet sneller dan de lichtsnelheid gingen. Hoewel filosofen graag discussiëren, geef ik hem hierin volmondig gelijk. ;-)

(2) Wat zijn neutrino’s eigenlijk? Neutrino’s zijn elementaire deeltjes en ze zijn eigenlijk constant overal om ons heen. Neutrino’s worden heus niet enkel opgewekt in onondergrondse, fysische labo’s; ook onze zon bombardeert ons constant met gigantische aantallen van deze deeltjes. Gevaarlijk zijn ze niet, want neutrino’s reageren nauwelijks met gewone materie. Zo gaan er elke seconde van de dag zo’n 65 miljard neutrino’s door elke vierkante centimeter van ons hoofd, zelfs als we binnen zitten. Die neutrino’s komen er ongemerkt aan onze voeten weer uit en gaan dan ook nog eens dwars door de aarde heen – de gluiperds! Juist omdat neutrino’s zo weinig interageren met de rest van de wereld, is het bijzonder moeilijk om neutrino-experimenten te doen. De kunst is om grote aantallen ervan op te wekken en dan een reusachtige detector te bouwen in de hoop een zeer kleine fractie van de passerende neutrino’s te betrappen. Anders gezegd: het is allemaal een kwestie van zéér kleine kansen, maar door met grote aantallen deeltjes te werken, wordt de kans om enkele neutrino-gerelateerde gebeurtenissen te detecteren alsnog bijna 100%. En dan – voor de sport – ook nog hun snelheid proberen te achterhalen? Het is niet niks!

Op 24 oktober hield de Koninklijke Nederlandse Academie voor Wetenschappen (KNAW) een mini-symposium over neutrino’s en het intussen beruchte experiment op CERN. In onderstaand filmpje houdt sterrekunde-professor Frank Linde een zeer heldere uiteenzetting over neutrino’s en hun detectie. (De opnames van de overige drie sprekers kun je vinden op de Vimeo-website van het KNAW. Er staat ook een verslag op Wetenschap24.)

(3) Gingen die neutrino’s nu sneller dan c of niet?

Vorige week legde ik al uit dat de lichtsnelheid in vacuüm, c, de absolute maximumsnelheid is voor deeltjes die een (rust-)massa hebben. Neutrino’s hebben een kleine massa en behoren zich dus netjes aan deze ultieme snelheidsbeperking te houden. Ja, ook in het weekend op de snelweg bij droog weer. En ook in ondergrondse tunnels tussen Zwitserland en Italië. In het zelfde bericht schreef ik ook dat de lichtsnelheid in een medium lager is dan die in vacuüm. Hierdoor is het mogelijk dat geladen deeltjes in een medium sneller gaan dan het licht in dat medium (maar dus niet sneller dan c). Als dit gebeurt, gaat dat niet ongemerkt voorbij: er komt daarbij Cherenkov-straling vrij.

Wat heeft dit nu met het neutrino-verhaal te maken? Als die neutrino’s sneller dan c waren, dan moest er daarbij ook karakteristieke straling vrijgekomen zijn. Niet precies Cherenkov-straling (want neutrino’s zijn geen geladen deeltjes), maar wel een andere vorm van remstraling of ‘Bremsstrahlung‘. Fysici Cohen en Glasgow hebben intussen een artikel gepubliceerd waarin ze schrijven dat superluminale neutrino’s paren van elektronen en positronen doen ontstaan. Hierdoor verliezen de snelle neutrino’s veel energie en gaat dus ook hun topsnelheid snel achteruit. Een andere groep analyseerde de gegevens van het neutrino-experiment en vond daarin geen sporen van de door Cohen en Glashow voorspelde straling.

Zo, Tim, je hebt er een paar maand op moeten wachten, maar dit is dan eindelijk je antwoord: we kunnen voorlopig besluiten dat de neutrino’s niet sneller zijn geweest dan c. (Lees ook de samenvatting bij Kennislink, waarin er wel nog enkele exotische opties worden opengelaten.)

Niet zo snel, neutrino!

De neutrino's worden teruggefloten: hoe sneller ze gaan, hoe meer elektron-positron paren er ontstaan, waardoor de deeltjes afremmen. Deze straling is echter niet waargenomen in het OPERA-experiment.

Het mooie aan wetenschappelijk denken is dat het zo efficiënt is. Als je de moeite doet om één stukje theorie echt uit te pluizen (bijvoorbeeld hoe de snelheid van het licht varieert afhankelijk van het medium), blijkt dit nieuwe begrip later altijd nog op verrassend veel andere plaatsen van toepassing (ook bij ondergrondse neutrino’s). Fysica: het kost soms wat moeite, maar dan heb je ook wat. :-)

Wetenschap kan de boom in!

Einstein is klaar voor de Kerst. U toch ook?Zo, die Sinterklaas is het land uit, dus nu is het aftellen naar Kerstmis. Ik help je deze periode overbruggen met vijf wetenschappelijk verantwoorde tips:

Wees voorzichtig in de mensendrukte als je kerstinkopen gaat doen en maak er een fijne tijd van.